Saoedi-Arabië

Koning Abdullah van Saoedi-Arabië is vorige week overleden, dat las ik in het financieel dagblad en daarom wil ik deze week een klein verhaaltje over Saoedi-Arabië met jullie delen.

Het financieel dagblad schreef onder andere het volgende:

Koning Abdullah bin Abdul Aziz al-Saud was negentig en kampte al langer met gezondheidsproblemen […] Koning Abdullah nam in 2005 de troon over, maar was toen feitelijk al tien jaar aan de macht omdat zijn halfbroer koning Fahd was geveld door een beroerte. Abdullah werd gezien als een voorzichtige hervormer die tegen de wens van religieuze conservatieven de rol van vrouwen geleidelijk probeerde te verbeteren. Ook streefde hij ernaar de economie minder afhankelijk te maken van olie-opbrengsten.

Dit laatste was belangrijk: Koning Abdullah wilde een fundering leggen voor een economie gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en omdat ik bij een wetenschappelijke uitgever werk, mocht ik deel uitmaken van een delegatie die in 2011 naar Saoedi-Arabië vertrok om presentaties te geven aan drie verschillende universiteiten. De delegatie bestond uit drie vrouwen en drie mannen en de presentaties gingen over het publiceren van wetenschappelijke artikelen.

Een bezoek aan Saoedi-Arabië was een bijzondere ervaring, zeker omdat je het koninkrijk als toerist niet binnenkomt. Er worden alleen zakelijke visa afgegeven. Als vrouw moet je een abaya dragen (dat is een wijde jurk of jas over je kleding en een hoofddoek). Haren en hals mogen niet zichtbaar zijn, maar het gezicht wel.

Het is maart 2011 en we zijn in Jeddah. Het is vrijdagavond, wat gelijk staat aan onze zondagavond want het weekend in Saoedi-Arabië was op dat moment nog donderdag en vrijdag (inmiddels is het vastgesteld op vrijdag en zaterdag). We zijn uit eten geweest in een restaurant, wat nog niet zo vanzelfsprekend is als je misschien zou denken: vrouwen mogen niet overal naar binnen dus we moeten een restaurant vinden met een familieruimte.

De volgende dag, zaterdag, zouden we onze eerste presentatie geven, zondag zouden we naar Riyadh reizen waar we dan op maandag onze tweede presentatie zouden geven.

Die vrijdagavond, na het eten, nemen we taxi’s terug naar ons hotel en verbazen ons over de feeststemming die heerst op straat. Chauffeurs toeteren en mannen hangen uit rijdende auto’s met de nationale vlag in hun handen. Het lijkt erop alsof Saoedi-Arabië het WK voetbal gewonnen heeft.

Wanneer we terugkomen in het hotel, wacht onze plaatselijke contactpersoon ons op en legt uit wat er is gebeurd: de koning heeft een toespraak gehouden vanavond. In de buurlanden gaat het slecht en daar heerst ontevredenheid. De koning wil zijn mensen tevreden houden en heeft daarom nieuwe investeringen in het onderwijs en in de gezondheidszorg aangekondigd. Alle huishoudens zullen hier direct baat bij hebben. “Bovendien,” heeft hij in zijn toespraak gezegd, “verklaar ik morgen tot een nationale vrije dag.”

Boem. Het hele land morgen vrij omdat de koning dat zegt. Ongelooflijk!

Zo zal ik mij Koning Abdullah van Saoedi-Arabië altijd blijven herinneren: als de koning die op ‘zondag’ iedereen de volgende dag vrijgeeft.

@Koning Willem-Alexander: misschien ook een leuke stunt voor de Oranjes?

Overigens, na wat telefoontjes is de presentatie een dag opgeschoven en ons reisschema aangepast, dat gaat allemaal vrij soepel.

Saoedi-Arabië 01De volgende dag huren we een auto en gaan de bergen in. Onderweg neem ik deze foto vanuit de auto en die wilde ik jullie niet onthouden.

Drie dagen in Baku – Dag 2

Dag twee komt mijn collega uit Istanbul aan in Baku (omwille van zijn privacy noem ik mijn collega hier Osman), hij heeft een ander (lees: duurder) hotel geboekt dan ik. We hebben een eetafspraak. Ik wacht op Osman in de goed gevulde bar van zijn hotel en bewonder de levendige lobby met haar glazen liften en constante stroom mensen. Dit is wel wat anders dan mijn hotel. Het is hier groter, moderner, drukker.

