Potverdorie pepernoten

Nou ja, kruidnoten eigenlijk, maar in ieder geval suiker. Het is weer helemaal mis. Het is drugs, het is vergif, ik was er vanaf, maar nu ben ik weer een zware suikerjunk!

Het ging zo goed; sporten, gezond eten, nauwelijks alcohol, op tijd naar bed, maar ik heb het druk en dan glij ik toch weer langzaam af.

Eerst geen tijd om te sporten, maar het gezonde eten ging nog wel goed. Vlak voor de vakantie schoot dat er ook bij in en na de jetlag van New York is het met voldoende slapen ook helemaal mis. Algehele malaise dus.

Ik was op de Inspiratiedag van het UWV in juni en mocht een workshop bijwonen van een dame die het over wilskracht had. Dat we onderschatten hoeveel energie we daar voor nodig hebben. In het geval van de Inspiratiedag ging het om de wilskracht om te blijven solliciteren ondanks alle afwijzingen, maar dat geldt natuurlijk ook voor andere dingen. Als je wilskracht nodig hebt om je nieuwe baan goed te doen of om de schrijfklus goed af te ronden, dan blijft er inderdaad weinig wilskracht over om de snelle suikers te weerstaan. Dat heb ik dus gemerkt de afgelopen maanden.

Nog heel even en dan mag ik de schrijfklus in ieder geval afronden. Dat scheelt. Dan (volgende week hoop ik) kan ik weer gaan sporten en gezond eten en op tijd naar bed.

Sla me op m’n vingers als ik naar de snoep pot reik, en als je Sinterklaas spreekt, vraag dan of hij niets eetbaars voor me meeneemt. Schop me naar de sportschool. Alsjeblieft. Het moet echt weer gebeuren. Erkenning is de eerste stap, toch?

Volgende week kan ik hopelijk mijn tijd en wilskracht weer in een gezondere levensstijl investeren. Ik kijk er oprecht naar uit.

Mijn naam is Diana en ik ben verslaafd aan suikers en koolhydraten…

 

Gegijzeld

Mijn portemonnee wordt gegijzeld op Schiphol. Het begon allemaal fantastisch met een aardige juffrouw van de KLM die me belde en vroeg of ik misschien iets kwijt was. Dat was toevallig; ik kwam er net, onderweg van Schiphol naar Dordrecht, achter dat ik mijn portemonnee niet meer had en nu hing er al een hele behulpzame dame aan de lijn.

‘Ja, dat klopt,’ zei ik opgelucht. ‘Wat geweldig dat jullie hem gevonden hebben.’

‘Wat bent u kwijt?’ vroeg ze. Ik was even in de war. Welke mysterieuze gave had zij dat ze wel wist dat ik iets kwijt was, maar niet wat? Maar dat kwam natuurlijk door de slapeloze nacht die we net achter de rug hadden. Mijn brein liep een tandje langzamer vandaag, ze moest het verifiëren natuurlijk.

‘Een witte, langwerpige portemonnee,’ zei ik. ‘Met zwarte tulpen erop gestikt.’

Ik wilde doorratelen dat ik deze jaren geleden in de East Village in New York had gekocht bij een klein winkel dat er nog steeds zat want ik kwam net uit New York en ik was er langsgelopen en toen had ik nog gedacht ‘oh, hier heb ik deze portemonnee gekocht die ik nu min of meer als handtasje gebruik’ want veel cash geld gebruiken we niet meer en het is best een grote portemonnee en hier zit alleen mijn credit card in en het pasje van mijn ziektekostenverzekering in en een inlegkruisje en een tampon en dat zou ze wel erg vreemd vinden maar ik ben ongesteld en ja waar laat je die dingen dan als je geen handtas hebt…

Maar ze onderbrak me al na de tulpen, dat was inderdaad wat ze voor zich had liggen.

Of ik in de mogelijkheid was om hem nu op te halen. Was ik nog in de buurt? Nee, helaas, ik was alweer thuis.

Dan ging de volgende procedure van start: ik moest een Lost & Found formulier invullen op de website van Schiphol Airport. Ik zou een referentienummer krijgen, dat moest ik naar deze vriendelijke dame van de KLM sturen en dan zou zij de portemonnee overhandigen aan de afdeling Lost & Found van onze nationale luchthaven.

Zo gezegd, zo gedaan, en dat ging allemaal heel erg voorspoedig. Fantastische service. Ik kreeg bericht dat ik de portemonnee binnen drie dagen zonder afspraak op kon halen op Schiphol, met mijn paspoort en het referentienummer. Die drie ging ik niet halen, maar daarna had ik nog drie maanden de tijd om het op afspraak op te halen. Ik kon het ook op eigen kosten op laten sturen. Klonk ook goed. Hoeveel kan het kosten, zo’n klein pakje, dacht ik.

