Comfort food

De dames (sorry heren) zullen zich herkennen in de beschamende vreetkick die steevast ‘de dagen van de maand’ aankondigen. Aangewakkerd door hormonen ben ik persoonlijk twee of drie dagen nóg bodemlozer – als het gaat om voedsel – dan alle andere dagen.

Ik bemerk wel dat ik steeds vaker hele specifieke behoeften krijg, misschien heeft dat dan met leeftijd te maken. Laatst was het een Greenfield burger, een bepaald type burger van Iers rundvlees, dat bij Albert Heijn te koop is. Ik had verder geen boodschappen nodig, maar ik moest en zou dat stuk vlees. Nu. Dus op naar de supermarkt.

In het schap liggen alle variaties van de burger – met tomaat, met jalapeño pepers, tandoori – maar geen gewone burger en die wil ik. Niets anders. Die doe ik dan in de grillpan, broodje erbij, en een salade. Ik proef het sappige vlees al, en hoe de sappen eruit lopen als ik een hap neem en het brood verzadigen. Het Ierse rundvlees dat ondanks het label ‘mager’ nog altijd glimt en sijpelt van heerlijkheid.

Ik klamp de eerste vakkenvuller aan. Hij ziet me vanuit zijn ooghoek aankomen, legt zijn verpakkingen met groente neer, zucht onhoorbaar, forceert een vriendelijke glimlach en kijkt mij afwachtend aan. Ik begrijp dat hij van de groente is, niet van het vlees, maar ik zie zo snel even niemand anders. De wanhoop in mijn stem heeft een snaar geraakt bij de scholier, hij komt het schap zelf inspecteren. ‘Achter? Liggen er achter nog?’ probeer ik.

‘Mijn collega is het vlees halen,’ stottert de jongeman. Zo’n vrouw van in de veertig met zo’n prangende behoefte aan vlees wordt hem net iets teveel. Licht raak ik zijn bovenarm aan. ‘Dan kom ik zo nog wel even terug.’ Hij knikt en keert terug naar zijn snoeptomaatjes.

Ik maak een rondje door de supermarkt, ga bij mezelf te rade of een alternatief ook goed is of dat ik werkelijk op de fiets moet stappen om de andere Albert Heijn vestiging te proberen.

Ik draal wat bij de olijven en de kaas als de jongen van het vlees aan komt lopen. Ik stap op hem af en vraag of hij toevallig ook Greenfields burgers in die stapels zwarte kratten heeft zitten. ‘Sorry mevrouw, alleen kip en worstjes.’

Grrr… Als alternatief ga ik dan maar voor het broodje maar met gegrild gehakt. En melk. Melk moet ik ook. Geitenmelk.

Ik ben altijd weer blij als ik dan eindelijk ongesteld ben, dan is het ‘moeten’ er weer af, want die vreemde obsessie met specifiek eten is vermoeiend. Een kleine demonstratie van hoe een zwangere vrouw zich moet voelen, die vreemde voedselfixatie waar altijd maar lacherig over gedaan wordt. Het voelt hetzelfde als afkicken van een verslaving. Toen ik stopte met roken voelde het ook zo, die manie, die dwanggedachte: ik moet roken, ik moet nu een sigaret. En soms liep ik dan inderdaad midden in de nacht naar de nachtwinkel om sigaretten te gaan halen. Wist je dat liefdesverdriet trouwens precies hetzelfde werkt als een verslaving? Alleen ben je niet geobsedeerd door iets, maar door iemand. Of in ieder geval door het idee aan iemand.

Een vriendin van mij in New York raakte zwanger. Ze is Brits. Ze vertelde me over haar bezetenheid voor voedsel. ‘Maar,’ zei ze, ‘ik heb een onstilbare honger naar dingen uit mijn jeugd. Britse gerechten.’ Comfort food heet dat zo mooi in het Engels. Ik ben er sindsdien eens op gaan letten, waar ik dan trek in krijg en wat dat gerecht dan voor me betekent. Zo kan ik ineens een ontzettende trek krijgen in melk en ontbijtkoek. De ontbijtkoek in de melk dopen tot de koek verzadigd is en dan in je mond steken. Dat brengt mij terug naar mijn tienerjaren. Of een krentenbol met roomboter zoals mijn oma ze voor me maakte. Dat vond ik als kind het allerlekkerste op de hele wereld.

