Het is tijd

En dan ineens is het afgelopen. Dan loop je de aula van het uitvaartcentrum binnen en denk je onwillekeurig aan alle andere keren dat je hier ook was. De familie, vrienden, bekenden en collega’s die je ook hebt weggebracht. We hebben het over ‘onze’ doden op een uitvaart. Het gaat niet alleen om die ene persoon die recentelijk overleden is, het gaat ook een beetje om al de mensen die we gaandeweg verloren zijn.

En je denkt aan de mensen waar je bijna afscheid van hebt moeten nemen, maar nog niet. Zij die nog wat extra tijd gekregen hebben. Maar de dag gaat wel komen dat ze er niet meer zijn, begrijp je nu. En de dag dat iemand er niet meer is komt altijd onverwacht, zoals bij de vrouw waar we vandaag afscheid van nemen. Slechts 55 jaar, overleden in haar slaap. Het had een ieder van ons kunnen zijn, waarom niet, en een deel van onze tranen is te wijten aan onze schrik.

Er zijn dagen dat een bijna verlammende angst me overvalt. Paniek. Het kan ineens afgelopen zijn. Ik probeer er niet over na te denken, want zo kun je niet leven, maar ik voel de haast. Ik wil nog zoveel doen, maar… het kan ineens afgelopen zijn.

Doorgaans nemen we alles en iedereen zo gemakkelijk voor lief zolang het er is. Tot het er niet meer is. Vrienden, familie, maar ook dingen als je baan, al je foto’s op je laptop, je internettoegang, het stromend water uit de kraan, de elektriciteit. We denken er niet bij na, maar wat een schok als iets of iemand ineens wegvalt. Wat een klap als de tijd voor mensen om je heen ineens op is.

Wat zou een dag waard zijn, vraag ik me wel eens af, als je tijd onderling zou kunnen kopen en verkopen. Hoeveel zou je voor een etmaal betalen en hoeveel zou je er voor willen ontvangen? Hoeveel geef je om jouw tijd? Zonder te weten hoeveel tijd je nog hebt, dus zonder dat je weet wat jouw balans is (als we een ‘balans’ hebben).

Misschien ‘verkoop’ je vijf dagen en blijkt dat je er nog maar tien had. Maar misschien heb je er nog 7300 en merk je weinig van die vijf dagen minder.

Het zou kunnen dat je er vijf koopt en dat je er na twintig tevreden jaren achter komt dat ze overbodig waren, maar misschien zijn het net de vijf dagen die er voor zorgen dat je je dochter weg kunt geven op haar bruiloft.

Soms zie ik mensen dagen niets doen, avond aan avond op de bank achter de televisie zitten. Zouden zij hun dagen gemakkelijk en goedkoop van de hand doen? Onverschillig over hoeveel ze er nog hebben? Tijd heeft voor iedereen een andere waarde, een andere betekenis. Tot het op is. Tot het tijd is. Schaarste bepaalt de waarde en als de dagen zijn geteld, is tijd het meest kostbare, het meest onbereikbare wat er is.

Kanjer(s)

Diep in het verste hoekje van het Amsterdam Centraal station kun je je koffer tijdelijk opslaan. Beter gezegd: je kunt een kluisje huren waar je in op kunt slaan wat je wilt, maar in mijn geval is dat dus een koffer. Erg handig. Het enige probleem is dat het een gedeelte van Amsterdam Centraal is waar je liever niet wilt zijn.

Wanneer je echt het eind van het station hebt bereikt, kom je in een ruimte waar daglicht niet bij kan. Een ruimte die van de vloer tot het plafond betegeld is met zogenaamd vrolijke tegels, in van die verschrikkelijke pastelkleuren. Rijen grijze blokken van kil staal en de lucht van een urinoir.

Bijna alle kluisjes zijn bezet, er wordt dus goed gebruik van gemaakt. Ik wil hier zo snel mogelijk weer weg, dus ik loop op een drafje langs de metalen muren tot ik een beschikbare bewaarplaats vind. Ik druk automatisch – zonder er bij na te denken – de deur van het kluisje dicht en hoor ‘klik’.

‘Hé,’ breng ik verbaasd en verontwaardigd uit. Wat vreemd dat het meteen op slot gaat, dat is nogal drastisch. De kluis weet helemaal niet wie ik ben en heeft me ook nog niet laten weten hoe ik mijn tas er t.z.t. weer uitkrijg.

Rechts van mij staat een Duitse dame over de betaalautomaat voor de kluisjes gebogen. Zij is al net zo in de war als ik. Haar kluisje, rechts van haar, gaat niet dicht terwijl haar zoontje van een jaar of zes het deurtje probeert dicht te houden. Ze krijgt wel een ticket. We begrijpen er helemaal niets van.

