De NS en ik

Terwijl de KLM en ik het uitermate goed kunnen vinden met elkaar, is mijn relatie met de NS gedoemd. Het lijkt wel alsof – elke keer als ik een tocht wil ondernemen om mijn boek te promoten (zie Mag het licht weer uit? en Geen paniek!) – de NS mij tegenwerkt.

Zo stond ik afgelopen vrijdag op het station in Dordrecht, op weg naar Utrecht om aldaar een exemplaar van mijn boek te signeren en in de boekenwinkel te leggen (dit uiteraard in overleg met de desbetreffende boekhandel). De koper van dit unieke exemplaar mag kiezen tussen een etentje met mij of een dinerbon ter waarde van 100 Euro. De Sjakie-actie hebben we (de marketingmeisjes van de uitgeverij en ik) het gedoopt, naar het verhaal van Sjakie en de Chocoladefabriek.

Golden TicketIk had geen tijd afgesproken met de boekhandel, maar ik zou de trein rond negen uur nemen, dan zou ik tussen half elf en elf uur op mijn bestemming zijn.

Ik heb ‘s ochtends de NS App nog gecontroleerd op ongewone meldingen, maar er was niets aan de hand. Echter, op het station aangekomen zag ik van een afstandje de donkerblauwe balken al op het scherm met de vertrektijden; een teken dat er iets mis was. En dat er iets goed mis was, want het waren heel veel donkerblauwe balken die ik zag.

‘Vanwege de inzet van hulpdiensten is er geen treinverkeer mogelijk van en naar Rotterdam Centraal,’ galmde de kalme, warme NS stem over het station. Wat betekende dát nou weer, “inzet van hulpdiensten”? Er klonk geroezemoes en ik ving wat steekwoorden op als ‘verwarde man’ en ‘Thalys’. Ik keek zelf op nu.nl en kwam te weten dat een man zich had opgesloten op het toilet van de Thalys, er niet af wilde komen en dat daarom station Rotterdam Centraal voor een groot deel ontruimd was. Heb ik weer.

Hoe lang kan het duren om een man van het toilet te halen, dacht ik. Ik kocht een koffie en een broodje en ging aan de voorzijde van het station op een muurtje zitten. Het zonnetje scheen. Zwak, maar het scheen. Rechts van mij zat een jonge man, links van mij een vrouw van rond de vijftig. De man verdween al snel nadat de vrouw en ik hem verzekerd hadden dat de treinen wel tot Rotterdam Blaak reden, maar niet verder.

‘Ik werk op Rotterdam Centraal,’ zei de vrouw naast me, nadat de man was weggespurt. ‘Ik kom er net vandaan, ik ben vrij vandaag. Gelukkig zat ik in een van de laatste treinen die vertrokken.’

‘Oh,’ zei ik. ‘Dat is fijn.’

‘Nou ja,’ ging ze verder, ‘eigenlijk niet zo fijn, want ik heb een begrafenis vandaag.’

‘Oh, dat spijt me voor u. Familie?’

‘Nee… Nou ja, het is nogal een raar verhaal,’ antwoordde ze. Ze nam een flinke trek van haar sigaret en vertelde me het rare verhaal, wat vooral heel erg triest was en waar zowel kanker bij de ene persoon als zelfdoding bij een andere persoon een rol in speelden. De vrouw zou worden opgehaald. Ze had haar verhaal net afgerond toen haar lift verscheen. We wensten elkaar sterkte en ze rende naar de auto. Ik bleef wat beduusd achter.

Na twintig minuten keek ik nog eens op de reiswijzer van de NS en daar stelde de App voor om via Geldermalsen naar Utrecht te reizen. Daar had ik nog niet aan gedacht. Het perron voor de Arriva trein die ons naar Geldermalsen kon brengen stond vol met mensen die ook allemaal meewilden, maar de trein die daar klaarstond zou blijven staan.

‘Er komt zo een andere trein hierachter te staan,’ zei een meneer in een Arriva uniform, ‘die vertrekt naar Geldermalsen.’ De hele mensenmassa bewoog zich enkele tientallen meters verder in de aangegeven richting. De beloofde trein kwam en iedereen stapte in. Toen werden we verzocht allemaal weer uit te stappen. Deze zou namelijk ook niet gaan rijden. Nou moe. De derde trein dan. Een collega van mij stapte uit de derde trein die het station binnen was gekomen en zich achter de twee andere treinen had aangesloten. Mijn collega wist me te vertellen dat er een stuk rails ontbrak op het spoor. Nee! Arriva zit ook in het complot. Heb ik weer.

De derde trein vertrok uiteindelijk en bracht ons toch nog naar Geldermalsen, zij het tergend langzaam op de plek waar het stuk rails ontbrak.

Uiteindelijk kwam ik met een uurtje vertraging in Utrecht aan, dus er was natuurlijk helemaal niets aan de hand. Het droevige verhaal van de vrouw naast me in Dordrecht had alles meteen weer in perspectief gezet en ik kon alleen maar lachen om mijn kleine ongemakjes.