In de mail waarin dit allemaal beschreven stond, stonden ook links naar de twee bedrijven die het thuis af zouden kunnen leveren. Ik volgde de eerste link maar kon nergens vinden wat het zou gaan kosten, dus ik vulde het formulier in tot de kosten tevoorschijn kwamen. Zeventwintig euro. Oké, niet heel erg schokkend, maar meer dan ik had verwacht dus ik sloot het scherm af. Het tweede bedrijf rekende exact hetzelfde.

Ik zou ergens in de komende drie maanden wel langs op Schiphol gaan, dacht ik. Ik kom er vaak genoeg langs.

Een paar dagen later kreeg ik een mailtje van het eerste bedrijf. Ik reageerde niet. Wellicht een herinnering omdat ik de order niet had afgerond, dacht ik. Maar twee dagen later kreeg ik weer een mailtje: ze hebben mijn portemonnee, maar eerst moet ik zeventwintig euro betalen.

Ik schreef een vriendelijk mailtje terug en legde uit dat ik van de order af had gezien, dat ik het toch liever zelf kwam ophalen en of ze de portemonnee s.v.p. terug wilden geven aan de afdeling Lost & Found.

Dat gaat dus niet, aldus het meisje aan de andere kant van de mail.

‘Pardon?’

‘U kunt hem wel af komen halen tegen betaling van vijftien euro.’

‘Pardon?’

Dat kunnen ze dus vergeten, dat weiger ik. Ik laat me niet chanteren. Dus heb ik maar een nieuw ticket naar New York geboekt. Voor mei 2018. Nieuwe portemonnee kopen.

 

Waar het verhaal begon

Vandaag vertrek ik naar New York, zoals ik al schreef, bijna exact tien jaar nadat ik voor het eerst deze magnifieke stad zou gaan verkennen. Ter ere van dit jubileum zou ik graag het eerst hoofdstuk van mijn boek weer eens met jullie willen delen, voor wie het niet gelezen heeft of voor wie het niet erg vindt om nog een keer te lezen.

Hier begon het dus allemaal, want zonder New York geen boek en zonder boek had ik veel fantastische dingen niet meegemaakt of niet ondernomen, en veel prachtige mensen niet ontmoet. Dank jullie wel, voor jullie interesse en enthousiasme. ❤


 

Waar het verhaal begint

Ik ben Diana en ik ben net de dertig gepasseerd. Ik werk op de marketingafdeling van een grote academische uitgeverij. Ik heb drie dingen op mijn verlanglijstje staan – mijn bucket list – en dat zijn: 1) een huis kopen en dat naar eigen smaak verbouwen en opknappen, 2) in New York wonen, 3) een boek schrijven.

In 2006 besluit ik een huis in Dordrecht te kopen. Een leuk project, denk ik, een opknappertje, precies wat ik zoek. Voor een schappelijk bedrag krijg ik de sleutel van dit schattige rijtjeshuis, type ‘arbeiderswoning’ uit 1910, in een idyllisch straatje. De badkamer en de keuken moeten er in ieder geval uit. Ik huur een puinstortbak en we (een bevriende aannemer en ik) beginnen met slopen. Van het een komt het ander en binnen de kortste keren sta ik in een huis dat werkelijk van alles gestript is. Alles. Tot het honderd jaar oude stucwerk van de muren aan toe. Ik ben de ietwat wanhopige eigenaar van vier muren en een dak. Na een grove herstructurering van de achterkant van het pand, de keuken en de badkamer is het bouwdepot leeg, maar mijn huis nog lang niet klaar. Een leermoment in projectmanagement.

Vervolgens besluit mijn vriend, met wie ik al vijf jaar een relatie heb: weet je wat, Diana, ik heb hier helemaal geen zin in, ik heb al genoeg verbouwd in mijn leven. Het is veel gezelliger en ongecompliceerder bij je beste vriendin. Tabee!

De bouw ligt een aantal maanden stil. Mijn moed en mijn gebroken hart liggen onder de nieuwe cementvloer in de keuken en ik woon maandenlang tussen vier kale muren. Ik leef op een paar vierkante meter op de bovenverdieping, de woonkamer staat volgepakt met bouwmaterialen. Ik heb een nieuwe riolering, nieuwe elektriciteitsvoorzieningen, een nieuwe badkamer, maar geen stucwerk op de muren, geen kamers en geen functionerende keuken!