De burger snak ik naar uit biologisch oogpunt, heb ik geconcludeerd. Mijn lichaam wil dit zo nu en dan. Vlees. Aansterken voor ik ga afzwakken. Ik kan tenminste geen warme, troostende herinnering oproepen bij Iers rundvlees.

Tien nummers

Aanstaande zaterdag ben ik te gast bij het radioprogramma Studio De Witt (naar de gebroeders De Witt) van de lokale zender Drechtstad FM. Twee uur lang ‘gast aan tafel’. Sidekick baby! Leuk!

Nou vroegen ze of ik tien nummers wilde aandragen. Muzieknummers waar ik misschien een klein verhaaltje bij kan vertellen. Ha! Hm.

Ik heb geloof ik vijfduizend nummers in mijn iTunes bibliotheek staan, ik heb namelijk al lang geleden al mijn CD’s omgezet naar MP3 bestanden en sindsdien diverse albums via iTunes aangeschaft. De nummers die ik niet leuk vind, heb ik er al uitgehaald. Daarom zit ik vrijwel nooit op Spotify; ik heb veel tijd gestoken in het uitzoeken van mijn muziek, ik hoef niet overladen te worden met meer ongefilterde muziek. Spotify is natuurlijk wel goed voor het ontdekken van ‘soortgelijke’ muziek.

Met enige trots kan ik zeggen dat ik regelmatig complimenten krijg over de muziek die ik op heb staan, tijdens een etentje bijvoorbeeld. Vrienden vragen ook wel of ik nog tips heb, artiesten die ik goed vind. Ik ga nergens naar toe zonder mijn iPod Touch. Ik ben dus echt wel een muziekliefhebber. Maar uit al die pareltjes moet ik dus tien nummers zoeken? Poeh.

Sterker nog, tien nummers, waar ik een verhaaltje bij kan vertellen. Dat maakt het misschien wel wat makkelijker om te filteren. Waar zit een leuk verhaal achter?

Muziek heeft op mij een extra grote impact tijdens perioden van liefdesverdriet, en liefdesverdriet kan ik je vertellen, heb ik bovengemiddeld vaak gehad. ‘Bend Till I Break’ van Maria Mena is zo’n nummer dat ik dan urenlang op repeat kan zetten, of ‘L.A. Song’ van Beth Hart. Zo kan ik nog wel even doorgaan want zwelgen kan ik als geen ander.

Maar deze nummers kan ik de luisteraar toch niet aandoen? Dan gaan we allemaal met weemoed het weekend in, verlangend naar… ja, naar wat eigenlijk. We weten het niet eens. Nee, vrolijke, zonnige nummers moeten het zijn, met een leuk verhaal.

Wat komen er veel beelden boven als je op deze manier naar je muziek kijkt. Bijvoorbeeld hoe we vijftien jaar geleden in de Pyreneeën reden. Ad achter het stuur. ‘Better Things’ van Massive Attack stond keihard aan. Het was pikdonker, de weg was gevaarlijk, slingerde langs de afgrond en Ad had een flinke borrel op, ik ook. Ik was zo tevreden en volkomen gelukkig dat ik dacht: als we nu het ravijn instorten, dan is het niet erg. Een beetje van dat volmaakte geluk, voel ik nog als ik het nummer hoor.

Hoe ik ging joggen in Prospect Park in Brooklyn met ‘Before he cheats’ van Carrie Underwood in mijn oren, zo’n lekker venijnig nummer waar je lekker je agressie in kwijt kunt, waar je de boze energie uit put om die klote heuvel op te rennen.

Of hoe we met z’n vieren terugkwamen van een etentje in een chique restaurant in Antwerpen. We reden binnendoor op een zwoele zomeravond, met het raam van de auto een beetje open. We hadden ‘Desert Rose’ van Sting loeihard op staan. ‘Stop! Stop!’ riep ik. Hoe we de auto langs de kant hebben gezet, uit zijn gestapt en vervolgens midden in de nacht hebben staan dansen op een verlaten landweggetje, in onze nette kleding.

Je ziet, ik verlies me gemakkelijk in mijn muziek en mijn herinneringen, maar goed, ik heb mijn tien nummers aangedragen. Elf eigenlijk, ik kon niet kiezen. Geen voor de hand liggende muziek denk ik, ik hoop de luisteraar kennis te laten maken met een paar nieuwe nummers en ariesten. Over het algemeen oppeppende nummers en sommigen met een verhaaltje, zoals de keer dat John Mayer onverwacht kwam jammen in The Village UndergroundDJ / sidekick for a day, ik heb er zin in!