“Heb je nootjes of iets dergelijks?” vraag ik aan de aantrekkelijke barman die goed Engels spreekt. Ik heb trek, en meer nog dan dat: ik zit verlegen om een praatje. Ik heb al bijna 24 uur niemand gezien of gesproken, in ieder geval niet iemand met genoeg kennis van de Engelse taal om een gesprek mee te kunnen voeren.

“Nee, geen nootjes,” antwoordt hij, “maar… wacht!” Hij heeft een idee en steekt er ook daadwerkelijk een vinger bij in de lucht. Hij komt terug met een Granny Smith appel. Ok, denk ik, ook lekker, maar ik krijg de appel niet zomaar overhandigd: hij neemt een groot keukenmes en snijdt de appel met grote zorgvuldigheid in steeds kleinere partjes. Hij verdwijnt en komt terug met een schoteltje. Als een ware chef-kok tilt hij de partjes met het mes van de snijplank en stalt ze uit op het schoteltje. Wauw, ok. Nog nooit heb ik een appel met zoveel zorg gepresenteerd gekregen. Maar hij is nog niet klaar. Hij loopt weg en komt terug met een zoutmolen. Zout?! Over mijn appel?! Mijn mond valt open. Ik ben stomverbaasd, maar het is lekker. Een zure appel met zout: weer wat nieuws geleerd. Een hotelkamer mag hier dan 400 EUR per nacht kosten, maar als ze zoveel aandacht besteden aan een appel, dan ben ik erg benieuwd naar de kamers.

Osman en ik gaan eten en komen daarna weer terug bij zijn hotel. Vanaf daar laten we een taxi mij weer terug naar mijn hotel brengen. De taxichauffeur spreekt geen Engels. Ik zie hem kijken en zoeken. Hij rijdt een paar keer een doodlopende weg in en keert weer om. Kortom, de beste man weet niet precies waar mijn hotel is of hoe hij daar moet komen. Hij belt iemand – ik vermoed een collega om aanwijzingen aan te vragen – en voert een uitermate geagiteerd gesprek met deze persoon.

Het is niet aangenaam om achterin een oude, rammelende auto te zitten met iemand die te geïrriteerd is om veilig te rijden. Iemand die je herhaaldelijk een straat inrijdt die lijkt op de straten in films waar mensen altijd vermoord worden of in ieder geval klappen krijgen.

We rijden inmiddels op een soort provinciale weg. Een driebaansweg, waar mensen ergens rond de 90 km/h rijden. Mijn chauffeur heeft een afslag gemist. Hij schreeuwt nu nog harder in de telefoon en remt af. Hij houdt de meest rechtse baan aan en rijdt vervolgens achteruit (!!) terug naar de afrit.

Als de chauffeur zijn arm over de leuning van de bijrijder stoel legt en langs mij heen door de achterruit kijkt terwijl hij achteruit rijdt, kan ik de drang om óók te kijken simpelweg niet weerstaan. Dus kijk ik achterom. Dat had ik beter niet doen. Ik kan een angstkreet bijna niet onderdrukken bij het zien van het aankomend verkeer. Ik draai me vliegensvlug weer om en doe een schietgebedje. Moet ik nog een bericht op mijn telefoon achterlaten voor mijn familie en vrienden? Heb ik daar nog tijd voor? Wat zal ik zeggen? Welke woorden van troost kan ik voor mijn moeder achterlaten? Dat het goed is? Het is niet goed! Ik wil nog niet dood!

Tegen de tijd dat ik deze gedachten heb geformuleerd en mijn leven aan me voorbij is geflitst, is het alweer voorbij en rijden we de afrit op, richting mijn hotel. Eenmaal op mijn kamer sms ik – nog stijf onder de adrenaline – iedereen die me dierbaar is.

Drie dagen in Baku – Dag 1

Hij houdt een vel papier omhoog met mijn naam er op. Ik knik kort naar hem en zigzag tussen de andere – opdringerige – mannen door die mij mee willen nemen.