Juist op dat moment biedt mijn werkgever mij – nadat ik hier jarenlang om heb gezeurd – een baan aan in New York. Ik wil niets liever dan naar New York, maar ik zit nu met een huis dat ik in deze staat niet kan verkopen. Daarbij geeft mijn werkgever me maar twee maanden om te emigreren. Ik krijg uiteindelijk drie maanden en met de hulp van veel fantastische mensen kan ik mijn huis in die drie maanden klaarmaken voor de verhuur. Het zijn de stressvolste drie maanden van mijn jonge leven. Ik rook twee pakjes sigaretten per dag, drink te veel, slaap te weinig en eet slecht. Maar het lukt, een absoluut mirakel. Iets wat zonder de onbaatzuchtige hulp van de mensen om me heen nooit gelukt zou zijn. De laatste week slaap ik niet meer dan drie uur per nacht en op de ochtend van mijn vertrek sta ik in allerijl mijn tassen nog te pakken. De mensen om me heen klussen verder terwijl mijn moeder en mijn broer staan te wachten om mij naar Schiphol te brengen. Ik ben compleet uitgeput als ik in het vliegtuig stap, maar te opgewonden om te slapen.

1) Een huis kopen en dat naar eigen smaak verbouwen en opknappen. Check!

Dat doen we nooit meer.

Ik kom aan op jfk (John F. Kennedy-vliegveld) in New York op een donderdagavond, 27 september 2007 om precies te zijn. De eerste drie weken in New York kan ik een appartement in Brooklyn huren van een collega, Kenneth. Hij is New Yorker, maar woont zelf in Duitsland met zijn Duitse vrouw.

Harry, een Nederlandse collega die zelf al jaren in New York woont, niet ver van het appartement van Kenneth, heeft een sleutel en zal mij daar ontmoeten om de deur voor me te openen en me de sleutel te geven. Wanneer ik echter in New York land, heb ik een voicemailbericht van Harry: hij is onverwachts en met spoed naar Londen geroepen, of ik hem even kan bellen zodra ik geland ben. Dat wordt door de mannen en vrouwen in uniform afgestraft: je mag niet bellen in de lange rij voor de douane. Een lichte paniek maakt zich van mij meester, maar tegen de tijd dat ik eindelijk door de douane ben, is het opgelost. Harry heeft onze Amerikaanse collega Chris, die ook in de buurt woont, gecharterd om mij op te wachten. Ik ken Chris niet, maar ben enorm opgelucht dat ik niet met mijn twee weekendtassen door Brooklyn hoef te dwalen op zoek naar de sleutel, of erger nog: naar onderdak.

De temperatuur is nog heerlijk zomers in september, maar het is al wel donker. Chris zit op de trap van het appartementencomplex op mij te wachten. Verdwaasd en gedesoriënteerd rol ik met mijn twee grote weekendtassen de taxi uit. In deze twee tassen zitten mijn kleding, twee extra paar schoenen, mijn toiletspullen en één klein handdoekje. Dit is alles wat ik bezit op het moment. Hier ga ik de stad mee veroveren. Chris helpt me met de zware tassen, laat me het appartement binnen en wacht geduldig om er zeker van te zijn dat het goed met me gaat, dat ik niet ter plekke instort, dat ik mijn weg zal vinden in dit vreemde appartement, in deze nieuwe stad en op dit nieuwe continent. Mijn wereld beweegt, deint op grote golven en is in stabiel. Ik ken Chris nog maar een paar minuten, maar hij is mijn anker in de eerste momenten van mijn nieuwe bestaan. Hij is zorgzaam en behulpzaam en mijn gevoel van dankbaarheid is overweldigend. Chris overhandigt me de sleutels en drukt me op het hart dat ik hem altijd kan bellen als er wat is.

Aanstaande maandag, 1 oktober, start ik op het kantoor in New York. Met een werkgeversverklaring en alle visumpapieren zal ik mij moeten gaan registreren voor een Social Security Number, zodat ik hier kan werken, een bankrekening kan openen en mijn looncheques kan storten – er wordt nog absurd veel met cheques gewerkt in Amerika – en geld heb je in New York bijzonder hard nodig. Zeker als je een appartement zoekt. De eerste drie weken onderdak heb ik vooruitbetaald, daar heb ik geen omkijken meer naar, maar na deze drie weken moet ik eruit, want dan komt Kenneth met zijn vrouw een paar weken in New York doorbrengen. Dat betekent dat ik naast mijn werk meteen aan de slag moet met de administratieve rompslomp, waar ik echt een bloedhekel aan heb, en ik moet ook vooral hard aan de slag op zoek naar een woonruimte. Geen tijd dus om bij te komen van ‘De Verbouwing’.

Het appartement dat ik van Kenneth huur ligt in Park Slope, nu een zeer gegoede buurt van Brooklyn, maar twintig jaar geleden was dit nog een absolute no-go-area. In de jaren tachtig was het een van de meest gewelddadige buurten van New York. Het aangrenzende park, Prospect Park, was toen het domein van junkies, hustlers (mannen die zich laten betalen voor seks met mannen) en straatbendes. Daar is nu niets meer van te merken, het park is een plaatje en tegenwoordig is een appartement in Park Slope bijna niet te betalen.

Vrijdag, na goed geslapen te hebben, trek ik eropuit. Door de jetlag ben ik al vroeg op pad. Eerst maar eens kijken waar het kantoor is waar ik me maandagochtend moet melden.