Kill your darlings: Met de Franse slag

De veertiende juli, le Quatorze Juillet voor de Fransen, Bastille Day voor de niet Fransen, is de perfecte dag om deze laatste Kill your darlings te publiceren. That’s it, meer heb ik er niet, tenminste, niet meer verhalen die ik kan of wil delen.

Voor de nieuwkomers: er zijn een aantal verhalen (van dates) die het boek New York in 40 dates niet hebben gehaald. Schrijven is schrappen. Kill your darlings. Vandaag dus de laatste die ik alsnog met je wil delen.


Met de Franse slag

New York, juli 2009

Bob is niet mijn type, maar hij is een aardige man en vooral aanhoudend, dus ik stem toe hem te ontmoeten, een date kan je altijd aangenaam verrassen. Hij reist veel en is Frans aan het leren omdat hij vaak in Parijs is. Deze globetrotter mentaliteit kan ik erg waarderen. Bob heeft vrienden gemaakt over de hele wereld en het is zijn hobby om te reizen, vrienden te bezoeken, op huizen van mensen te passen en aan appartementenruil te doen (zelf heeft hij een klein appartement in Hell’s Kitchen). Een leuke en relatief voordelige manier om de wereld te zien. Hij is fotograaf, een vak dat hij overal kan beoefenen, en daarnaast doet hij de distributie en reparaties voor Apple.

Bob nodigt mij uit bij een Frans restaurant genaamd Flea Market (inmiddels gesloten) op Avenue A, in de zuidoostelijke wijk op Manhattan die ze Alphabet City noemen. Een wijk waar je vijftien, twintig jaar geleden absoluut niet moest komen, levensgevaarlijk. Nu is het ontzettend hip.

We eten en praten en kunnen het erg goed vinden samen, alsof we elkaar al jaren kennen. Ik voel echter geen chemie voor hem.

Na koffie en een gedeeld nagerecht zeg ik dat ik moet gaan. Hij loopt met me mee naar de ingang van het metro station, 2nd Avenue. Hij kust me op de mond, laat een goedkeurend ‘hmm’ horen, gaat er goed voor staan en drukt zijn lippen nogmaals op de mijne, maar ik houd mijn lippen op elkaar. Fascinerend toch hoe een heel gesprek zonder woorden, maar in lichaamstaal, zich kan afspelen in een enkele seconde.

Tijdens het eten hebben we het gehad over een aankomend feest in Brooklyn, in de Frans georiënteerde buurt (door de vele Franse bistro’s) Boerum Hill. Hier vieren ze namelijk de 14de juli, Bastille Day. Niet op de dag zelf want het is natuurlijk geen nationale vrije dag in Amerika, maar op de zondag er voor. Ik stel hem voor dat hij ook naar Brooklyn komt en hij accepteert, dus we hebben al een tweede date voordat de eerste is afgelopen.

Op de zondag van onze tweede afspraak in Boerum Hill is Bob veertig minuten te laat, zonder excuses en zonder me een reden te geven. Iets wat ik nou niet bepaald kan waarderen. We gaan brunchen in een zaak aan de straat – Smith Street – waar de festiviteiten plaatsvinden. Denk bij festiviteiten vooral aan gemoedelijke competities in Jeux des Boules, Petanque of Bacci zoals ze het hier noemen, en marktkraampjes.

De zaak waar we brunchen heeft een ruime tuin aan de achterzijde, met picknick tafels en lampionnen. Voor de brunch heeft Bob een vriendin, Kim, uitgenodigd die hij ook via de datingwebsite heeft leren kennen. Een leuke vrouw en erg interessant om een andere dame van de site te ontmoeten. Onze gelijkenis is echter een beetje angstaanjagend. Bob heeft duidelijk ‘een type’.

In de loop van de dag schuiven steeds meer mensen aan; Bob’s vriend Richard, ook fotograaf, een paar mensen van zijn Franse les die uiteraard zijn aangetrokken tot de viering van deze nationale Franse feestdag, en ook een vriendin van mij, Dorothy, die niet ver hiervandaan woont. Het wordt een heerlijke luie zondagmiddag, aan een grote tafel, in een tuin in Brooklyn, met drank, eten en gezelligheid, kortom met een perfecte middag die niet zou misstaan op het Franse platteland. Een middag met de ongedwongen Franse slag.

.

