Schrijversvakschool Recycled #4

In het eerste jaar van de Schrijversvakschool in Amsterdam kregen we naast proza, poëzie, toneel en scenario, ook het genre ‘essay’. Eén van onze opdrachten was een reis door onze kamer te maken, een voorwerp uit te kiezen en daar een klein essay over te schrijven zoals Xavier de Maistre (1763-1852) dat ook heeft gedaan. De Maistre beschrijft, in 42 hoofdstukjes in ‘Reis door mijn kamer’ (1795), een ontdekkingsreis van zijn kamer toen hij na een duel 42 dagen huisarrest had gekregen.

Hierbij mijn bescheiden poging tot een mini-essay.


Reis door mijn kamer

Mijn kamer kent vele gezichten. Letterlijk. Aan de muur hangen portretfoto’s, maar op de kast staat mijn eerste liefde: Johannes de Doper. De buste is een erfstuk van mijn oma. Haar man, mijn opa, was predikant en zou haar dit beeld gegeven hebben. De buste toont een slanke man, met een fijn gezicht, vol golvend haar. Hij kijkt dromerig langs mij heen. Hij heeft een smalle neus en een kleine mond, met dunne, maar goedgevormde lippen. Tegen zijn rechterborst is de kop van een vogel te zien, zijn vleugels gespreid langs de borst van Johannes en langs de zijkant van het beeld, waar eigenlijk de schouder van mijn jeugdliefde zou moeten zitten. Ik ben niet thuis in vogels, maar ik gok dat dit een valk is.

Bij mijn oma stond de buste op de grond, naast de balkondeur. Als meisje van zeven ging ik voor hem op de grond liggen, op mijn buik, en keek naar hem. Hij nooit naar mij. Als mijn oma niet keek, hield ik mijn hoofd schuin en kuste ik Johannes de Doper voorzichtig op zijn koude lippen. Maar met al mijn hartstochtelijke kalverliefde kon ik hem geen leven in-kussen. Nooit kon ik zelfs maar zijn blik vangen.

Vierendertig jaar later wil ik me toch verder verdiepen in dit beeld. Waarom deze vogel bijvoorbeeld? Ik pak het beeld van de kast. Het lijkt steeds kleiner te worden dan dat het in mijn herinnering was. Het puntje van zijn neus is afgebroken, maar het lijkt hem niet te deren.

Online vind ik veel informatie over Johannes de Doper, waaronder dat hij ongeveer even oud was als Jezus Christus, dat zijn moeder waarschijnlijk een tante was van Maria, de moeder van Jezus, en dat Johannes de Doper onthoofd is in opdracht van Herodes Antipas. Zijn schedel is een relikwie geworden, maar er bestaan meerdere vermeende schedels van Johannes de Doper, van Rome tot Damascus, van Jeruzalem tot Istanbul. Verder lees ik dat hij ‘steevast wordt afgebeeld met het Lam Gods’. Dus niet met een vogel.

Wie wordt er dan wel met een vogel afgebeeld, vraag ik me af en typ verwoed allerlei mogelijk zoektermen in, maar vind niets. Ook de naam van de beeldhouwer, J. Mory of J. Mary, kan mij geen helderheid verschaffen.

Weet ik dan eigenlijk wel wie er op mijn kast staat? Als dit Johannes de Doper niet is, op wie ben ik dan al die jaren heimelijk verliefd geweest? En ligt hier niet een verwonderlijk parallel met mijn relaties van vlees en bloed; dat ik mij achteraf afvraag, wie was die man? Hij is niet wie ik dacht dat het was. En heeft hij mij ooit wel eens echt aangekeken?

Bruiloften

Trouwt er niemand meer tegenwoordig? Ik kan me de laatste Nederlandse bruiloft waar ik te gast was niet heugen. Niet dat ik zit te springen om naar een bruiloft te gaan, maar ik vroeg het me af.

Het bruiloftsfeest is meestal wel leuk, maar van alle huwelijken die ik heb zien voltrekken, is er geen één meer in stand. Vroeger ging ik er onbevangen naar toe, blij voor het kersverse echtpaar. De liefde, wat mooi. Nu ben ik een sceptische ouwe vrijster in een net pakje. Misschien dat ik daarom niet meer op de gastenlijst sta. Maar dan zou je toch in ieder geval achteraf wel horen dat iemand getrouwd is, toch?

Twee keer ben ik getuige geweest, beide keren voor de bruidegom. Even heb ik gedacht dat het misschien aan mij lag, dat ik toen al had moeten ingrijpen en had moeten zeggen: ‘Lieverd, doe dat nou niet, dat wordt huilen.’ Want huilen werd het in beide gevallen. Maar ja, het is een enorme eer als een vriend van je dat vraagt, dus natuurlijk zet je je handtekening. Ik heb me wel voorgenomen om nooit meer getuige te zijn, dus vraag het me niet meer. Ik wil het risico niet lopen dat ik toch de ongeluksbrenger ben.