‘Gaat u maar,’ mompelt ze in het Engels terwijl ze niet begrijpend naar het bonnetje kijkt. Ik krijg het niet voor elkaar om te betalen, of om zelfs maar mijn kluisnummer in te toetsen en ik krijg dus ook geen ticket. Hoe krijg ik dan in hemelsnaam mijn koffer weer terug?

De vrouw en ik kijken elkaar aan.

‘Begrijpt u het?’ vraag ik aan haar. Ze schudt haar hoofd. We nemen de situatie samen door.

‘Mam…’ begint haar zoontje zacht. De moeder maakt een sussend gebaar naar haar zoontje terwijl we de betaalautomaat en de bon samen bestuderen.

‘Maar Mam…’ probeert hij nog een keer. Hij trekt nu zachtjes aan haar jas.

‘Nu even niet, lieverd,’ zegt zijn moeder niet onvriendelijk. Het jongetje zucht en wijst demonstratief naar iets naast hun kluis. Zijn lippen stijf op elkaar. Als er een bedachtzame stilte valt, tussen zijn moeder en mij, neemt hij toch zijn kans waar.

‘Mam, déze automaat hoort bij déze kluisjes,’ hij wijst naar de safes aan mijn kant, ‘en déze bij de onze.’ Hij staat naast een tweede betaalautomaat, anderhalve meter verder.

‘Wat goed van jou!’ roepen we in koor. Kanjer.

De vrouw geeft mij het ticket dat voor mijn kluisje bestemd is (zij betaalde op het moment dat ik de deur dicht deed) en betaalt nu ook haar eigen kluisje. Ik had natuurlijk haar kluisje moeten betalen, dan hadden we ons een hoop tijd en moeite kunnen besparen. Maar nee, zo scherp waren we op dat moment dus niet.

‘U krijgt zeven euro van mij,’ zeg ik, ‘maar ik heb geen contant geld. Ik zal even moeten pinnen.’ Het duo loopt aarzelend met me mee en we vinden een pinautomaat. Ik sluit achter de lange rij aan. Ik glimlach verontschuldigend naar moeder en zoon. Het jongetje klampt zich aan zijn moeder vast. Hij zeurt niet, maar het is duidelijk dat hij allang klaar is met dit avontuur en deze troosteloze omgeving. Hij wil hier ook weg.

Ik pin twintig euro, maar dan moet ik nog wisselen natuurlijk. Kauwgum kopen dan maar. Ik sleep het stel mee van de pinautomaat naar de kiosk en daar koop ik een pakje kauwgum. Bij de kassa zie ik stroopwafels liggen. Kanjers. Die neem ik ook mee.

Ik geef de vrouw haar zeven euro en geef de koeken aan de jongen.

‘Dit zijn echte Nederlandse koeken,’ zeg ik er bij. ‘Er zitten er twee in, dus misschien wil je delen met mama?’

Liever niet, zie ik hem denken, maar hij knikt toch.

Kanjer.

Mijn tweede boek, in grote ‘lijnen’

Ik vloek niet snel, maar twee weken geleden stond ik toch even flink te tieren. Ik stond op de weegschaal.

Aan het begin van dit blog schreef ik over goede voornemens, en doelen stellen en over hoe ik vorig jaar twintig kilo lichaamsgewicht was kwijtgeraakt. Dat zijn er uiteindelijk zesentwintig geworden, maar daarvan hebben er acht mij weer teruggevonden. Daarom liet ik mij even wat nare woorden ontglippen.

Ik neem alle verantwoording: elk pondje gaat door het mondje, maar verdorie, niet alles hoeft toch te blijven plakken? Kunnen we niet een dag in de week afspreken waarop mijn lichaam een oogje toeknijpt en zegt: “Oké, meissie, alles wat ik vandaag niet nodig heb, zal ik laten passeren. Oké? Moet je de andere zes dagen wel goed je best doen. Goed?”

(Overigens een hele schappelijke methode die veel mensen daadwerkelijk toepassen: 6 dagen goed opletten en 1 dag nergens op letten)

In de afgelopen weken, nu ik weer een beetje tijd heb om te denken na de lancering van mijn eerste boek, heb ik de volgende twee dingen besloten:

  • Ik ga weer vol frisse moed aan mijn gewicht en gezondheid werken. Er moet in ieder geval twintig kilo af. Het schijnt goed te zijn om je goede voornemens te delen met mensen, dus bij deze, jullie zijn mijn getuigen.
  • Mijn volgende boek wordt iets in de trant van ‘mijn leven in 40 diëten’ en dan gaan we het eens op een vermakelijke wijze hebben over al die verschillende diëten – die vaak vaak lijnrecht tegenover elkaar staan – en mijn (en jullie?) ervaringen.

