Lang leve de Koning!

Als mijn blog en Koningsdag samenvallen, dan moet ik daar natuurlijk iets over zeggen. Ik kan vertellen over de keren dat ik meedeed aan de vrijmarkt, in de goede oude tijd toen kleedjes in Dordrecht nog waren toegestaan. Tegenwoordig moet je een kraampje huren of een kind lenen, want kinderen mogen wel een kleedje neerleggen.

Maar dat ga ik niet doen, ik ga je vertellen over iets wat ik mij al lange tijd afvraag, al voor Willem-Alexander en Máxima ‘het’ deden met elkaar. Ik zou het kunnen opzoeken, maar ik vind het veel te leuk om de vraag in goed gezelschap in de groep te gooien en te zien hoe men net als ik op het vraagstuk kauwt, of niet.

De vraag is dit: als in ons koningshuis de eerstgeborene een meisje is en het tweede kind een jongetje, wie is dan de troonopvolger? Is het in Nederland het eerstgeboren kind of de eerstgeboren zoon?

In het oosten, ik geloof in Japan, is (als ik het goed herinner) de grondwet ooit aangepast van ‘eerstgeboren zoon’, naar het ‘eerstgeboren kind’.

In Nederland weet ik het niet en het is ook al eeuwen niet aan de orde geweest:

  • Willem I en Wilhelmina, drie zonen en twee dochters. Willem I was de eerste Koning der Nederlanden.
  • Willem II en Anna, vier zonen en een dochter.
  • Willem III en Sophie, kregen drie zonen, deze stierven alle drie voor hun vader stierf. Willem III hertrouwde met Emma, ze kregen één dochter.
  • Wilhelmina en Hendrik, één dochter.
  • Juliana en Bernard, vier dochters.
  • Beatrix en Claus, drie zonen.
  • Willem-Alexander en Máxima, drie dochters. Als de middelste of de jongste een zoon zou zijn, zou deze dan de opvolger worden?

Inmiddels, dankzij mijn zoektocht naar onze troonopvolgers op het internet, ben ik er (onbedoeld) achter dat het grondwettelijk het eerstgeboren kind is, niet per se de eerstgeboren zoon dus. Jammer, nu moet ik iets anders verzinnen om tijdens de borrel in de groep te gooien. Maar dat het vraagstuk sinds het ontstaan van ons koninkrijk nooit aan de orde is geweest, is frappant. Toch?

Summer storm

Summer storms, ik ben er gek op! Kan me niet hard genoeg tekeer gaan. Dat wil zeggen, nu mijn dak vernieuwd is (in 2015) en ik geen lekkage meer heb.

Kom maar op met die hagel, regen, donder en bliksem. Ik krijg altijd zin om terug te schreeuwen, niet uit boosheid, gewoon omdat ik ook wil ontladen, net als de wolken. Ik denk alleen dat mijn buren me op laten pakken als ik ga staan brullen op mijn patio. Maar, boy, wat vind ik een goeie storm opwindend. Enerverend.

Een stortbui is natuurlijk vooral leuk als je thuis op de bank zit met een boek en je weet dat je de deur niet meer uit hoeft. Sterker nog, als je daardoor kunt denken: ‘Ja, daaaag, ik ga ècht niet naar de sportschool met dit weer’ terwijl je de zak chips nog wat dichter naar je toetrekt.

En als ik heel eerlijk ben: noodweer is het aller-allerleukst als je in bed tegen een warm, naakt mannenlijf aanligt (of een vrouwenlijf voor wie daar de voorkeur aan geeft). Minder ontspannen als je iPhone nog op het tafeltje buiten ligt. Is me ook al eens overkomen.

Opeens houdt het natuurgeweld op, schijnt een tevreden avondzonnetje tegen de gevel van het witte huis aan de overkant en hoor je de vogeltjes fluiten in de stilte na de storm.