Het boek is dus getekend, de ‘gouden wikkel’ ligt – voor zover ik weet – nu nog in een boekhandel in Utrecht, dus vind ‘m, dan gaan we een hapje eten en genieten van het leven. Houd er wel rekening mee dat ik wat vertraging op kan lopen want de NS en ik… nou ja.

 

Vakantieliefde

Zoals je vorige week hebt kunnen lezen moest ik recentelijk naar Kaapstad voor een conferentie. Ik wilde een boek meenemen; niet te dik, vanwege het gewicht, maar ook niet zo dun dat ik het in één keer uit zou lezen.

Peinzend stond ik de avond voor mijn vertrek voor de boekenkast. De keuze uit nog ongelezen boeken is ruim, plus er zijn zat boeken die ik van plan ben te herlezen. Mijn vinger gleed langs de titels en mijn keuze viel op: ‘Mooi verhaal, een verrassende bundel Nederlandse verhalen’.

Ik sloeg het boek open, snoof de muffe boekengeur op, en daar stond het! Het hart met Pour Diana eronder. Tientallen boeken heb ik in de afgelopen jaren doorgebladerd, op zoek naar deze krabbel, vergeten in welk boek het stond. Ik slaakte een verrukte zucht – ‘Aaah… Gino’ – en droomde weg naar Parijs, iets meer dan twintig jaar geleden.

Pour DianaHet is 1994. Het boekje ‘Mooi verhaal’ is net uit en ik krijg het cadeau van Sinterklaas. Ik ben negentien jaar, bijna twintig, en ik ga de kerstvakantie met mijn moeder doorbrengen in Parijs. Via een reisbureau – want zo ging dat in die tijd – hebben we een hotelletje geboekt in het 9de arrondissement, Rue Richer. Ik weet het nog goed.

We komen ’s avonds aan met de trein en de metro, we hebben ingecheckt en we vragen aan de man achter de receptie of hij ons een restaurant in de buurt kan aanbevelen. We hebben trek, maar we zijn ook erg moe.

‘Hiernaast kunt u prima eten,’ zegt de man. We stappen het hotel uit. Twee passen verder is de ingang naar de bistro onder het hotel. Voor we naar binnen gaan bekijken we de menukaart die achter de ruit bevestigd is. De deur zwaait open.

‘Kom binnen, kom binnen,’ zegt een joviale man in het Frans. ‘Geen probleem,’ zegt hij er in het Nederlands achteraan, hij heeft ons snel geschat. We hebben weinig keuze, met open armen worden we naar binnen geleid en aan een tafeltje gezet. De man heet Gino en ziet er net zo Italiaans uit als zijn naam doet vermoeden (hoewel hij in Duitsland is opgegroeid, komen we later te weten). Hij bedient ons met een enthousiasme dat wij niet gewend zijn in Nederland. Hij maakt een praatje, spreekt een paar woorden Nederlands met ons en maakt grapjes. Hij is een clown, een entertainer en hij heeft de hele zaak in z’n broekzak. Kirrend van plezier zitten we aan ons tafeltje bij het raam.

De eigenaar staat achter de bar. De rijzige man doet me denken aan Marlon Brando, terwijl Gino, een vroege veertiger, op Al Pacino lijkt (misschien keek ik in die tijd iets te vaak naar The Godfather). Je moet weten dat ik mijn hele leven al hopeloos verliefd ben op Al Pacino. Tenminste, ik was hopeloos verliefd toen ik negentien was, nu ben ik veertig en is het slechts nog een sluimerende aandoening.

Parijs is koud en als snel is het de routine van mijn moeder en mij om ons aan het eind van de dag op te warmen bij Gino, met een warme chocomelk met een scheut Cointreau.

Gino kent ook het Nederlandse woord ‘prinsesje’ en al snel staan wij bij de bistro te boek als Prinsesje et Maman.

Een paar dagen later vraagt Gino of we het leuk zouden vinden om ergens wat te gaan drinken. Zijn collega Marcel gaat ook mee, ook al spreekt Marcel geen woord buiten de deur en kunnen we zijn Frans nauwelijks verstaan. Marcel heeft zijn oog op mij laten vallen, maar ik heb geen oog voor hem. Ik ben gecharmeerd van Gino. Swept off my feet door deze wervelwind met het gezicht van Al Pacino. En ik wind er geen doekjes om. Ook met negentien jaar was ik al een brutaaltje. L’enfant terrible.

Na sluitingstijd stappen we met z’n vieren bij Gino in de auto. Ik voorin, naast Gino, mijn moeder en Marcel op de achterbank.

‘Maar je bent nog zo jong,’ fluistert Gino als mijn moeder en Marcel even niet op ons letten.

‘Pff.. ik ben bijna twintig,’ protesteer ik. We hebben niets uitgesproken, maar Gino zou wel erg naïef zijn gebleken als hij mijn schaamteloos geflirt de afgelopen dagen niet zou hebben begrepen. We rijden naar de Champs-Élysées en drinken wat in een club daar. Marcel praat honderduit, maar we begrijpen hem niet en Gino moet alles vertalen. Onder de tafel zoekt mijn voet de zijne. Boven de tafel kijk ik hem veelbetekenend aan.