Eerst dacht ik: wat weet ik nou over lijnen?! Kijk naar me, ik ben er duidelijk heel erg slecht in. Maar toen bedacht ik me: er zijn maar weinig mensen die zoveel ervaring hebben met afvallen als ik. Ik zit al vanaf mijn twaalfde op dieet. Dat overdrijf ik niet want op mijn twaalfde woog ik 120 kilo – en ook dat overdrijf ik niet – dus ja, ik ben niet alleen een zogenaamde dating-professional, ik ben ook een dieet-professional!

Een beetje liefde. Dankjewel, vreemdeling

Er zijn een paar dagen in de maand waarop een vrouw een beetje extra liefde nodig heeft. Dat kunnen we allemaal gebruiken, elke dag, maar voor mij persoonlijk geldt dat ik de paar dagen voor díe tijd van de maand een onverzadigbare behoefte voel aan knuffels, schouderklopjes en figuurlijke aaien over mijn bolletje. Dat mag je best van me weten. Het is volkomen irrationeel natuurlijk want als er iemand een bofkont is met alle aandacht en met zo veel lieve en liefdevolle mensen om mij heen, dan ben ik het wel, maar ja… hormonen he?!

Deze maand voel ik het misschien iets sterker dan anders, ten eerste omdat ik van een hele grote roze wolk kom. De heerlijke warme, donzige wolk van aandacht rondom de publicatie van mijn boek. The higher you climb, the harder you fall.

Ten tweede omdat ik gisteren meedeed aan het baarmoederhalskanker bevolkingsonderzoek waar elke vrouw, vanaf haar dertigste, elke vijf jaar voor wordt uitgenodigd. Niet het meest plezierige onderzoek. Al is het niet echt pijnlijk, het is op z’n minst gezegd een keuring waarbij je je erg kwetsbaar voelt, zo op de dokterstafel met je benen in de beugels. Ook dat mag je weten.

En zo waren er nog een paar aanleidingen deze week om me rot te voelen, waar ik niet over wil zeuren, want aanleidingen zijn altijd ruimschoots voorhanden (en lijken altijd veel erger dan ze zijn) als je je in die aparte dagen dreigt te verliezen in dat hormoongestuurde zelfmedelijden. Op andere dagen stap je er zo overheen.

Wat ik maar wil zeggen is dit: deze maand viel het me zwaar en vanochtend vertrok ik in een (voor mijn doen) kwetsbare staat naar Londen.

Alles verliep soepel: het openbaar vervoer werkte mee, het inchecken en alle controles gingen snel, het broodje en de koffie op het vliegveld waren lekker. De vlucht was prima (twee stoelen voor mij alleen), de metro in Londen liet me nog geen minuut wachten en de kamer in het hotel was ook al klaar voor me. Ik vond zonder moeite de locatie van de conferentie en de dozen, met daarin de promotionele materialen voor op onze tafel, stonden keurig op me te wachten. Echt, alles liep op rolletjes. Maar toch… maar toch dat lege gevoel. Het zijn ook de dagen dat ik erg veel trek heb. Een onstilbare honger naar voedsel, naar liefde, naar aandacht. En dat alles door je hormoonhuishouding. Het is toch wel erg verwonderlijk allemaal, ik blijf me erover verbazen.

Nadat ik de tafel had klaargezet voor de volgende dag, ben ik even door het parkje gelopen dat tussen het congres en mijn hotel lag; Russel Square Gardens. In een Italiaans tentje in het midden van het park bestelde ik wat te eten en wat te drinken (echt, twee dagen lang ben ik Holle Bolle Gijs). Ik nam plaats op het terras en pikte nog wat zon mee. Ik zat loom op mijn focaccia-spinazie tosti te kauwen en wat voor me uit te staren toen er een lange, slanke, donkere man voorbij liep. Ik keek niet naar hem, maar ik zag wel wat hij deed. Hij stopte en draaide zich om. Hij liep op me af en kwam naast mijn tafeltje staan. Pas toen keek ik hem aan. Ik schatte hem begin dertig. Hij maakte een hele kleine, beleefd buiging en zei:

Excuse me,” in het prachtige Britse Engels, “I would just like to say that I think you are really beautiful.”

Ik glimlachte naar hem en knikte beleefd terug.

Thank you,” zei ik met nadruk en volkomen oprecht. Hij knikte ook nog een keer en liep verder. Dat was nou precies wat ik nodig had, dacht ik bij mezelf en moest grinniken om dit kleine voorval. Dankje, vriendelijke vreemdeling. Dankjewel.

Russell Square Gardens
Russell Square Gardens

Geen paniek!

Nog even over afgelopen donderdag, de dag van mijn boekpresentatie: zoals ik vorige week al schreef, had ik ’s middags een interview bij Radio EenVandaag. Daarna moest ik op een drafje naar mijn eigen boekpresentatie in Dordrecht.

Wat ik nog niet verteld heb is wat er aan het interview vooraf ging en hoe die zweetplekken op de foto’s terecht zijn gekomen.