 

Ken je de reclame nog, ik weet niet meer waarvoor, maar een Amerikaan loopt rond in Nederland en roept ‘our bridges are muuuuuuuch bigger’ en ‘our cars are muuuuuuuch bigger’, et cetera.

Flauw, maar het is wel zo. Hun Thunderstorms mag je met recht met een hoofdletter schrijven. Als je denkt dat het hier met bakken uit de hemel komt, dan heb je de ‘summer rain’ in New York nog niet meegemaakt.

En als het begint te stortregenen op een hete namiddag in augustus en je komt met je Nederlandse collega (die bij jou logeert) uit je werk en fietst samen naar huis in Brooklyn, laat het dan ook maar gewoon over je heen komen. Compleet weggespoeld werden we door een plensbui, zo hevig was het dat we de fiets aan de kant moesten zetten omdat we niets meer konden zien door de deken van water. We kregen er de slappe lach van, zo absurd was de hoeveelheid water die in korte tijd naar beneden kwam. (Is ook een heerlijke ontlading; lachen. Reken ik ook goed.)

Een andere keer stond ik tevreden in het halletje van mijn appartement het natuurgeweld te bewonderen tot ik erachter kwam dat aan de achterkant van mijn kelderappartement, bij mijn achterdeur, het water met emmers tegelijk mijn huis in stroomde. Nou had ik gelukkig een tegelvloer en stond alles op pootjes, maar toen heb ik inderdaad even terug gevloekt. Niet echt hoor, want zo ontzettend veel vloek ik nou ook weer niet, geloof ik.

VeganChallenge

Zeg ‘uitdaging’ en mijn oortjes zijn alweer gespitst. Hele vervelende eigenschap.

Toen ik laatst schreef over veganisme (en ja, ik zet inmiddels grote vraagtekens bij sommige beweringen van Dr Michael Greger) kwam ik op de site van de VeganChallenge; de hele maand april veganistisch proberen te eten. Ja joh, waarom niet dacht ik. Een maandje veganistisch leven moet geen kwaad kunnen.

‘Daag jezelf uit’ staat er in een vrolijk ballonnetje op de startpagina. Zo’n marketingkreet die op mij uitstekend werkt. Voor ik het wist had ik me alweer opgegeven. Immers, ik at al nauwelijks vlees, dan zou ik alleen nog de eieren, melkproducten en honing moeten weren uit mijn keuken.

Pff, eitje! Nou, mooi geen eitje dus, voor het Paasontbijt.

Ik hield het zoveel mogelijk voor me dat ik hieraan meedeed, ik kon de reacties namelijk wel inschatten. De eerste die ik het vertelde draaide met haar ogen. ‘Wat voor voedingsleer ga je nou weer volgen?’

Ja, ik heb alles wel geprobeerd inderdaad en ik word horendol van al die goeroes die elkaar tegenspreken. Waarom zijn we als mensen het eten verleerd? Hoe absurd is dat?! Daar wilde ik ooit nog een boek over schrijven, misschien ga ik dat ooit nog wel eens doen. Kan ik het veganisme nu ook meenemen.

Raar eigenlijk; ik ben niemand verantwoording schuldig, maar ik ben dan toch zo eigenwijs dat ik wil volharden. Er wacht geen medaille op me in mei, geen certificaat, nog niet eens een schouderklopje. Helemaal niets. Niemand die me controleert, niemand die teleurgesteld is als ik morgen een plakje kaas op brood neem. En toch doe ik het niet. En ik kan je geen overtuigende reden geven waarom niet.

***

‘Bitterballen?’ We zitten op het strand, die eerste prachtige zondag.

‘Nee…’ zeg ik beteuterd. Ik ben gek op bitterballen. Die heb ik echt gemist toen ik in New York woonde.

‘Pizzaatje?’

‘Nee…’ Ik zucht. Zal ik? Ik bedoel, wie kan het nou wat schelen? Helemaal niemand. Nee. Ik doe het niet. ‘Kunnen jullie deze salade veganistisch maken? En het brood is ook veganistisch, toch? Met wat olijfolie graag. Alsjeblieftdankjewel.’