Had ik al verteld dat ik nooit eerder in New York geweest ben?

Terwijl ik door Brooklyn en Manhattan loop en de metro probeer te begrijpen, denk ik de hele tijd: hier ben ik dan. Ik kan de extase, door mijn uitputting heen, niet omschrijven. Hier heb ik altijd van gedroomd en nu ben ik er! Ik ben er!

2) In New York wonen. Check!

Whoohoo!

And now what?! Zo gaat mijn bucket list ineens wel erg hard.

 

Nadat ik het kantoor op Spring Street, in SoHo, gevonden heb, loop ik zuidwaarts Broadway af en kom ik langs een halte van een city tour, een hop-on hop-off bus. Ik koop een ticket voor achtenveertig uur en breng de rest van het weekend door in een dubbeldekker om de stad te leren kennen. Het is nog steeds prachtig weer en het kleurtje dat ik oploop is een absolute bonus na al die maanden klussen. Rondgereden worden in een bus met open dak, zonnetje op mijn gezicht, wind in mijn haren, is nog steeds een van mijn favoriete toeristische bezigheden. In New York werken deze maatschappijen met een gids – een persoon, geen bandje – en dus krijg je in elke bus, op elke route, een ander verhaal te horen. Sommige gidsen zijn artiesten die hiermee wat bijverdienen. Een van de gidsen dat weekend, een jonge vrouw, begint bij elke mogelijke referentie een musicalnummer te zingen. Dat is een paar keer heel leuk en bijzonder, maar wordt al snel vervelend. Er zijn vijf verschillende routes. Ik neem de twee door Manhattan – noord en zuid – elk minstens twee keer. Verder zijn er een nachtroute, een Brooklyn-route en een boottocht bij het ticket inbegrepen.

‘Waar kom je vandaan?’ vraagt de gids wanneer ik de bus instap. Als ik ‘Nederland’ antwoord, begint hij te stralen en vraagt of ik een beetje vooraan kom zitten. Ik zal nog goed van pas komen op deze toer, als afstammeling van degenen die de stad zo’n vierhonderd jaar geleden hebben gesticht als Nieuw Amsterdam.

Ondertussen, terwijl we rondjes rijden door Manhattan en Brooklyn, krijg ik een idee waar ik wel en niet zou willen wonen. We rijden over Bowery, een van de boulevards die in Lower Manhattan van zuid naar noord loopt, als de gids aan mij vraagt: ‘Bowery, zeg ik dat goed?’

‘Bowery?’ vraag ik niet-begrijpend.

‘Ja, dat is een Nederlands woord.’

Ik schud mijn hoofd. Ik kan er niets van maken.

‘Nederlands voor farm?’ reageert hij lichtelijk geagiteerd.

‘O,’ zeg ik lachend, ‘boerderij!’

Er zijn veel Nederlandse woorden die in New York fonetisch geëvolueerd zijn. Brooklyn was ooit Breukelen, Coney Island was ooit Konijneneiland, en zo zijn er nog talrijke voorbeelden, waarvan Harlem waarschijnlijk het meest voor de hand liggend is.

Zondagmiddag ben ik moe en ben ik de toerbus zat. Ik loop over 5th Avenue in Brooklyn langs een bar genaamd Excelsior en op het bord zie ik dat ze op dat moment happy hour hebben – twee drankjes voor de prijs van één – en dat ze een terras hebben voor rokers. Perfect, want ik heb erg weinig geld en ik rook. Ik loop door een lege zaak naar het terras aan de achterzijde, waar een groepje mannen om een tafel zit en stilvalt als ik het terras oploop. Bij het zien van de mannen begrijp ik meteen dat ik een gaybar ben binnengelopen.

Ik ga aan een tafel in een hoek van het terras zitten en pak mijn boekje over New York erbij, blij dat ik zit. Het gezelschap een paar meter verderop komt weer tot leven en de meest luidruchtige van het stel roept al snel: ‘Hé, waarom zit je daar alleen, sweetheart?’ Hij is duidelijk aangeschoten. ‘Kom hier zitten.’ Hij trekt er een stoel bij en slaat met zijn vlakke hand op de zitting naast hem. Het is duidelijk dat hij geen tegenspraak duldt in zijn huidige toestand. Zijn naam is Ken. Ken en de mannen aan de tafel horen mijn emigratieverhaal aan en spuien tips waar ik het beste kleding kan kopen, mijn haar en mijn nagels kan laten doen, enzovoort.

Na een paar drankjes gaan Ken en ik naar de overkant om fish-and-chips te eten. Hij is inmiddels meer dan aangeschoten en ik hoop dat hij zijn auto laat staan. Hij woont hier niet al te ver vandaan, op 17th Street. Zijn buurt heet Windsor Terrace. Zijn verloofde zit in Londen en als het huis hier is opgeknapt, wordt het verkocht en gaat hij ook naar Londen. Dat is jammer, net nu ik mijn eerste, nietwerkgerelateerde vriend in New York heb gemaakt.