Ik had me ’s ochtends al aangekleed voor de boekpresentatie. Zal ik een schone top meenemen, dacht ik nog, voor als ik erg ga zweten ofzo? Maar nee, overdreven. Het was warm, maar zo warm was het nou ook weer niet en bovendien, het was toch vroeg zat, ik zou alles op m’n gemakje doen.

Wel had ik mijn knapzakje gepakt met daarin:

  • Mijn hoge hakken. (Erg New Yorks om je slippers of gympen te dragen en je stiletto’s in je hand of handtas te houden)
  • Deodorant roller, haarborstel, make-up.
  • Een exemplaar van mijn boek. (Als een beetje schrijver kun je niet meer de straat op zonder)
  • Boekenleggers die ik overal ‘nonchalant’ achterlaat in de trein. (Guerrilla marketing)
  • Mijn thermosbeker met kamillethee. (Ook een erg New Yorkse gewoonte, plus de thee houdt de stembanden vochtig)
  • Twee notitieboekjes. Eentje met aantekeningen voor het interview (geheugensteuntjes) en aantekeningen voor mijn Pulitzer Prize speech die ik staand bovenop de tafel zou gaan houden nadat Bart, mijn uitgever, de presentatie zou hebben geopend. (Dit is er allemaal niet van gekomen overigens, we hebben geen van beiden een praatje gehouden, dat liep gewoon anders)
  • Drie Pilot pennen. (Die schrijven zooooooo lekker!)
  • Oplaadkabels voor mijn iPod Touch en iPhone.
  • Bovengenoemde iPod Touch en iPhone.
  • Een banaan.

Dan ben je toch goed voorbereid, toch?

Na de lunch reisde ik in alle innerlijke rust af naar Hilversum, station MediaPark om precies te zijn, via Utrecht Centraal. Toen ik op Utrecht stond werd al meteen duidelijk dat de Sprinter – die ik wilde en moest nemen naar MediaPark – uitviel. De volgende zou pas over een half uur gaan. Geen paniek! Dan zou ik nog steeds op tijd zijn.

Ik daalde de trappen af naar het perron. Een briesje deed mijn lange rok gemoedelijk wapperen, ik deinsde een beetje mee op de muziek die via mijn oordopjes mijn trommelvlies streelde. Het leven was goed… tót het bord – zonder enige waarschuwing – ineens aangaf dat ook deze trein niet zou gaan rijden. Nee! Geen paniek. Geen paniek.

Snel, op de app, wat zijn de opties? Bus? Nee, niets. Er was verder helemaal niets aan openbaar vervoer wat een ontluikende schrijver naar het MediaPark kon brengen. Twee sprintertjes per uur. Dat was het. Taxi!

Nou had ik er ervaring mee, ik was immers niet al te lang geleden ook gestrand op Utrecht Centraal. Ik wist de taxistand dus meteen te vinden. Ik liep op de voorste auto af. Mooie, comfortabele auto. Daar kon ik best mee aankomen in Hilversum. Een chauffeur, ik vermoed van Turkse afkomst, kwam me glimlachend tegemoet lopen.  Hij stond aan de overkant en hij had recht op het volgende ritje. Hij maakte een uitnodigend gebaar naar zijn vervoer. Een Volkswagen bus.

‘Dat busje?’ vroeg ik teleurgesteld.

‘Ja’. Hij lachte vriendelijk.

‘Helemaal voor mij alleen?’ probeerde ik nog, maar hij hield de deur al voor me open.

‘Waar wilt u naar toe?’ vroeg hij.

‘Naar het MediaPark in Hilversum. Journaalplein 1.’

De jongeman ging aan de slag met zijn navigatie.

‘MediaMarkt?’

‘Nee! Nee! MediaPark! MediaPark!’ Nu raakte ik wel licht in paniek.

Het was ontzettend heet in de bus, dus hier begon ik flink te zweten. ‘Mag het raam misschien open? Het is zo warm,’  vroeg ik. De chauffeur zette de airconditioning aan, maar terwijl hij in de kou zat, was het achterin nog heel heet. Had ik nou toch maar een schone top meegenomen.

‘Journaalplein? Kunt u dat voor me spellen?’ vroeg hij. De navigatie pikte het niet op.

‘Zal ik het proberen?’ vroeg ik.

‘Tja,’ zei hij terwijl hij me het apparaat overhandigde, ‘de navigatie is drie jaar oud, misschien staat het er nog niet in.’

Ik kreunde en gaf de navigatie terug. Ik had deze ingesteld op de Mies Bouwman-boulevard in de buurt. Voor de zekerheid zette ik de navigatie op mijn iPhone ook aan het werk. Ik stuurde de zeer kalme, beleefde chauffeur van Utrecht naar mijn bestemming. Een kwartier voor mijn geplande optreden kwam ik het NOS gebouw binnen.