“Diana?” vraagt hij voor de zekerheid.

“Ja”. Ik steek mijn hand uit. Hij schudt hem. Misschien had ik dat niet moeten doen, misschien is dat ongepast in deze cultuur, maar dat bedenk ik me te laat. Hij lijkt me niet ontzet. Sterker nog; hij lacht vriendelijk en oprecht. Het is een korte man van in de vijftig met een zonverweerde en -gebruinde huid die zijn tanden witter doen lijken dan dat ze in werkelijkheid zijn. Hij heeft kort grijs haar. Hij neemt de rolkoffer van me over en ik bedank hem als een dame: met zowel aangename verrassing als opluchting in mijn stem.

“Eerste keer in Baku?” vraagt hij.

“Ja”.

“Baku, hele mooie stad”, zegt hij trots. Ik ben niet erg spraakzaam. Er gebeurde veel bij de douane, ik ben de indrukken nog aan het verwerken. Voor mij ging de paspoortcontrole vrij vlot omdat een collega mijn visum in Nederland al had geregeld, maar er stonden lange rijen mensen achter dranghekken, mensen die het visum ter plekke zouden regelen. Een douanebeambte liep langs de mensen heen en weer. Hem werd hier en daar wat in zijn hand gestopt door mensen voor wie het proces vervolgens een stuk sneller ging.

De chauffeur betaalt zijn parkeerticket en zet er vervolgens flink de pas in. Hoewel ik een stuk langer ben, heb ik moeite hem bij te houden. Hij zigzagt tussen de auto’s door, maar staat dan ineens stil. Hij kijkt om zich heen en grijpt naar zijn kin.

“Hmm..” laat hij zich ontsnappen. Ik begrijp hieruit dat hij niet meer weet waar hij zijn auto heeft gelaten.

“Wacht, alstublieft”, zegt hij en ondersteunt het verzoek met een universeel gebaar – met beide handen – voor wachten.

Hij begint over de parkeerplaats te draven op zoek naar zijn auto, en daar sta ik dan: in Baku, in Azerbeidzjan op een koele avond in december. Alleen op een parkeerplaats. Mijn koffer heeft hij ook meegenomen, dus op hoop van zegen dan maar weer.

Gelukkig hoef ik niet lang te wachten.

“Hoe heet je?” vraag ik hem als we eenmaal in de auto zitten. Hij trekt een grimas. Zijn Engels is niet erg goed en dan is een onverwachte vraag heel vervelend.

“Ik heet Diana”, zeg ik terwijl ik naar mijzelf wijs. “En jij?” Zo klassiek, dit trucje. We passen het volgens mij al toe sinds de toren van Babel. Hij glimlacht weer. Gelukkig.

“Allahverdu”, antwoordt hij. Ik probeer het te herhalen. “Nee, Al-lah-ver-du”. Zo gaat de naam nog een paar keer over en weer.

“Dat betekent Allah geeft. God geeft.” zegt hij.

“Oh! Zoals Theodorus! Een geschenk van God”, roep ik enthousiast, maar dat is teveel Engels in een te rap tempo, dus ik herhaal alleen: “Geschenk van God” en glimlach dat ik hem begrijp.

“Geschenk van God.” Hij knikt.

We komen langs hypermoderne gebouwen. Baku is een fascinerende mix tussen heel oud en heel erg nieuw. Een oude moskee, naast de meest moderne architectuur die ik ooit heb gezien.

“Pardon,” begint hij steeds, “kijk! Nieuw congres centrum. Heel mooi.”

“Ja, heel mooi” zeg ik terwijl ik met oprechte interesse links en rechts kijk.

“Pardon, kijk. Nieuw gebouw. Heel mooi.” Wat voor een gebouw het is, vertelt hij er niet meer bij. “Baku, hele mooie stad” zegt hij keer op keer.

“Pardon, kijk! Nieuw gebouw. Heel mooi.” Ik beaam het elke keer weer en dat is de hele breedte en diepte van ons gesprek tijdens onze rit die 20 minuten duurt.