Gino zet eerst Marcel bij zijn huis af en rijdt ons dan terug naar het hotel. Mijn moeder loopt voorop en staat al binnen. Gino grijpt me beet en drukt me buiten tegen de muur. Hij begint me te zoenen.

‘Je maakt me helemaal gek,’ bijt hij me toe. ‘Gaan we morgen samen wat drinken? Jij en ik?’ Ik knik en glip het hotel in, achter mijn moeder aan.

De volgende dag, als we lunchen bij de bistro, roept Gino me apart.

‘Vind je het goed als ik een hotelkamer boek?’ Ik zeg hem dat ik dat inderdaad goed vind.

Die avond gaan we eerst wat drinken, we eten een crêpe aan de Boulevard Montmartre en keren weer terug naar het hotel. We duiken een andere kamer in en hebben een geweldige nacht samen.

‘Als je zwanger raakt, mag je het niet wegdoen,’ zegt hij op een gegeven moment. ‘Dan geef je mij de baby. Ok?’ Dat is een ongebruikelijk verzoek. Hij neemt mijn gezicht tussen zijn beide handen. ‘Beloof het me.’ Ik knik, voor zover dat gaat in zijn grip.

‘Ik beloof het,’ zeg ik. Maar gelukkig heb ik een dergelijk souvenir nooit meegenomen uit Parijs.

Gino en ik houden contact. Hij belt me een paar maanden later om me vertellen dat hij een eigen zaak heeft gekocht, vlak bij het hotel en de oude bistro. Natuurlijk ga ik langs. Op het prikbord naast de bar hangt een foto van ons drieën in de bistro. Gino, met een gulle lach, in het midden. Met zijn stevige armen om onze schouders heeft hij ons dicht tegen zich aangetrokken.

Vele maanden later kom ik nog een keer onverwachts langs met een vriendin. Hij is nog heel hartelijk, maar ik begrijp dat hij inmiddels een relatie heeft.

De volgende keer dat ik in Parijs ben en langsga, is hij verdwenen. Met de noorderzon vertrokken. Iets met de belasting. Mijn hart heeft hij meegenomen, maar nu heb ik het weer gevonden in ‘Mooi verhaal’.

Kanjer(s)

Diep in het verste hoekje van het Amsterdam Centraal station kun je je koffer tijdelijk opslaan. Beter gezegd: je kunt een kluisje huren waar je in op kunt slaan wat je wilt, maar in mijn geval is dat dus een koffer. Erg handig. Het enige probleem is dat het een gedeelte van Amsterdam Centraal is waar je liever niet wilt zijn.

Wanneer je echt het eind van het station hebt bereikt, kom je in een ruimte waar daglicht niet bij kan. Een ruimte die van de vloer tot het plafond betegeld is met zogenaamd vrolijke tegels, in van die verschrikkelijke pastelkleuren. Rijen grijze blokken van kil staal en de lucht van een urinoir.

Bijna alle kluisjes zijn bezet, er wordt dus goed gebruik van gemaakt. Ik wil hier zo snel mogelijk weer weg, dus ik loop op een drafje langs de metalen muren tot ik een beschikbare bewaarplaats vind. Ik druk automatisch – zonder er bij na te denken – de deur van het kluisje dicht en hoor ‘klik’.

‘Hé,’ breng ik verbaasd en verontwaardigd uit. Wat vreemd dat het meteen op slot gaat, dat is nogal drastisch. De kluis weet helemaal niet wie ik ben en heeft me ook nog niet laten weten hoe ik mijn tas er t.z.t. weer uitkrijg.

Rechts van mij staat een Duitse dame over de betaalautomaat voor de kluisjes gebogen. Zij is al net zo in de war als ik. Haar kluisje, rechts van haar, gaat niet dicht terwijl haar zoontje van een jaar of zes het deurtje probeert dicht te houden. Ze krijgt wel een ticket. We begrijpen er helemaal niets van.

‘Gaat u maar,’ mompelt ze in het Engels terwijl ze niet begrijpend naar het bonnetje kijkt. Ik krijg het niet voor elkaar om te betalen, of om zelfs maar mijn kluisnummer in te toetsen en ik krijg dus ook geen ticket. Hoe krijg ik dan in hemelsnaam mijn koffer weer terug?

De vrouw en ik kijken elkaar aan.

‘Begrijpt u het?’ vraag ik aan haar. Ze schudt haar hoofd. We nemen de situatie samen door.

‘Mam…’ begint haar zoontje zacht. De moeder maakt een sussend gebaar naar haar zoontje terwijl we de betaalautomaat en de bon samen bestuderen.

‘Maar Mam…’ probeert hij nog een keer. Hij trekt nu zachtjes aan haar jas.