‘Ik kom me zo melden, eerst even naar het toilet,’ zei ik, in het voorbijgaan, tegen de receptionist. Daar knapte ik mezelf weer een beetje op en haalde een paar keer diep adem. Geen paniek! Ik ben er. Ik ben op tijd. Een paar minuten later stond ik op de redactie en keek tevreden toe hoe Suzanne Bosman en Jan Mom de gasten voor mij interviewden, over bier en over de Grexit.

Het leven was goed.

Zwangerschapsverlof

Dinsdag heb ik een kind gebaard. Na anderhalf jaar persen.

Ik heb het over mijn boek; het is afgelopen dinsdag bezorgd in de boekhandel en bij de mensen die het hadden gereserveerd bij bijvoorbeeld bol.com.

Ik heb deze week daarom vrij genomen van mijn werk. Zwangerschapsverlof. Zo zie ik het. Collega’s maken baby’s van vlees en bloed en ik maak een boek.

En net als met een mensenkind is zwangerschapsverlof niet geschikt om bij te komen, baby’s hebben namelijk ontzettend veel aandacht nodig, en boekjes ook! Zwangerschapsverlof is omdat je geen tijd hebt om te werken (en omdat je er fysiek niet toe in staat bent na een echte bevalling).

Maandag was een rustige dag en kon ik even op adem komen. Beetje emailen, beetje aandacht besteden aan de verschillende social media accounts. Een heel ontspannen dag eigenlijk om mij geestelijk voor te bereiden op mijn allereerste radio interview!

Dinsdagochtend was ik om half negen te gast bij Radio Rijnmond. Beluister het interview hier (audio opname onderaan de pagina).

Met de ‘geboorte’ – of verschijning moet ik natuurlijk zeggen – op dinsdag kwamen er de nodige felicitaties. Hartverwarmend, maar ik kan je vertellen dat ik de hele dag op de diverse social media platformen heb doorgebracht, in mijn verschillende email inboxen en op de whatsapp. De dag vloog voorbij, bijna volledig doorgebracht in de virtuele wereld. Niet erg want het stormde behoorlijk in de echte wereld!

Woensdag hebben Eduard de Boer (De ReputatieCoach) en ik, de ReputatieCoaching Podcast aflevering 131 voorbereid, tenminste, mijn gesprekje met hem wat hierin is verwerkt (beluister het resultaat hier).

Als je een online reputatie op wilt bouwen, om wat voor reden dan ook, dan kan ik je aanraden alle andere 130 afleveringen ook te beluisteren of je in ieder geval (gratis) te abonneren op de podcast via bijvoorbeeld iTunes, zodat je ze niet meer mist. Nuttige tips voor onder andere ondernemers en bloggers!

Diezelfde middag had ik een interview met het plaatselijke weekblad De Stem van Dordt. Het stuk zal waarschijnlijk 10 juni geplaatst worden. http://www.deweekkrant.nl/de_stem_van_dordt

Woensdag heb ik ook gebruikt om een aantal exemplaren van mijn boek te signeren en te verpakken voor mijn familie, mijn proeflezers en de mensen die mij op een andere manier hebben geholpen.

Verder is het deze week: goed slapen, veel sporten en gezond eten, want het klinkt misschien niet als veel werk, maar het is topsport!

Vandaag is het donderdag en vanavond wordt mijn boek feestelijk gepresenteerd in boekhandel Vos & van der Leer in Dordrecht. We verwachten ongeveer 100 mensen, dus dat wordt reuze gezellig! (Bekijk de foto’s hier)

Deze dag begint met een interview voor de website van het blad Libelle (lees het hier). Dan in de middag, rond 15.30 uur, ben ik te gast bij Radio EenVandaag (beluister het hier). Met het openbaar vervoer kom ik niet op tijd terug in Dordrecht voor mijn eigen boekpresentatie, dus heeft de redactie van Radio EenVandaag – heel attent – een taxi voor me geregeld om me terug te brengen. Dat wordt met zwaailichten over de A27! Ha!

Ik was weer gewend aan het Nederlandse ‘doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg’, maar mijn New York attitude komt meteen weer bovendrijven na deze week!

😉

Tijd en de Oase

Ik zat afgelopen weekend in The Oasis Boutique Hotel in Zuid Afrika, ergens tussen Johannesburg en Pretoria. Het vliegticket Johannesburg – Amsterdam was 1000 euro duurder als ik op vrijdagavond zou vliegen in plaats van op zondagavond, dus bleef ik het weekend ‘verplicht’ in Zuid Afrika. Er zijn ergere plaatsen om het weekend door te brengen natuurlijk.

Ik zocht een hotel waar ik comfortabel het weekend door kon brengen, en met comfortabel bedoel ik: een hotel met goedwerkend internet en de mogelijkheid om drie maaltijden per dag te bestellen. Ik vond dit hotel en het was perfect.