Allahverdu zet me af bij mijn hotel en we nemen afscheid. Vriendelijke man. Het hotel is ook nieuw, maar vooral niet hypermodern. Het ligt in een gebied buiten de stad wat nog ontwikkeld moet gaan worden. Zonder taxi kom ik nergens en het gebied nodigt absoluut niet uit voor een wandelingetje, maar het is hier goedkoop (ca 150 EUR per nacht in plaats van 400 EUR) en ik begrijp nu waarom.

Wanneer ik ben ingecheckt in mijn kamer hoop ik nog iets te kunnen eten. Het hotel lijkt uitgestorven en het restaurant is dat zeker. Er is niemand te zien en er is geen muziek. Omdat er stemmen uit de keuken komen – en omdat ik het bij de receptie gevraagd heb – ga ik er vanuit dat ze nog open zijn. Ik bekijk de kaart en kies een gerecht met kip. De ober vraagt wat ik wil drinken.

“Witte wijn”, zeg ik. Hij kijkt me niet begrijpend aan. “Wijn?” vraag ik minstens net zo verbaasd. Hoe kun je me nou niet begrijpen?! Universeel drankje, toch? Maar nee, geen herkenning op het gezicht van de jonge ober te bespeuren. “Wijn? .. Witte wijn? .. Rode wijn?” probeer ik… Nope. Ik blader door het menu en kijk of ik het zie staan, maar nee. Wel bier, cola, vodka, cognac, whisky, maar geen wijn. Nou moe. Dan bekijk ik de plaatjes en zie een fles en een wijnglas. Ik wijs het hoopvol aan. “Wijn!”

“Cognac!” zegt hij.

“Nee.. wijn!”

Chocolate in BakuHij knikt, maar ik ben nog niet overtuigd dat we elkaar begrijpen. Hij draait zich om en verdwijnt de keuken in. Op hoop van zegen dan maar weer. Toch komt hij terug met een hele fles witte wijn. Ik lach dankbaar en knik blij. Ja! Ja! Hij zet de fles op tafel. Een glas was ook goed geweest, maar kom maar op met die fles, ik ben er wel aan toe. Ook zet hij een schoteltje met stukken bittere chocolade neer. “Dank je wel..” zeg ik en kijk er  fronsend naar. Ik vind bittere chocolade heerlijk, maar als borrelhapje?!

Ik hoor ze praten in de keuken. Het schatje van de bediening is aan het oefenen met zijn collega: “Wilt .. u..  brood? Wilt u .. brood?” hoor ik hem telkens zeggen. Ik zit stilletjes te giechelen met mijn fles wijn en mijn schoteltje bittere chocolade.

Ssst, komt ie.

“Wilt u brood?” zegt hij in opperste concentratie. Ik kijk hem breed lachend aan.

“Ja. Heel graag.”

Schatje.

Na de maaltijd neem ik de rest van de wijn maar mee naar mijn kamer. Ik heb die avond geslapen als een Hollandse tulpenbol. Too much excitement for one day, zoals ze in Amerika plegen te zeggen.

De verkeerd bezorgde knipoog

We kennen het allemaal; iemand zwaait of lacht naar je of roept: ‘hé, hoi!’

Je weet niet zeker wie het is, maar automatisch zwaai je of lach je terug. ‘Hoi!’ zeg je oprecht een beetje verbaasd.

Dan besef je dat het niet voor jou bedoeld is, maar voor de persoon achter je.

Ik zit in een vergadering in Londen en krijg een goed bedoelde knipoog van een collega. We zitten de hele dag in deze bijeenkomst waar we luisteren naar presentaties en discussies. De groep – een man of dertig – zit in een ongedwongen opstelling aan verschillende grote, ronde tafels. Cabaret opstelling noemen ze dat. Er is een handvol collega’s aanwezig, verspreidt over de ruimte, maar de rest van de mensen zijn zakenrelaties.

De zaal heeft een hoog plafond, een houten vloer en door hoge ramen schijnt de najaarszon een honinggeel licht op onze problematiek.

De collegiale knipoog was wel degelijk voor mij bedoeld, geen twijfel over mogelijk. Ik geef een glimlach en een knipoog terug, maar deze glimlach met bonus komt verkeerd aan. Een Engelse meneer (een zakenrelatie) die naast de rechtmatige ontvanger (mijn collega) zit, onderschept ze.