***

‘Maar wat mag je dan wel voor het ontbijt met dat rare dieet van je?’ Nog zo’n reactie als ik blijf logeren bij familie.

‘Nou, fruit. En ik kan ook gewoon een boterham eten.’

‘Oh ja, ik heb heerlijke oude kaas.’

‘Ja, dat dus niet.’

***

Ik ben nu twee weken verder, volgens die Dr Michael Greger ben je na drie weken op een plantaardig dieet van al je klachten verlost, waaronder depressiviteit, maar daar merk ik nog weinig van.

Niks geen vrolijke veganist tot nu toe. Maar volhouden zal ik.

Vrolijk Pasen!!

 

Portretten By Diana

Naast het schrijven ben ik me ook gaan toeleggen op het boetseren van portretten, al dan niet in opdracht. Van de week heb ik mijn virtuele winkeltje geopend op Etsy. Het is er nog een beetje kaal en stoffig, maar het begin is er. Beter gewoon te beginnen dan te wachten tot alles perfect en ruim bevoorraad is. Dat heb ik ergens gelezen als advies voor startup companies: Just do it.

Kan ik ook eindelijk mijn Instagram profiel gaan gebruiken, want als schrijver heb je daar namelijk niet zoveel aan en het profiel had ik al wel. Kom gerust even kijken in de winkel en/of volgen op Instagram:

Etsy : https://www.etsy.com/shop/PortrettenByDiana

Instagram : https://www.instagram.com/dianaalbrink

Mijn eerste beeldje heb ik trouwens een paar weken geleden verkocht via marktplaats, grappig verhaal. Dat zit zo:

Elke vrijdagochtend zit ik ‘op boetseren’ bij de SKVR in Rotterdam. Een cursus van telkens vijftien weken, waarbij we werken met een levend model. Het model komt drie lessen achter elkaar in dezelfde positie zitten. Vijf verschillende modellen per cursus, dus ook vijf beeldjes per cursus.

De bustes vind ik prachtig om te doen en daar zou ik ook graag mee verder willen, maar de beeldjes van de hele figuren zie ik als vingeroefening, om goed te leren kijken, materiaal te leren begrijpen, et cetera.

Voor je het weet staat echter wel je huis vol met je creaties. En het huis van je moeder, want zij is de enige die je – nu je een volwassen vrouw bent – met goed fatsoen ‘je handenarbeid’ cadeau kunt doen. Zij is ook degene die je allereerste beeldje – van toen je elf jaar was – heeft bewaard.

Ongevraagd weggeven aan vrienden kun je eigenlijk niet maken, vind ik. Dan zitten zij er weer mee, en kunnen het zolang als ze leven niet wegdoen, ook al vinden ze het niets en zullen ze dat nooit zeggen. Dus ja, wat moet je er dan mee.

Weet je wat, dacht ik een paar maanden geleden, ik zet ze gewoon op marktplaats en dan zien we wel. Ik kreeg een bod op een van de beeldjes, niet veel, maar de kosten waren er in ieder geval uit.

Ik vroeg de koper waar hij woonde, misschien kwam ik in de buurt, maar nee, het was in een hoek van Nederland waar ik zelden kom: Brabant.

‘Maar ik zou het wel leuk vinden u een keer te ontmoeten, en in Brabant hoort daar vanzelfsprekend ook een hapje en een drankje bij.’

Ik liet het een vriend van mij zien en vroeg: ‘Vraagt hij me nou uit?’

Wij stugge Zuid-Hollanders waren deze Brabantse gastvrijheid helemaal niet gewend, maar niet veel later werd ‘de bijbedoeling’ duidelijk:

‘Maakt u ook werk in opdracht?’

Dat is ook toevallig, dacht ik. Ik dénk aan het maken van werk in opdracht, en zie daar: een verzoek. Wat is het leven toch wonderlijk en magisch af en toe.