Het is vrijdagavond. Het avondeten moeten we van tevoren bestellen en de kok roept ons wanneer het eten geserveerd wordt. Het diner – hier volgens de Engelse traditie supper genaamd – staat klaar in de dining room. De vier gasten van het hotel zijn aan één tafel geplaatst. Ik deel het hotel deze avond met een ouder stel uit Botswana, Jerry en Fran, en een hele lange Schotse man van begin vijftig die luistert naar de naam Martin.

Bron: www.oasis.sa.com
Bron: http://www.oasis.sa.com

We praten eerst over de stroomvoorziening in zuidelijk Afrika. Jerry en Fran vertellen ons dat er veel corruptie en mismanagement is bij de aanleg en het beheer van de energiecentrales. Hierdoor is de stroomvoorziening in Zuid Afrika en in Botswana (wat voor de helft afhankelijk is van de stroom die ze van Zuid Afrika koopt) een enorm probleem.

We komen op de vraag wat Martin voor de kost doet en waarom hij alleen in Zuid Afrika is.

‘Ik werk niet meer,’ zegt Martin. Er zit nog een vervolg aan deze zin, maar hij twijfelt. Hij kijkt ons een voor een aan.

‘Oké,’ zegt hij uiteindelijk, ‘ik zal het jullie vertellen. Ik ben terminaal.’

Wat nemen we alles toch gemakkelijk voor lief. Electriciteit, internet, onze gezondheid, ons lichaam en het leven dat ons gegeven is.

Martin vertelt dat hij multiple sclerosis (MS) heeft, in combinatie met nog een andere neurologische aandoening waar ik de naam van vergeten ben. Dubbelop dus. De volgende dag zullen zijn twee nichten in het hotel aankomen en zal hun avontuur door Zuid Afrika gaan beginnen, the trip of a lifetime, zoals Martin zegt. De vraag van de afgelopen weken was of hij het fysiek aan zou kunnen, maar het gaat goed met Martin hier in The Oasis, deze oase van rust en luxe.

Doctoren geven hem nog twee jaar, maar dat zegt maar weinig. Soms gaat het sneller en soms, bijvoorbeeld in het geval van Stephen Hawking die ALS heeft, overleeft de patiënt de gegeven termijn met vele jaren.

Jerry en Fran gaan na het dessert naar hun kamer. Martin en ik praten de rest van de avond over hoe hij heeft ontdekt dat hij MS heeft, hoe hij emotioneel door een diep dal is gegaan en heeft geprobeerd om een eind aan zijn leven te maken, hoe hij inmiddels gescheiden is en hoe hij plannen heeft gemaakt voor zijn verzorging en zijn uitvaart. Het is een intens maar heel mooi en openhartig gesprek.

‘Heb geen medelijden met me, Diana,’ zegt Martin als we afscheid nemen voor de nacht. Hij heeft ook absoluut geen zelfmedelijden. Hij lijkt te genieten van elke goede dag die hij heeft. Hoeveel waardering heeft de gemiddelde mens voor een goede dag?

Het is ook geen medelijden wat ik voel. Op een manier is het een prachtig geschenk wat Martin gekregen heeft: een deadline.

‘Had je hier gezeten als je dit nieuws niet had gekregen?’ vraag ik hem.

‘Nee,’ geeft hij toe.

Natuurlijk, ik vind het lijden, het ongemak, de pijn en de angst die Martin ongetwijfeld te wachten staat heel erg, dat raakt me, maar terminaal zijn we allemaal. Teveel vrienden zijn geplukt in de bloei van hun leven. Zonder enige waarschuwing. Martin heeft iets heel waardevols gekregen: tijd. Tijd om de dingen te doen die hij wil doen voor hij doodgaat, tijd om afscheid te nemen van vrienden en familie, tijd om afspraken te maken over het punt waarop hij zelf wil beslissen of hij blijft vechten of niet. Ik geloof dat Martin zijn tijd optimaal gaat gebruiken en ik ben blij voor hem.

Inmiddels ben ik weer terug in Nederland. Ik kom van de sportschool. Personal trainer Frank heeft er weer flink de zweep overheen gelegd en mijn spieren doen zeer. Een heerlijke pijn. Een dankbare pijn. Ik eet een appel en loop op mijn gemakje. De zon schijnt, de kleuren zijn helder vanavond. De mensen mooi. Hollands welvaren. God, wat hebben we toch allemaal een ongelooflijke potentie. Iedereen. Dat is het gevoel dat ik me herinner van New York bedenk ik me als ik loop: het gevoel van de endless possibilities die we hebben.

Live up to your potential, lieve lezer, je hebt nog tijd. Wacht niet tot je een deadline krijgt.