De Engelse man veert op, houdt zijn hoofd een beetje schuin en glimlacht schalks naar me.

Oh oh.

Hij haalt zijn vingers door zijn iets te lange, iets te blonde haar en gaat verzitten. Iets rechterop nu, iets alerter.

‘Oh nee’ kreun ik binnensmonds. Het is een vriendelijke man en er is helemaal niets mis met hem, maar deze flirt is wel degelijk een misverstand. De man vat de knipoog duidelijk als een avance van mijn kant op (wat zijn die Nederlandse vrouwen toch vrijgevochten!).

Ik probeer niet naar hem te kijken met als gevolg dat mijn ogen elke paar seconden zijn kant op dwalen en dat is natuurlijk een bevestiging voor hem. Hij glimlacht wanneer onze ogen elkaar ontmoeten, zijn wenkbrauwen veren vragend op. Hij heeft zijn rechterbeen over zijn linkerbeen gegooid en zijn rechtervoet beweegt op denkbeeldige muziek (pom-tidom-tidom). Hij groeit met de minuut. Deze non-verbale miscommunicatie gaat van kwaad tot erger.

Uiteindelijk kom ik er met een sisser vanaf: nog voor het einde van de vergadering, moet hij weg om een trein te halen. Pfew. Nou ja, ik hoop dat hij een leuke middag heeft gehad. Ik zal in ieder geval een volgende keer iets voorzichtiger zijn wanneer ik een knipoog de ruimte in schiet. Er kan zich een onschuldig slachtoffer ‘in the line of fire’ bevinden.

Goede voornemens

Een heel goed, gezond en vrolijk 2015 gewenst.

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: wat is er gebeurd met goede voornemens? Ik hoor er nooit meer iemand over. Zijn ze uit de mode? Of was mijn omgeving 10.. 20 jaar geleden nog vol goede moed en zijn we nu ouder en sceptischer?

Als ik er nog wel eens hoopvol naar vraag – ‘En? Heb je nog goede voornemens?’ – dan krijg ik een hoop lucht terug: ‘Pffff…’. Alsof ik iets heel raars gezegd heb.

Goede voornemens hebben mij het afgelopen jaar veel goed gedaan: ik ben 20 kilo afgevallen en ik heb een boek geschreven. De truc is, denk ik, dat ik er goede maand-voornemens van gemaakt heb. Kleine stapjes. Een jaar (of ‘nooit meer’) is erg lang, dan word ik al moe(deloos) als ik er aan denk. Maar als je je voorneemt een maand iets te doen of te laten, dan is het te overzien.

Zo heb ik bijvoorbeeld het afgelopen jaar tegen mezelf gezegd:

In januari geen alcohol. Je zou kunnen denken dat dat makkelijk is – december is immers de feestmaand – maar denk aan de nieuwjaarborrels. Bovendien ben ik jarig in januari. Best apart als je huis vol aangeschoten mensen staat en je zelf met een mok thee rondloopt. Voor mij in ieder geval een unieke ervaring.

Februari: 500 woorden per dag schrijven. Dat het niet elke dag zou gaan lukken, dat vergaf ik mezelf bij voorbaat, maar dan zou ik het op een andere dag inhalen. Aan het eind van de maand stonden er in ieder geval (28 x 500 woorden =) 14,000 woorden meer op mijn harde schijf. Toen was ik zo ver gevorderd met het project – in mijn geval het boek New York in 40 dates – dat opgeven geen optie meer was. Het manuscript begon vorm te krijgen en ik wilde doorgaan.

Kortom: is er iets wat je graag zou willen bereiken? Je hoeft niet meteen over een ravijn te springen, neem gewoon kleine stapjes, dan kom je er vanzelf.

‘Een boek schrijven, hoe doe je dat?’ vroeg ik ruim een jaar geleden aan iemand die een boek had uitgegeven. Nu krijg ik dezelfde vraag van anderen. Het antwoord is pijnlijk simpel: ‘Schrijf. Ga zitten en ga schrijven. Je moet het gewoon gaan doen.’ In beweging komen is veel moeilijker dan in beweging blijven.

Dus, wat je ook zou willen bereiken: neem ‘gewoon’ dat eerste kleine stapje in de juiste richting. Succes!

Liefs,

Diana