Ik heb tien jaar in een café-restaurant gewerkt dat met grote regelmaat werd afgehuurd voor bruiloftsdiners en -feesten. De meeste vreemde dingen hebben we voorbij zien komen. Van enorme prinsessenjurken, tot oma die bijna stikte in een stukje biefstuk, tot families die met elkaar op de vuist gingen, tot de meest verschrikkelijke voordrachten van familie en vrienden voor het echtpaar.

Natuurlijk kwam het nummer Paradise by the dashboard light voorbij tegen een uur of elf, en ging Oom Frans helemaal uit z’n dak op de dansvloer. Dan gingen de billen een beetje naar achter en werden de heupen krachtig van links naar rechts bewogen. De enorme bierbuik diende als contragewicht. Hoofd rood aangelopen, vlezige handen tot vuisten gebald.

Als je langsliep met de schaal bitterballen lag zijn hand nèt iets te laag op je onderrug. ‘Blijf hier maar staan hoor.’ Alsof ik die nog niet eerder had gehoord vanavond. Op honderden foto’s staan we, de meisjes van de bediening op de zogenaamd mooiste dag van hun leven. Ik ben benieuwd hoeveel van die foto’s inmiddels al ritueel verbrand zijn.

Weet je nog…

De trein tussen Rotterdam en Dordrecht reed deze vrijdag wél. En wat voor een trein! Het was de trein naar Brussel van 13.08 uur, zo’n ouderwetse trein met gangpaden langs coupés voor zes personen. Met schuifdeuren, tapijt en stoffen bekleding.

Ik schuif de deur open naar de derde coupé waar ik langskom. Een meisje, met haar Apple laptop op het tafeltje bij het raam en haar witte Apple oordopjes in haar oren, lacht vriendelijk naar me. De man met grijze haren die aan dezelfde kant zit, maar dan bij de schuifdeur, glimlacht ook. Ik ga tegenover hen zitten, in het midden, zo hebben we alle drie ruimte om onze benen te strekken.

De man tegenover me kijkt nog een keer op, glimlacht weer. Ik glimlach aarzelend terug maar kijk hem vooral licht vragend aan. Afwachtend, alsof ik vermoed dat hij iets wil gaan zeggen. Hij kijkt snel weer terug naar zijn iPad mini.

Via het omroepsysteem worden we in drie talen gewaarschuwd voor het vaak aanwezig zijn van zakkenrollers op deze route. Ik voel even naar de iPod Touch in mijn ene jaszak en de iPhone 5s in de andere.

De trein zet zich in beweging. Ondanks de prominente aanwezigheid van Apple, ben ik al snel twintig jaar terug in de tijd. Studententijd in Breda, op en neer naar Dordrecht, niet zelden met deze trein, maar ook de nachttrein naar Parijs. Vooral die keer dat ik samen met een vriendin halsoverkop naar Parijs vertrokken ben, veel meer dan een schone onderbroek en een tandenborstel hadden we niet bij ons. Mijn vriendin kwam terug met een parelketting en bijpassende oorbellen. Gekregen van een romantische Fransman.

Met de nachttrein deden we er in die tijd minstens acht uur over om in Parijs te komen omdat we ’s nachts stilstonden bij de grensovergang naar Frankrijk. Dat had iets te maken met een andere breedte van het spoor waardoor er iets met het treinstel moest gebeuren, of met een andere machinist, hoe dan ook stonden we er lang stil. Ik herinner me vooral een ijskoude nacht in een stilstaande trein waarvan de verwarming het niet deed of uit stond. Wat een verademing toen de Thalys kwam.

Weet je nog, dat we mochten roken in de trein? Deze ouderwetse trein brengt allerlei beelden bij me naar boven. Dikke rookwolken in de coupé. Uitpuilende asbakjes in de stoelleuningen. De schrale geur die er een decennium nadat het was afgeschaft nog steeds niet uit was. Het was ontzettend smerig, maar gezellig was het altijd wel in de rookcoupé. Ik heb ook vier jaar in Rotterdam gestudeerd. En gerookt heb ik ook. Dan nam ik de trein van half acht ’s ochtends en de rookcoupé zat elke dag vol met Brabanders die elkaar kenden en standaard een potje kaartten in de trein.

Ach ja, dat waren nog eens tijden.

De trein rijdt Dordrecht binnen en ik sta op. De man met het grijze haar schuift de deur voor me open. Dat gebaar waardeer ik zeer en ik bedank hem dan ook vriendelijk. Apple heeft het menselijk contact nog niet volledig gesaboteerd.

Te gast: Jan Stroeve

Deze week iets nieuws: een gastoptreden, en wel van Jan Stroeve.

Je kunt Jan volgen via zijn eigen website of via facebook.

Jan schrijft, dicht, tekent, zingt, schildert, danst en maakt theater. Als puistige puber van vijftien leerde ik hem kennen als de schrijver, choreograaf en regisseur van de eerste musical waar ik aan mee mocht doen. Het schrijven en regisseren deed hij overigens samen met Peter Marijnissen, die zijn vaste plek achter de piano had.