Zombies

Ik ben in Zuid Afrika op het moment. Het is een lange vlucht (11 uur) van Amsterdam naar Johannesburg. Het vliegtuig zit vol zombies, ze dwalen door de cabine, op zoek naar een comfortabele plek en positie. Een U-vormig nekkussen rust op hun schouders, ze dragen trainingspakken, sokken en pantoffels. Ze slepen een deken achter zich aan. Ze lezen boeken en kijken films, ze eten uit verveling. Alles om zich maar thuis en gemakkelijk te voelen. En dan is dit nog de dagvlucht! De terugweg is een 11 uur durende nachtvlucht. Dat is pas echt angstaanjagend.

Ik slaap nauwelijks in een vliegtuig, dus ik zie ze: de bleke, grauwe, uitdrukkingsloze gezichten van mijn medepassagiers die ook niet kunnen slapen. We werpen jaloerse blikken op de mensen die wel liggen te ronken in hun stoel.

Ik land zondagavond in Johannesburg en word opgepikt door een taxi service. Altijd leuk als er iemand staat bij de uitgang met mijn naam op een stuk papier: iemand die op me wacht, al is het maar voor even en voor geld. Zijn naam is Ezekiel. Hij brengt me naar mijn hotel en Mary van het kleine boetiek hotel brengt me naar mijn kamer. Het is 23.00 uur. Om 5.30 komt mijn Zuid Afrikaanse collega me ophalen want we moeten 4 uur rijden naar een universiteit vlak bij de grens met Botswana. Op de universiteit houden we een presentatie van 2 uur en vervolgens rijden we weer 4 uur terug. Je ziet: tot nu toe druipt de glamour en het avontuur er vanaf.

De volgende twee dagen hebben we een beurs in een conferentiehotel. Dan zitten we hier opgesloten, ook voor het ontbijt, de lunch én het diner. Zet ons overal ter wereld neer, het maakt niet uit, het is allemaal hetzelfde. Zombies op de beurs zijn we. De mede-exposanten ken ik van conferenties in Israël, Turkije, Spanje, Engeland en ga zo maar door. Het zijn vluchtige, oppervlakkige vriendschappen die we hebben opgebouwd door de jaren heen.

Er is iets misgegaan met mijn registratie voor het hotel, er staat geen kamer op mijn naam. Nou komt alles wel weer goed, daar maak ik me nooit zo druk over, maar ik krijg waarschijnlijk wel een ‘reserve’ kamer toegewezen. Op de kamer ga ik alle laden en kasten langs, dat doe ik altijd, uit pure nieuwsgierigheid, kijken wat ik nu weer vind. Ik heb beet deze keer: in een van de laden tref ik twee plastic tassen aan, gevuld met pillen! Allerlei soorten pillen. Ik heb niet naar alle doosjes gekeken want om eerlijk te zijn wil ik mijn vingerafdrukken hier niet op hebben! Ik neem een foto, deel mijn verbazing op facebook en lever de tassen vervolgens in bij de receptive.

Pillen Zuid AfrikaDe scenario’s rond de pillen waar ik tot nu toe op ben gekomen, zijn:

  1. Ik stond op het punt om er ingeluisd te worden: Nederlandse opgepakt voor drugsbezit. Dat moet toch wel wat opbrengen.
  2. Iemand is nu verschrikkelijk hard toe aan medische hulp.
  3. Iemand die hier werkt is verslaafd en gebruikt deze kamer om zijn drugs te verstoppen en het te gebruiken.

Ik vrees het laatste, want als ik de verhalen mag geloven is het verslavingsprobleem in Zuid Afrika enorm. Zombies zijn het en ik heb ze gezien: mannen en vrouwen die in de krottenwijken wonen, verslaafd aan drank en/ of lijmsnuiven. Heel erg triest.

Hé … alle zombies nog aan toe, ik  had natuurlijk even moeten kijken of er slaappillen bij zaten voor de terugreis!! Verdorie!

Bezint eer ge begint

Ik heb dit blog geen recht gedaan de laatste paar weken; de verschijningsdatum van mijn boek komt er aan, en zoals het spreekwoord luidt: de laatste loodjes wegen het zwaarst.

Ik klaag niet! I’m living my dream, maar laat me je in grove lijnen vertellen wat er bij komt kijken, bij zo’n boek, voor het geval je denkt: oh ja, een boek schrijven, dat wil ik ook!!

Bron: www.sun4ever.info
Bron: http://www.sun4ever.info

Het schrijven valt eigenlijk wel mee, maar je moet het wel doen. Ik was laatst op een open dag van de Schrijversvakschool en de directeur zei in zijn introductie: ‘De televisie kun je maar beter de deur uit doen.’ Ik heb al 15 jaar geen televisie meer en ik kom nóg tijd te kort. Het moet meer dan een hobby zijn, het moet een beetje een obsessie voor je zijn, een boek schrijven. Stel jezelf ten doel: 500 woorden per dag. Elke dag. Als je een dag overslaat, dan schrijf je er 1000 de volgende dag.