‘Nu even niet, lieverd,’ zegt zijn moeder niet onvriendelijk. Het jongetje zucht en wijst demonstratief naar iets naast hun kluis. Zijn lippen stijf op elkaar. Als er een bedachtzame stilte valt, tussen zijn moeder en mij, neemt hij toch zijn kans waar.

‘Mam, déze automaat hoort bij déze kluisjes,’ hij wijst naar de safes aan mijn kant, ‘en déze bij de onze.’ Hij staat naast een tweede betaalautomaat, anderhalve meter verder.

‘Wat goed van jou!’ roepen we in koor. Kanjer.

De vrouw geeft mij het ticket dat voor mijn kluisje bestemd is (zij betaalde op het moment dat ik de deur dicht deed) en betaalt nu ook haar eigen kluisje. Ik had natuurlijk haar kluisje moeten betalen, dan hadden we ons een hoop tijd en moeite kunnen besparen. Maar nee, zo scherp waren we op dat moment dus niet.

‘U krijgt zeven euro van mij,’ zeg ik, ‘maar ik heb geen contant geld. Ik zal even moeten pinnen.’ Het duo loopt aarzelend met me mee en we vinden een pinautomaat. Ik sluit achter de lange rij aan. Ik glimlach verontschuldigend naar moeder en zoon. Het jongetje klampt zich aan zijn moeder vast. Hij zeurt niet, maar het is duidelijk dat hij allang klaar is met dit avontuur en deze troosteloze omgeving. Hij wil hier ook weg.

Ik pin twintig euro, maar dan moet ik nog wisselen natuurlijk. Kauwgum kopen dan maar. Ik sleep het stel mee van de pinautomaat naar de kiosk en daar koop ik een pakje kauwgum. Bij de kassa zie ik stroopwafels liggen. Kanjers. Die neem ik ook mee.

Ik geef de vrouw haar zeven euro en geef de koeken aan de jongen.

‘Dit zijn echte Nederlandse koeken,’ zeg ik er bij. ‘Er zitten er twee in, dus misschien wil je delen met mama?’

Liever niet, zie ik hem denken, maar hij knikt toch.

Kanjer.

Een beetje liefde. Dankjewel, vreemdeling

Er zijn een paar dagen in de maand waarop een vrouw een beetje extra liefde nodig heeft. Dat kunnen we allemaal gebruiken, elke dag, maar voor mij persoonlijk geldt dat ik de paar dagen voor díe tijd van de maand een onverzadigbare behoefte voel aan knuffels, schouderklopjes en figuurlijke aaien over mijn bolletje. Dat mag je best van me weten. Het is volkomen irrationeel natuurlijk want als er iemand een bofkont is met alle aandacht en met zo veel lieve en liefdevolle mensen om mij heen, dan ben ik het wel, maar ja… hormonen he?!

Deze maand voel ik het misschien iets sterker dan anders, ten eerste omdat ik van een hele grote roze wolk kom. De heerlijke warme, donzige wolk van aandacht rondom de publicatie van mijn boek. The higher you climb, the harder you fall.

Ten tweede omdat ik gisteren meedeed aan het baarmoederhalskanker bevolkingsonderzoek waar elke vrouw, vanaf haar dertigste, elke vijf jaar voor wordt uitgenodigd. Niet het meest plezierige onderzoek. Al is het niet echt pijnlijk, het is op z’n minst gezegd een keuring waarbij je je erg kwetsbaar voelt, zo op de dokterstafel met je benen in de beugels. Ook dat mag je weten.

En zo waren er nog een paar aanleidingen deze week om me rot te voelen, waar ik niet over wil zeuren, want aanleidingen zijn altijd ruimschoots voorhanden (en lijken altijd veel erger dan ze zijn) als je je in die aparte dagen dreigt te verliezen in dat hormoongestuurde zelfmedelijden. Op andere dagen stap je er zo overheen.

Wat ik maar wil zeggen is dit: deze maand viel het me zwaar en vanochtend vertrok ik in een (voor mijn doen) kwetsbare staat naar Londen.

Alles verliep soepel: het openbaar vervoer werkte mee, het inchecken en alle controles gingen snel, het broodje en de koffie op het vliegveld waren lekker. De vlucht was prima (twee stoelen voor mij alleen), de metro in Londen liet me nog geen minuut wachten en de kamer in het hotel was ook al klaar voor me. Ik vond zonder moeite de locatie van de conferentie en de dozen, met daarin de promotionele materialen voor op onze tafel, stonden keurig op me te wachten. Echt, alles liep op rolletjes. Maar toch… maar toch dat lege gevoel. Het zijn ook de dagen dat ik erg veel trek heb. Een onstilbare honger naar voedsel, naar liefde, naar aandacht. En dat alles door je hormoonhuishouding. Het is toch wel erg verwonderlijk allemaal, ik blijf me erover verbazen.