Het wordt mij vaak gevraagd: heb je nog contact met deze mensen? En ja, met veel van mijn dates heb ik nog steeds contact. Bob (die niet echt Bob heet maar die ik uit privacy overwegingen hier zo noem) is zelfs nog op bezoek geweest in Nederland, heeft op een van zijn rondreizen door Europa nog een paar dagen bij me gelogeerd.

Overpeinzingen #2

Gelukkig vragen mensen zich dingen af. Dat houdt ons scherp, dat zorgt ervoor dat er onderzoek wordt gedaan, dat we vooruit gaan. Of vooruitgang per definitie beter is, daar heb ik het nu niet over, maar we staan in ieder geval niet stil. Elk antwoord roept weer drie nieuwe vragen op. Bij kinderen is dat meestal maar één vraag: ‘Waarom?’

Een van de kinderen in mijn straat zit in die fase, dan hoor ik een hoog kinderstemmetje, gedragen door de vroege herfstwind, mijn werkkamer inwaaien:

‘Waarom?’

‘Nou, omdat…’ (diepe vaderstem)

‘Maar, waarom?’

Afijn, u kent het wel.

Ik ben op een leeftijd dat ik niet meer elke andere volwassene zomaar lastig kan vallen met elke vraag die in me opkomt (hoewel een vriendin van mij dit wel degelijk doet tot ik er horendol van word). Nee, ik zal het af en toe ook zelf moeten uitzoeken en dan vraag ik het Google, de grote alwetende wolk. Tenminste, meestal vraag ik het me alleen maar af en dan draai ik me weer om, maar deze keer wilde ik het toch eens weten:

‘Hoe komt het dat muggen malaria overbrengen, maar geen HIV?’

Nou, ik ben duidelijk niet de eerste die zich dat afvraagt (niet dat ik dat verwacht had), en een stukje in de rubriek ‘next question’ van het NRC, legt het me uit:

… Een vrouwtjesmug (mannetjes steken niet) kan wel geïnfecteerd bloed opzuigen, legt entomoloog Bart Knols van de Wageningen Universiteit uit. Maar dat bloed gaat naar haar muggenmaag en komt er niet meer uit als zij een ander steekt.

Hoe raken mensen dan besmet door een malariamug? Via biologische transmissie, zegt Knols. „Als het besmette bloed lang in het lichaam van de mug blijft, kan de malariaparasiet via de buikwand in de speekselklieren komen. Een mug injecteert altijd speeksel voordat zij bloed gaat zuigen en zo wordt malaria dan overgedragen.”

Hiv kan op deze manier echter niet worden overdragen, omdat muggen koudbloedig zijn; het virus sterft af voordat het de kans krijgt om in het speeksel terecht te komen…

Mijn volgende vraag is dan:

Wat als we mensen met HIV aan een apparaat leggen dat al hun bloed even aan dergelijke condities (kou, gesteriliseerde opvang buiten het lichaam) blootstelt en het dan weer terugpompt?

Ik ben plasmadonor bij de bloedbank, dat betekent dat er bloed wordt afgenomen, het plasma via een kleine centrifuge afgescheiden wordt, en dat ik de rode bloedcellen weer terugkrijg. Theoretisch zou dit dus het HIV virus moeten vernietigen want dat kan buiten het lichaam niet lang bestaan. Of denk aan mensen die een nierdialyse moeten ondergaan? Wordt het bloed dan ook niet gezuiverd door een kunstnier? Het kan dus wel.

Of kunnen we geen Cryotherapie – het toepassen van (extreme) kou als medische behandeling voor uiteenlopende klachten – inzetten? Ik weet dat met deze therapie al geëxperimenteerd wordt. Kan dit het virus niet doden? Muggen zijn koudbloedig, daarom overleeft het HIV virus niet. We hoeven de patiënt niet te bevriezen, alleen tijdelijk te onderkoelen… Het is maar een idee.

Nou ja, ik zal niet de eerste zijn die dit verzint, er zullen hele goede redenen voor zijn dat deze behandelingen niet kunnen worden toegepast bij patiënten met het HIV virus, maar dat vraag ik me dan toch af. Gelukkig zijn er mensen die het antwoord op deze vragen nog veel belangrijker vinden dan ik. Mensen die zich niet nog een keer omdraaien in bed, die het niet na twee pagina’s zoekresultaten in Google weer opgeven. Gelukkig zijn er heel erg nieuwsgierige mensen op de wereld.

Waar zouden we zijn als we niet zo nieuwsgierig waren? Of als we onze interesse kwijt zouden raken?