Ik moet trouwens erg om mezelf lachen: rond deze tijd acht jaar eerder begon ik aan mijn stage in Barcelona. Dat avontuur begon met een intensieve cursus Spaans aan de Universiteit van Barcelona en op de eerste dag leerde ik Clint kennen. Hij werd al snel mijn beste vriend in die vreemde stad. Clint is Amerikaan en was naar Barcelona gekomen voor zijn vriend. Clint en zijn partner namen mij op sleeptouw en tijdens mijn zeven maanden in Barcelona ontmoette ik geen enkele heteroseksuele man, buiten een handjevol collega’s op mijn stageadres. Mijn toenmalige vriend in Nederland vond dat niet zo erg. Ik ook niet, ik had de tijd van mijn leven, met lange weekenden in disco’s gevuld met honderden gespierde, halfnaakte, dansende, zwetende mannen waar ik als een soort mascotte tussen liep. Het was één groot feest.

Ik vind het dus wel erg komisch dat ik in deze nieuwe stad van alle cafés een gaybar heb uitgekozen om als eerste binnen te lopen, en dat terwijl er verder – zo zal ik later ontdekken – in deze buurt geen andere gaybar te vinden is.

Ken is mijn Clint in New York en ik blijf in contact met hem. Wanneer ik kan, help ik hem met het klussen in zijn huis. Voor hij naar Londen vertrekt, neemt hij me mee naar een aantal gaybars in Chelsea, het hart van de New Yorkse gayscene. Ik neem me echter plechtig voor om me deze keer niet tot deze scene te beperken!

 

Maandag kom ik op kantoor en staan er bloemen op mijn bureau, van Janice. Ik ken Janice alleen via de e-mail. Zij is een van de uitgevers met wie ik zal werken in mijn nieuwe functie. Wat een lieverd. Janice vertelt me dat haar dochter het huis uit is en dat ze, als ik niet op tijd een appartement kan vinden, altijd een kamer voor me heeft. Wat een fijn gevoel om een optie achter de hand te hebben, het neemt een hoop druk weg.

Met Personeelszaken in New York regel ik het nodige papierwerk en met deze documenten ga ik naar het dichtstbijzijnde kantoor waar ik me kan registreren voor een Social Security Number. Dat kantoor ligt in Chinatown en alles staat zowel in het Engels als in het Chinees aangegeven. Er zijn zo veel Chinezen die zich hier komen registreren, dat de Amerikaanse beambten de nummers in het Engels en het Chinees omroepen en sommigen volledig tweetalig zijn. Ik kijk er met verbazing naar. New York is écht een multiculturele samenleving.

Chinatown is een vreemd stukje Manhattan dat je zeker niet mag overslaan. Reken erop dat je hier hopeloos verdwaalt. Geen paniek, je loopt er vanzelf wel weer een keer uit. Het ruikt vreemd in Chinatown, het krioelt er van de mensen en de meesten spreken nauwelijks Engels. Als je ’s ochtends langs de kleine parkjes loopt, staan groepen ouderen tai chi te beoefenen. Mannen van middelbare leeftijd spugen op straat. In de supermarkten kun je levende paling en krabben kopen en in de kelders en op de bovenverdiepingen vind je een aaneenschakeling van eettentjes. Als je een goede eettent hebt gevonden, waar oma in een hoekje de dumplings zit te draaien, dan vind je het nooit meer terug. Soms loop je een klein parkje door en kom je terecht in een openluchtvoorstelling van een Chinese opera. Dan besef je hoe ver het westerse en het oosterse gevoel voor esthetiek uit elkaar liggen.

Met mijn verse Social Security Number ga ik naar de dichtstbijzijnde Chase-bank en open een bankrekening. Laat die dollars nu maar komen. Het handige aan de Amerikaanse bankpas – daar hebben ze toch wel goed over nagedacht – is dat je je pinpas ook als creditcard kunt gebruiken, maar dat de kaart je geen krediet geeft. Je kunt ermee betalen alsof het een creditcard is, maar het geld wordt meteen van je rekening afgeschreven als bij een gewone bankpas. Zo kun je toch de dingen doen waar je soms een creditcard voor nodig hebt, zoals een vliegticket of een hotelkamer boeken. Heel fijn, want een creditcard krijg je als nieuwkomer niet zomaar.

 

Te gast: Karin de Roos

Ik ben om meerdere redenen blij weer een gastoptreden te mogen aankondigen, deze week van Karin de Roos. (Dank je wel, Karin!)

Karin is gefascineerd door de middeleeuwen en is op dit moment bezig met haar historische roman Dubio waarin ze een fictief romantisch verhaal in een waargebeurd deel van onze Hollandse geschiedenis plaatst; de slag bij Vlaardingen op 29 juli 1018.