Nadat ik de tafel had klaargezet voor de volgende dag, ben ik even door het parkje gelopen dat tussen het congres en mijn hotel lag; Russel Square Gardens. In een Italiaans tentje in het midden van het park bestelde ik wat te eten en wat te drinken (echt, twee dagen lang ben ik Holle Bolle Gijs). Ik nam plaats op het terras en pikte nog wat zon mee. Ik zat loom op mijn focaccia-spinazie tosti te kauwen en wat voor me uit te staren toen er een lange, slanke, donkere man voorbij liep. Ik keek niet naar hem, maar ik zag wel wat hij deed. Hij stopte en draaide zich om. Hij liep op me af en kwam naast mijn tafeltje staan. Pas toen keek ik hem aan. Ik schatte hem begin dertig. Hij maakte een hele kleine, beleefd buiging en zei:

Excuse me,” in het prachtige Britse Engels, “I would just like to say that I think you are really beautiful.”

Ik glimlachte naar hem en knikte beleefd terug.

Thank you,” zei ik met nadruk en volkomen oprecht. Hij knikte ook nog een keer en liep verder. Dat was nou precies wat ik nodig had, dacht ik bij mezelf en moest grinniken om dit kleine voorval. Dankje, vriendelijke vreemdeling. Dankjewel.

Russell Square Gardens
Russell Square Gardens

Geen paniek!

Nog even over afgelopen donderdag, de dag van mijn boekpresentatie: zoals ik vorige week al schreef, had ik ’s middags een interview bij Radio EenVandaag. Daarna moest ik op een drafje naar mijn eigen boekpresentatie in Dordrecht.

Wat ik nog niet verteld heb is wat er aan het interview vooraf ging en hoe die zweetplekken op de foto’s terecht zijn gekomen.

Ik had me ’s ochtends al aangekleed voor de boekpresentatie. Zal ik een schone top meenemen, dacht ik nog, voor als ik erg ga zweten ofzo? Maar nee, overdreven. Het was warm, maar zo warm was het nou ook weer niet en bovendien, het was toch vroeg zat, ik zou alles op m’n gemakje doen.

Wel had ik mijn knapzakje gepakt met daarin:

  • Mijn hoge hakken. (Erg New Yorks om je slippers of gympen te dragen en je stiletto’s in je hand of handtas te houden)
  • Deodorant roller, haarborstel, make-up.
  • Een exemplaar van mijn boek. (Als een beetje schrijver kun je niet meer de straat op zonder)
  • Boekenleggers die ik overal ‘nonchalant’ achterlaat in de trein. (Guerrilla marketing)
  • Mijn thermosbeker met kamillethee. (Ook een erg New Yorkse gewoonte, plus de thee houdt de stembanden vochtig)
  • Twee notitieboekjes. Eentje met aantekeningen voor het interview (geheugensteuntjes) en aantekeningen voor mijn Pulitzer Prize speech die ik staand bovenop de tafel zou gaan houden nadat Bart, mijn uitgever, de presentatie zou hebben geopend. (Dit is er allemaal niet van gekomen overigens, we hebben geen van beiden een praatje gehouden, dat liep gewoon anders)
  • Drie Pilot pennen. (Die schrijven zooooooo lekker!)
  • Oplaadkabels voor mijn iPod Touch en iPhone.
  • Bovengenoemde iPod Touch en iPhone.
  • Een banaan.

Dan ben je toch goed voorbereid, toch?

Na de lunch reisde ik in alle innerlijke rust af naar Hilversum, station MediaPark om precies te zijn, via Utrecht Centraal. Toen ik op Utrecht stond werd al meteen duidelijk dat de Sprinter – die ik wilde en moest nemen naar MediaPark – uitviel. De volgende zou pas over een half uur gaan. Geen paniek! Dan zou ik nog steeds op tijd zijn.

Ik daalde de trappen af naar het perron. Een briesje deed mijn lange rok gemoedelijk wapperen, ik deinsde een beetje mee op de muziek die via mijn oordopjes mijn trommelvlies streelde. Het leven was goed… tót het bord – zonder enige waarschuwing – ineens aangaf dat ook deze trein niet zou gaan rijden. Nee! Geen paniek. Geen paniek.

Snel, op de app, wat zijn de opties? Bus? Nee, niets. Er was verder helemaal niets aan openbaar vervoer wat een ontluikende schrijver naar het MediaPark kon brengen. Twee sprintertjes per uur. Dat was het. Taxi!

Nou had ik er ervaring mee, ik was immers niet al te lang geleden ook gestrand op Utrecht Centraal. Ik wist de taxistand dus meteen te vinden. Ik liep op de voorste auto af. Mooie, comfortabele auto. Daar kon ik best mee aankomen in Hilversum. Een chauffeur, ik vermoed van Turkse afkomst, kwam me glimlachend tegemoet lopen.  Hij stond aan de overkant en hij had recht op het volgende ritje. Hij maakte een uitnodigend gebaar naar zijn vervoer. Een Volkswagen bus.

‘Dat busje?’ vroeg ik teleurgesteld.

‘Ja’. Hij lachte vriendelijk.

‘Helemaal voor mij alleen?’ probeerde ik nog, maar hij hield de deur al voor me open.

‘Waar wilt u naar toe?’ vroeg hij.

‘Naar het MediaPark in Hilversum. Journaalplein 1.’