Jan heeft onder andere boeken en gedichten voor kinderen geschreven en in november komt er een heel bijzonder boek met illustraties van Jan op de markt, namelijk: ‘Zo tollig en zwarrig, waantaal van Nico’.

In ‘Zo tollig en zwarrig’ zijn zinnen te lezen van de welbespraakte Nico, die zich na zijn 95ste jaar, van de ene op de andere dag, in een andere taal ging uitdrukken. Zo zei hij bijvoorbeeld: ‘Het wordt een tammende weg met fijn en schik en zolf’.

De zinnen werden opgetekend door Elseline Knuttel die zich verwonderde over Nico’s nieuwe taal, die soms grappig maar vooral ontroerend en onverwacht poëtisch bleek. Jan raakte hierdoor zo geïnspireerd dat hij de zinnen voorzag van illustraties.

Vanaf 29 oktober zijn Jans illustraties ook te zien in pop-up galerie De Waan in Dordrecht.

Op Jans website, onder ‘Nieuws’ vind je een aantal van zijn heerlijke columns, waarvan hier een voorbeeld, door mij uitgekozen met oog op dierendag deze week.


HELLO GOODBYE

Vanochtend landde er op Schiphol een vlucht jonge hondjes. Vriendin B had een paar maanden geleden via een zieligehondjessite een kleine haarbal uitgekozen. Die vloog vandaag, met een aantal lotgenoten vanuit Cyprus naar Nederland. Of ik mee wilde om Punk of Puck of Ploef op te halen? Iets met een P in elk geval. De definitieve naam, zo voorspelde B, zou zich openbaren zodra ze het beestje in haar armen had, als bij goddelijke ingeving. Natuurlijk wilde ik mee! Dol als ik ben op programma’s als Hello Goodbye mocht ik de hondenvariant ervan niet aan me voorbij laten gaan.

Dat we veel te vroeg op Schiphol aankwamen is mijn schuld. De angst om te laat te komen is diepgeworteld. Altijd bang om de boot te missen, mensen te laten wachten of voor een gesloten incheckbalie te staan. De NS campagne ‘Fluiten = niet meer instappen’ is dan ook niet aan mij besteed. Meestal loop ik een kwartier te vroeg het perron op, precies op tijd om de vorige trein te missen. Noem het een nogal krampachtige verhouding met het begrip ‘tijd’. Zelfs de houdbaarheidsdatum op een pak melk houd ik nauwlettend in de gaten.

Gelukkig ben ik hierin niet uniek want er blijken zich al een aantal aspirant-hondenbezitters op de afgesproken plek te hebben verzameld. Het gezelschap bestaat voornamelijk uit vrouwen die op samenzweerderige toon hondenweetjes met elkaar delen als; ‘ik zou d’r ontlasting goed in de gaten houden.’ Of het nu een zelf uitgedokterd wondermiddel is voor een glanzende vacht of een methode om je pup binnen 3 dagen zindelijk te krijgen; deze vrouwen weten waar ze het over hebben. De paar mannen die mee zijn gekomen, spelen vandaag een ondergeschikte rol. De meeste staan aan de periferie van de groep met glazige ogen te wachten tot ze hier weg mogen. Een zweterige dikke man draait getergd shagjes, wachtend om ze eindelijk te mogen opsteken.

Dan maakt Fenna van stichting Puppyhome luidruchtig haar entree; ‘Nou, hij is fijn!’ Met een stem waarmee je zelfs een galopperende kudde buffels tot stilstand krijgt neemt ze bezit van de aankomsthal: ‘We hebben dus een half uurtje vertraging’. De zweterige man stopt met shagjes draaien, de dames bevriezen midden in hun zinnen. Fenna rommelt in een onordelijke stapel papieren en deelt ondertussen ongevraagd haar levensgeschiedenis en medisch dossier met ons; 1 overleden man, 7 honden, 4 katten en een instabiele heup.

Het half uur wordt een uur en nog steeds is er geen Cypriotisch hondje te bekennen. De vrouwen zijn zo langzamerhand door hun repertoire heen, de shagdraaiende man is ongezien weggeslopen en van Fenna weten we nu ook nog dat ze een moeder met wondroos heeft. Maar dan eindelijk kondigt zich met hoog gekef de verlossing aan. Iedereen veert op. De glazen schuifdeuren openen zich en 2 karren met kratten worden de hal ingereden. We dringen allemaal naar voren, I-phones in de aanslag. Een voor een worden de hondjes voorzichtig uit de kratten getild en overhandigd aan vertederde baasjes. In trance komt B met een trillend hoopje hond naar me toe gelopen. ‘Puck’, zegt ze, ‘zo gaat ze heten’. Misschien zijn jonge hondjes wel uitgevonden om af en toe even te mogen huilen.