Het eerste hoofdstuk staat als smaakmaker gepubliceerd op haar website. Als je van historische romans houdt, raad ik je aan deze te lezen.


In dubio – Blog

Heb je dat ook wel eens? Dat je overvallen wordt door twijfels? Dat je niet goed weet of je linksaf of rechtsaf moet? En dat dan blijkt dat je ook nog rechtdoor of zelfs achteruit kan? Dat je simpelweg niet kan kiezen of je vanavond – de enige die je deze week nog niet vol hebt gepland – ongegeneerd op de bank ploft of toch voor de verleiding kiest om een gastblog te schrijven. Om diezelfde Diana uit de brand te helpen die mede verantwoordelijk is voor je huidige drukke – overigens fantastische – bestaan? Ach, schrijven is toch mijn lust en mijn leven? Yep, dat is het zeker. Momenteel adem, zweet, vibreer ik bijna 24/7 letters, woorden, zinnen, verhalen. Wees niet bang, dit wordt geen klaag-blog, dus lees gerust door. Dit is slechts een inleiding op een luxe-probleem. En wat voor één!

Eind mei legde Diana het eerste hoofdstuk van mijn manuscript voor aan acquirerend redacteur Bart van uitgeverij Q. Het smaakte naar meer en ik stuurde mijn hele manuscript op. Drie weken geleden kreeg ik een mailtje: Bart was enthousiast over het manuscript waar ik ruim drie jaar aan heb gewerkt. Binnen no time waren we het eens. Mijn roman – werktitel Dubio – ligt in april 2018 met een prachtige Q op de cover in de boekhandel. Ik kan mijn geluk niet op. Het plaatje dat ik in mijn hoofd had, komt precies uit. De planning is strak, maar haalbaar.

Afgelopen maandag moest mijn manuscript bij de redacteur liggen. Ik kreeg nog twee weken om wat aanpassingen te doen, daarna is het tot 1 oktober uit mijn handen. Ik voelde me die twee weken een Chinese evenwichtskunstenaar die het porseleinen servies van het Engelse koningshuis op stokjes draaiend moest houden terwijl hij tegelijkertijd op stelten probeerde te wadlopen. De opdrachten voor mijn eigen bureau liepen per slot van rekening gewoon door. In de spaarzame uurtjes die overbleven, zwoegde ik op passages, plotwendingen, dialogen. Opeens twijfelde ik aan alles. Geeft de proloog niet te veel weg? Gaat de lezer een abrupte switch tussen het middeleeuwse Flardinga en het heden wel trekken? Moet ik de sfeervolle beschrijving van het veenmoeras waarin Bernulf op zoek naar prooi met zijn hond en slechtvalk doorheen ploetert wel onderbreken met de geschiedenis van het West-Friese graafschap of de vlucht van Bernulfs familie voor de slachting bij Alt Clut? Het benam me af en toe de adem.

Iedere keer dat ik mensen coach of train, vertel ik het verhaal van de tekst en de gloeilamp. Terwijl ik ploeterde op het manuscript, galmden in mijn achterhoofd mijn eigen woorden: een tekst is geen gloeilamp, die aan of uit kan. Een tekst is niet per definitie goed of fout. Een tekst kan àltijd anders, beter of … slechter. Jouw opdracht is vooral om een tekst te schrijven die aansluit bij je lezer. Opeens valt alles op zijn plaats. Hoe veel ik ook ploeter op mijn manuscript, één ding is zeker. De redacteur van Q kan en gaat er van alles in vinden. En dat is prima, want mijn manuscript is geen gloeilamp… en hij kan zeker beter.

Maar wie kan nog meer beoordelen of mijn verhaal aansluit bij die lezer? Juist! De lezer, jij dus! Oordeel zelf op www.dubio-boek.nl. Ik nodig je van harte uit om het eerste hoofdstuk te lezen en zelf te oordelen. Lees het begin van het verhaal van Germaine, die verminkt en voor dood is achtergelaten in de veenmoerassen rond Flardinga, op alle niveaus strijd levert en uiteindelijk een thuis vindt dat niemand had kunnen voorzien (of gewild). Voor wie het boek helemaal uitleest verandert langzaam maar zeker de vraag ‘Wat is waar?’ in ‘Waar is wat?’

Terwijl ik dit schrijf, blijkt er nog één ding minder om over te twijfelen. De wereld om me heen is nog steeds in het donker gehuld. Het is half zes in de ochtend. In het raam zie ik mijn eigen spiegelbeeld gereflecteerd, in het schijnsel van mijn beeldscherm. Nachthemd binnenstebuiten, verwarde haren en een glimlach rond mijn lippen. Ik kon niet slapen. Er zat een verhaal in mijn hoofd en dat moest er uit. Vandaag heb ik Diana uit de brand geholpen èn vanavond plof ik toch ongegeneerd op de bank. Geen twijfel over mogelijk. Punt. Uit.