De jongeman ging aan de slag met zijn navigatie.

‘MediaMarkt?’

‘Nee! Nee! MediaPark! MediaPark!’ Nu raakte ik wel licht in paniek.

Het was ontzettend heet in de bus, dus hier begon ik flink te zweten. ‘Mag het raam misschien open? Het is zo warm,’  vroeg ik. De chauffeur zette de airconditioning aan, maar terwijl hij in de kou zat, was het achterin nog heel heet. Had ik nou toch maar een schone top meegenomen.

‘Journaalplein? Kunt u dat voor me spellen?’ vroeg hij. De navigatie pikte het niet op.

‘Zal ik het proberen?’ vroeg ik.

‘Tja,’ zei hij terwijl hij me het apparaat overhandigde, ‘de navigatie is drie jaar oud, misschien staat het er nog niet in.’

Ik kreunde en gaf de navigatie terug. Ik had deze ingesteld op de Mies Bouwman-boulevard in de buurt. Voor de zekerheid zette ik de navigatie op mijn iPhone ook aan het werk. Ik stuurde de zeer kalme, beleefde chauffeur van Utrecht naar mijn bestemming. Een kwartier voor mijn geplande optreden kwam ik het NOS gebouw binnen.

‘Ik kom me zo melden, eerst even naar het toilet,’ zei ik, in het voorbijgaan, tegen de receptionist. Daar knapte ik mezelf weer een beetje op en haalde een paar keer diep adem. Geen paniek! Ik ben er. Ik ben op tijd. Een paar minuten later stond ik op de redactie en keek tevreden toe hoe Suzanne Bosman en Jan Mom de gasten voor mij interviewden, over bier en over de Grexit.

Het leven was goed.

Tijd en de Oase

Ik zat afgelopen weekend in The Oasis Boutique Hotel in Zuid Afrika, ergens tussen Johannesburg en Pretoria. Het vliegticket Johannesburg – Amsterdam was 1000 euro duurder als ik op vrijdagavond zou vliegen in plaats van op zondagavond, dus bleef ik het weekend ‘verplicht’ in Zuid Afrika. Er zijn ergere plaatsen om het weekend door te brengen natuurlijk.

Ik zocht een hotel waar ik comfortabel het weekend door kon brengen, en met comfortabel bedoel ik: een hotel met goedwerkend internet en de mogelijkheid om drie maaltijden per dag te bestellen. Ik vond dit hotel en het was perfect.

Het is vrijdagavond. Het avondeten moeten we van tevoren bestellen en de kok roept ons wanneer het eten geserveerd wordt. Het diner – hier volgens de Engelse traditie supper genaamd – staat klaar in de dining room. De vier gasten van het hotel zijn aan één tafel geplaatst. Ik deel het hotel deze avond met een ouder stel uit Botswana, Jerry en Fran, en een hele lange Schotse man van begin vijftig die luistert naar de naam Martin.

Bron: www.oasis.sa.com
Bron: http://www.oasis.sa.com

We praten eerst over de stroomvoorziening in zuidelijk Afrika. Jerry en Fran vertellen ons dat er veel corruptie en mismanagement is bij de aanleg en het beheer van de energiecentrales. Hierdoor is de stroomvoorziening in Zuid Afrika en in Botswana (wat voor de helft afhankelijk is van de stroom die ze van Zuid Afrika koopt) een enorm probleem.

We komen op de vraag wat Martin voor de kost doet en waarom hij alleen in Zuid Afrika is.

‘Ik werk niet meer,’ zegt Martin. Er zit nog een vervolg aan deze zin, maar hij twijfelt. Hij kijkt ons een voor een aan.

‘Oké,’ zegt hij uiteindelijk, ‘ik zal het jullie vertellen. Ik ben terminaal.’

Wat nemen we alles toch gemakkelijk voor lief. Electriciteit, internet, onze gezondheid, ons lichaam en het leven dat ons gegeven is.

Martin vertelt dat hij multiple sclerosis (MS) heeft, in combinatie met nog een andere neurologische aandoening waar ik de naam van vergeten ben. Dubbelop dus. De volgende dag zullen zijn twee nichten in het hotel aankomen en zal hun avontuur door Zuid Afrika gaan beginnen, the trip of a lifetime, zoals Martin zegt. De vraag van de afgelopen weken was of hij het fysiek aan zou kunnen, maar het gaat goed met Martin hier in The Oasis, deze oase van rust en luxe.

Doctoren geven hem nog twee jaar, maar dat zegt maar weinig. Soms gaat het sneller en soms, bijvoorbeeld in het geval van Stephen Hawking die ALS heeft, overleeft de patiënt de gegeven termijn met vele jaren.

Jerry en Fran gaan na het dessert naar hun kamer. Martin en ik praten de rest van de avond over hoe hij heeft ontdekt dat hij MS heeft, hoe hij emotioneel door een diep dal is gegaan en heeft geprobeerd om een eind aan zijn leven te maken, hoe hij inmiddels gescheiden is en hoe hij plannen heeft gemaakt voor zijn verzorging en zijn uitvaart. Het is een intens maar heel mooi en openhartig gesprek.