 

Dubio is op dit moment nog de werktitel van de historische (dubbel)roman van Karin de Roos. Het verhaal speelt zich af tegen de achtergrond van de historische slag bij Vlaardingen op 29 juli 1018. Volgend jaar is het precies duizend jaar geleden en dat wordt groots gevierd met festivals, een middeleeuws kampement en het naspelen van de slag. Dubio mixt de historische feiten met een spannend plot, maar vertelt vooral een universeel liefdesverhaal dat zelfs de grenzen van de tijd overwint. Karin studeerde onder andere historische en kunstwetenschappen. Dubio is haar eerste roman. Eerder schreef zij non fictie voor uitgeverij Forte. Vanuit haar bureau voor tekst en uitleg ‘Schriftelijk’ schrijft en traint zij voor uiteenlopende opdrachtgevers. Meer weten over Dubio of inschrijven voor de mailinglist? Zie: www.dubio-boek.nl

Vervelen

Ik begrijp het oprecht niet als iemand tegen me zegt: ‘ik verveel me’. Ik heb me misschien twee of drie keer verveeld in mijn leven, dus ik kan me wel vaag herinneren hoe het voelt, maar ik heb altijd het gevoel alsof ik tijd tekort kom.

Ik heb mijn televisie vijftien jaar geleden al de deur uit gedaan, ik heb toegang tot Netflix maar kom er niet aan toe, en zelfs mijn Cineville pas gebruik ik veel minder dan ik zou willen. Een keer in de week naar de film lukt me niet, een keer in de maand zelfs niet.

Vaak loop ik langs dezelfde huizen en altijd zitten de bewoners op de bank naar de televisie te kijken. Ik heb dat ding nog geen moment gemist.

‘Wat doe je dan heel de avond?’ krijg ik vaak te horen. Echt, ik heb geen idee, maar ik kom altijd tijd tekort. Doe ik misschien alles extreem traag en heb ik het niet in de gaten? Of loopt de tijd sneller voor mij, is het persoonsgebonden? Dat laatste is natuurlijk wel waar. Tijd, de perceptie van tijd, is relatief. Dat is het hele probleem.

Ook het jaar dat ik niet op kantoor werkte en alle tijd kon besteden aan het schrijven, is absurd snel voorbij gevlogen. Ik ben nu met een boek bezig, maar er liggen er nog drie die ik eigenlijk had moeten schrijven afgelopen jaar. Waar blijft de tijd?

Vanuit het kantoor van mijn vorige werkgever keek ik soms verlangend naar het bejaardenhuis aan de overkant. Niet langer omdat ik een zwak voor oudere mannen heb (daar ben ik overheen gegroeid), maar om niets meer te hoeven. Beetje lummelen, heerlijk. Dat kan ik goed, tijd verlummelen, en daar geniet ik dan ook van. Vervelen is het zeker niet.

De definitie van verveling is: Een onaangenaam gevoel van lusteloosheid, van desinteresse, van hangerigheid, grenzend aan ergernis. Verveling treedt op als alle dingen die leuk en interessant zijn om te doen niet kunnen of niet mogen, en men toch geen zin heeft om niets te doen.

Wat ik wel heel goed kan, is alle dingen die leuk en interessant zijn om te doen, gáán doen omdat ik vind dat ik ze moet doen voordat ik datgene kan gaan doen wat ik eigenlijk moet doen.

Snap je? Procrastination. Ik heb er nog geen goed Nederlands woord voor gevonden. ‘Uitstellen’ klinkt te passief want het is heel actief bezig zijn met onbelangrijke dingen.

Maar is dat het tegenovergestelde van vervelen? Ik denk het wel, maar volgens synoniemen.nl is het antoniem van vervelen: Amuseren, onderhouden, vermaken.

Ook mooi. Dus ik verveel me nooit, ik vermaak mezelf te erg. Dat klinkt toch beter dan ‘ik heb het heel druk’. Toch?

‘Hoe is het?’

‘Ik onderhoud mezelf heel erg.’

 

New York, tien jaar later

Nog vijf weken, dan hoop ik sinds lange tijd weer te landen op John F. Kennedy-vliegveld.

Ik kan niet omschrijven hoezeer ik ernaar verlang om weer door de straten van New York te lopen. Met slechts een paar dagen verschil zal het tien jaar geleden zijn dat ik daar voor het eerst voet op Amerikaanse bodem zette.

Tien jaar geleden waren ik en een groep fantastische mensen om mij heen dag in, dag uit bezig om mijn huis weer bewoonbaar te maken, want dat had ik net helemaal gestript.

Tien jaar geleden sliep ik ongeveer vijf uur per nacht, rookte ik twee pakjes sigaretten op een dag, dronken we een fles port op een avond leeg. Gekkenhuis. Het huis werd opgeknapt en ik pleegde roofbouw op mijn lichaam, maar mijn hemel, what a rush!