‘Heb geen medelijden met me, Diana,’ zegt Martin als we afscheid nemen voor de nacht. Hij heeft ook absoluut geen zelfmedelijden. Hij lijkt te genieten van elke goede dag die hij heeft. Hoeveel waardering heeft de gemiddelde mens voor een goede dag?

Het is ook geen medelijden wat ik voel. Op een manier is het een prachtig geschenk wat Martin gekregen heeft: een deadline.

‘Had je hier gezeten als je dit nieuws niet had gekregen?’ vraag ik hem.

‘Nee,’ geeft hij toe.

Natuurlijk, ik vind het lijden, het ongemak, de pijn en de angst die Martin ongetwijfeld te wachten staat heel erg, dat raakt me, maar terminaal zijn we allemaal. Teveel vrienden zijn geplukt in de bloei van hun leven. Zonder enige waarschuwing. Martin heeft iets heel waardevols gekregen: tijd. Tijd om de dingen te doen die hij wil doen voor hij doodgaat, tijd om afscheid te nemen van vrienden en familie, tijd om afspraken te maken over het punt waarop hij zelf wil beslissen of hij blijft vechten of niet. Ik geloof dat Martin zijn tijd optimaal gaat gebruiken en ik ben blij voor hem.

Inmiddels ben ik weer terug in Nederland. Ik kom van de sportschool. Personal trainer Frank heeft er weer flink de zweep overheen gelegd en mijn spieren doen zeer. Een heerlijke pijn. Een dankbare pijn. Ik eet een appel en loop op mijn gemakje. De zon schijnt, de kleuren zijn helder vanavond. De mensen mooi. Hollands welvaren. God, wat hebben we toch allemaal een ongelooflijke potentie. Iedereen. Dat is het gevoel dat ik me herinner van New York bedenk ik me als ik loop: het gevoel van de endless possibilities die we hebben.

Live up to your potential, lieve lezer, je hebt nog tijd. Wacht niet tot je een deadline krijgt.

Zombies

Ik ben in Zuid Afrika op het moment. Het is een lange vlucht (11 uur) van Amsterdam naar Johannesburg. Het vliegtuig zit vol zombies, ze dwalen door de cabine, op zoek naar een comfortabele plek en positie. Een U-vormig nekkussen rust op hun schouders, ze dragen trainingspakken, sokken en pantoffels. Ze slepen een deken achter zich aan. Ze lezen boeken en kijken films, ze eten uit verveling. Alles om zich maar thuis en gemakkelijk te voelen. En dan is dit nog de dagvlucht! De terugweg is een 11 uur durende nachtvlucht. Dat is pas echt angstaanjagend.

Ik slaap nauwelijks in een vliegtuig, dus ik zie ze: de bleke, grauwe, uitdrukkingsloze gezichten van mijn medepassagiers die ook niet kunnen slapen. We werpen jaloerse blikken op de mensen die wel liggen te ronken in hun stoel.

Ik land zondagavond in Johannesburg en word opgepikt door een taxi service. Altijd leuk als er iemand staat bij de uitgang met mijn naam op een stuk papier: iemand die op me wacht, al is het maar voor even en voor geld. Zijn naam is Ezekiel. Hij brengt me naar mijn hotel en Mary van het kleine boetiek hotel brengt me naar mijn kamer. Het is 23.00 uur. Om 5.30 komt mijn Zuid Afrikaanse collega me ophalen want we moeten 4 uur rijden naar een universiteit vlak bij de grens met Botswana. Op de universiteit houden we een presentatie van 2 uur en vervolgens rijden we weer 4 uur terug. Je ziet: tot nu toe druipt de glamour en het avontuur er vanaf.

De volgende twee dagen hebben we een beurs in een conferentiehotel. Dan zitten we hier opgesloten, ook voor het ontbijt, de lunch én het diner. Zet ons overal ter wereld neer, het maakt niet uit, het is allemaal hetzelfde. Zombies op de beurs zijn we. De mede-exposanten ken ik van conferenties in Israël, Turkije, Spanje, Engeland en ga zo maar door. Het zijn vluchtige, oppervlakkige vriendschappen die we hebben opgebouwd door de jaren heen.

Er is iets misgegaan met mijn registratie voor het hotel, er staat geen kamer op mijn naam. Nou komt alles wel weer goed, daar maak ik me nooit zo druk over, maar ik krijg waarschijnlijk wel een ‘reserve’ kamer toegewezen. Op de kamer ga ik alle laden en kasten langs, dat doe ik altijd, uit pure nieuwsgierigheid, kijken wat ik nu weer vind. Ik heb beet deze keer: in een van de laden tref ik twee plastic tassen aan, gevuld met pillen! Allerlei soorten pillen. Ik heb niet naar alle doosjes gekeken want om eerlijk te zijn wil ik mijn vingerafdrukken hier niet op hebben! Ik neem een foto, deel mijn verbazing op facebook en lever de tassen vervolgens in bij de receptive.

Pillen Zuid AfrikaDe scenario’s rond de pillen waar ik tot nu toe op ben gekomen, zijn:

  1. Ik stond op het punt om er ingeluisd te worden: Nederlandse opgepakt voor drugsbezit. Dat moet toch wel wat opbrengen.
  2. Iemand is nu verschrikkelijk hard toe aan medische hulp.
  3. Iemand die hier werkt is verslaafd en gebruikt deze kamer om zijn drugs te verstoppen en het te gebruiken.

Ik vrees het laatste, want als ik de verhalen mag geloven is het verslavingsprobleem in Zuid Afrika enorm. Zombies zijn het en ik heb ze gezien: mannen en vrouwen die in de krottenwijken wonen, verslaafd aan drank en/ of lijmsnuiven. Heel erg triest.

Hé … alle zombies nog aan toe, ik  had natuurlijk even moeten kijken of er slaappillen bij zaten voor de terugreis!! Verdorie!

Mag het licht weer uit?

Wat ik vorige week schreef: verwacht je spanning, dan loopt alles als een zonnetje, maar ga je vervolgens een dagje naar Amsterdam dan kom je in een schitterend avontuur terecht.

Ik had afgelopen vrijdag een afspraak voor een interview met een journaliste van het blad Grazia (het interview komt als het goed gaat in week 15 in de Grazia te staan). Ik stond ’s ochtends nietsvermoedend op het station in Dordrecht toen ik het nieuws hoorde: “Wegens een stroomstoring in Noord-Holland is er geen treinverkeer mogelijk van en naar Schiphol en Amsterdam.” En dan de legendarische woorden: “De NS heeft geen alternatief reisadvies.” Dan weet je dat het écht goed fout zit. Gelukkig had ik een ruime marge op mijn reistijd genomen. Eerst maar eens naar Rotterdam, dan kijken we wel weer verder, dacht ik. Er stond een sprinter van Rotterdam naar Amsterdam in de NS app die nog niet was vervallen. Deze zou via Gouda naar Amsterdam gaan, dus wellicht dat dit een optie zou zijn. De sprinter stond te wachten en inderdaad, met een vertraging van 15 minuten vertrok deze richting Gouda. Mooi. Muziekje in de oren, laptop op tafel. Alles komt goed.

We stonden in Gouda toen – zonder waarschuwing – de eindbestemming van de trein weer in Rotterdam veranderde. Shit! Laptop dicht, snel de sprinter uit. En nu? Naar Utrecht dan maar.

Mijn afspraak liet in de tussentijd weten dat in Haarlem de lichten weer waren aangegaan, dus misschien dat, tegen de tijd dat ik in Utrecht zou zijn, de stroomstoring ook wel weer verholpen zou zijn. Hoe erg kon het zijn?! Maar ook het perron van Utrecht stond nog vol met mensen die een beetje verloren om zich heen stonden te kijken. Ik liep richting de trap. Een zakenman kwam mij tegemoet lopen, we keken elkaar aan en haalden onze schouders op.

“Tja… hoe kom ik nu in Amsterdam?” zei hij.

“Tja… “ zei ik.

“Zullen we een taxi delen?” vroeg hij

“Waar moet je naar toe?”

“Amsterdam Amstel”

“Perfect!” riep ik en stuurde het bericht naar de journaliste dat alles goed zou komen, dat onze afspraak in Dauphine zou kunnen doorgaan als gepland, zij het ietsje later. De zakenman en ik hebben nog even gekeken naar de bus, maar bij het zien van de rijen besloten we dat dat ook geen optie was. Dan maar even de portemonnee trekken. We hadden genoeg om over te praten onderweg, de taxi was luxe en comfortabel. Het kostte een paar tientjes, maar ze waren goed besteed en voor Amsterdam Amstel hebben de zakenman en ik onze gegevens uitgewisseld.

Na het interview reden de treinen nog steeds niet naar behoren. Dan maar even de stad in, naar Hoppe voor een borrel en een portie overheerlijke bitterballen. Er schuilt een heerlijke berusting in ‘overmacht’.

“Beschaafd biertje,” zei ik tegen de man naast me aan de bar die het populaire brouwsel uit een cola glaasje dronk. Hij was op stap met een goede vriend en na een aantal glazen aan de bar bij Hoppe moest ik toch echt even mee naar ’t Doktertje, de kleinste kroeg van Amsterdam, aldus de heren. Toen ik uiteindelijk ’s avonds om half negen – en vier whisky’s later – op het station kwam, reden de treinen nog steeds niet volgens schema, maar ik ben zonder al te veel vertraging toch nog thuisgekomen.

Ik heb me kostelijk vermaakt vrijdag. Ik heb nieuwe vrienden gemaakt en nieuwe zaken ontdekt. Creëer maar wat vaker chaos in Nederland, wat mij betreft, het brengt mensen dichter bij elkaar. Zoals iemand in de kroeg terecht opmerkte: “Ik ben benieuwd hoeveel baby’s er over negen maanden geboren worden.”