Afgelopen zondag, tijdens een lunch bij Post, hebben we met z’n vijven (“Team New York” dat 21 september in het vliegtuig stapt) zitten mijmeren wat we allemaal willen zien, doen, drinken, eten.

Ik wil dumplings eten in Chinatown, dikke deegballetjes, gevuld met varkensvlees, die een klein Chinees omaatje net heeft zitten draaien in de hoek van de zaak. En een punt peperoni pizza waar drie eetlepels vet vanaf druipt als je hem dubbelvouwt en naar je mond brengt.

Ik wil live muziek zien en horen in The Village Underground en dan hoop ik dat Steve nog bij de deur staat want die is twee meter bij twee meter en geeft de beste bear hugs die er bestaan.

Ik wil met de oordopjes van mijn iPod in, en mijn favoriete nummers op, over 6th Avenue lopen en de mensen bekijken die me in tegenovergestelde richting passeren.

Ik ga in ieder geval één oude date uit mijn boek ontmoeten. Ik ga ex-collega’s ontmoeten. We gaan naar de memorial van 9/11 die inmiddels gereed is. We gaan brunchen bij Kosta in Windsor Café, in mijn oude buurtje. Ik ga mijn oude huis opzoeken. We gaan naar High Line Park en naar Basta Pasta.

Misschien ga ik Tinder wel aanzetten en weer eens ouderwets op een date in New York. For old times’ sake.

Ik heb het nog heel vaak over de stad. Ik dacht dat dat wel over zou gaan na verloop van tijd, maar nee, het hart is er nog steeds vol van. Spijt heeft geen zin en ik heb in de tussentijd veel mooie dingen mogen beleven die ik anders nooit had meegemaakt, maar ik zal me daar, de uitlaatgassen van de duizenden gele taxi’s opsnuivend, waarschijnlijk vaak afvragen waarom ik ook al weer ben teruggegaan naar Nederland. Ik weet niet welke van de twee vluchten ‘thuiskomen’ is.

 

Weer aan de slag

Beste lezers (‘dames en heren’ mag niet meer, begrijp ik), bij voorbaat excuses voor een lichtelijk inspiratieloze blog vandaag, ik ben namelijk sinds deze week weer fulltime aan het werk op kantoor. Jaja.

Ja, het zal jullie ook verbazen, maar de adverteerders stonden niet in de rij om te mogen adverteren op mijn blog, door omstandigheden (aka het leven) staat mijn bestseller nog niet op papier en de schrijfopdracht waar ik mee bezig ben is leuk en uitdagend, maar gaat niet heel lang in mijn levensonderhoud voorzien.

Toen kwam er een offer I couldn’t refuse (en dat is letterlijker dan je zou denken). Dus met frisse moed ben ik systemen, wachtwoorden, processen en vooral veel namen aan het leren. Heel veel namen. Dat is best vermoeiend. Wat ook vermoeiend is de drukte van de mensen om je heen als je lange tijd hebt mogen genieten van de rust op je zolderkamertje. Daar groei je ongemerkt in, in de rol van kluizenaar.

Wat ook een vreemde gewaarwording is, is dat je weer in een andere versnelling moet gaan leven. Ik weet dat ik veel meer gedaan krijg als ik het druk heb, dus daar kijk ik naar uit, maar voordat je op tempo bent, dat duurt even. Dat is als een zware fiets op gang krijgen; als je eenmaal op tempo bent dan gaat het wel, maar op tempo komen…

Even keuzes moeten maken dus. Ik heb mijn opleiding (de schrijversvakschool) een half jaartje op pauze gezet, dat kan gelukkig, en ik sla een cursus boetseren over. Heel erg jammer, maar het is even niet anders.

Ik heb gemerkt dat ik drie bordjes in de lucht kan houden; de drie belangrijkste dingen die je tijd in beslag nemen. Bij een Time Management cursus van de American Management Association in New York kregen we een beeldend voorbeeld: Een vaas. Keien. Kiezels. Zand. De vaas staat voor jouw tijd, de stenen en het zand voor je taken en bezigheden. De keien hebben de grootste prioriteit of die zijn het belangrijkst voor je. Het zand met minst belangrijk.

Als je het zand eerst (in de vaas) doet, dan de kiezels, dan de keien, dan gaat het niet passen. Maar draai je het om, maak je eerst ruimte en tijd voor de keien, dan lijkt de vaas misschien al vol, maar als je de kiezels erover strooit dan nemen ze de tussenruimte in beslag en hetzelfde geldt voor het zand.

Drie grote keien dus. Voor mij zijn dat de komende maanden: werk, schrijfopdracht (boek) en sporten (afvallen). Voor veel mensen zullen twee van de drie werk en gezin en/of relatie zijn. Hou je nog één wens over. En? Wat zijn de drie belangrijkste dingen die jouw tijd verdienen?