Het boek Stephen King on writing is een aanrader voor de aspirant auteur. Stephen King schrijft minimaal 2000 woorden per dag en komt zijn werkkamer niet uit voor ze op papier staan. 7 dagen in de week, ook op feestdagen.

Als zijn manuscript af is legt hij het minimaal twee maanden opzij. Na de twee maanden herleest hij het en maakt correcties. In zijn geval, met zoveel ervaring, is één zelfcorrectie-ronde genoeg. Oefening baart kunst.

Ik heb mijn manuscript (iets meer dan 70.000 woorden) in 5 maanden geschreven, ik heb het een aantal weken weggelegd en toen heb ik het vele malen herlezen, gecorrigeerd, uitgebreid, ingekort, enzovoort.

Stephen King laat het vervolgens aan zijn vrouw lezen en kijkt graag naar haar gezichtsuitdrukking terwijl ze dat doet. Ik heb mijn boek aan zes verschillende mensen laten lezen. Ik vond het een beetje raar om naar ze te gaan zitten kijken, dus ik heb ze gevraagd om alles wat in hen opkwam – zoals ‘dit moest ik drie keer lezen’, ‘dit vond ik grappig’, ‘hier verloor ik mijn aandacht’ – in de kantlijn te schrijven.

Met alle zes heb ik apart om de tafel gezeten en heb hen om feedback gevraagd. De opmerkingen en correcties heb ik doorgenomen en verwerkt in het script. Een aantal verhalen heb ik eruit gehaald (en dat zijn de Kill your darlings-verhalen op dit blog geworden).

De versie met 40 dates (maar nog steeds 70.000 woorden) is naar de uitgever gegaan. Een uitgever vinden die tijd en interesse heeft om je manuscript te lezen is ver-schri-kke-lijk moeilijk. Uitgevers krijgen soms wel 30 manuscripten per week binnen. Ik heb mazzel gehad, er was een uitgever die interesse had en het wilde lezen, maar voor de meeste debutanten is dit echt het moeilijkste gedeelte. Ze heeft het gelezen, we hebben het contract getekend en ik heb mijn manuscript ingeleverd. Heel even dacht ik dat daarmee het grootste gedeelte van mijn werk erop zat… niet dus.

Er is een redacteur door het script gelopen en heeft elk woord, elke komma, elke zin op een weegschaaltje gelegd. Ik kreeg een volgekrabbeld pak papier terug en mocht de correcties en suggesties gaan verwerken. Dit vond ik het zwaarste proces. Natuurlijk was ik dankbaar dat iemand de tijd en de moeite had genomen om mijn script te verbeteren, en natuurlijk kwam dit mijn boek ten goede, en ja, de correcties waren allemaal goed en nuttig… maar het was wel 280 pagina’s kritiek! Dat komt emotioneel best hard binnen. Na elke 10 pagina’s moest ik even wat anders gaan doen. Taalkundig heb ik er ontzettend veel van geleerd.

De gecorrigeerde versie heb ik vervolgens hardop voorgelezen aan mezelf. Ik heb het opgenomen en weer afgeluisterd. Daar kwamen nog veel correcties uit, zoals zinnen die niet lekker liepen. Ik kan elke schrijver aanraden zijn of haar werk een keer hardop voor te lezen.

Deze versie ging weer terug naar de uitgever. Nu dan klaar? Nee… hier kwam een zetproef uit (heel mooi om te zien) en daar gaat een persklaarmaker, de ‘komma-politie’, mee aan de slag. Ook daar kwamen weer heel veel correcties en suggesties uit. Fijn, want ondertussen werd het script alleen maar beter en strakker, maar jeetje joh, nog meer kritiek! Alle correcties weer doorgevoerd.

De tweede zetproef.

Samen met een vriendin die het nog niet eerder gelezen had nog een laatste keer goed doorgelezen  (32ste keer inmiddels?) en nog steeds kwamen we foutjes tegen. Ongelooflijk.

Maar nu… NU ligt het dan echt bij de drukker. Gelukkig, want 2 juni moet het in de boekhandel liggen. We hebben ongetwijfeld nog wat over het hoofd gezien, maar zoals je leest: we hebben ECHT ons best gedaan.

Ondertussen samen met de uitgever: auteur foto’s maken en kiezen. Cover ontwerpen. Catalogus tekst opstellen. Tekst voor de achterflap. Marketing plan. Persbericht. Boekpresentatie.

Dus ja, ik heb dit blog geen recht gedaan de laatste paar weken, maar hopelijk voor een goed doel! Ik ben zo benieuwd wat jullie van New York in 40 dates gaan vinden!

Anarchic Hand Syndrome

Er zijn mensen, meestal mannen, die na een paar biertjes ineens last krijgen van Anarchic Hand Syndrome. Je staat te praten met iemand, in de kroeg of tijdens een bedrijfsborrel, en je voelt iets tegen je heup, je bil of je been. De hand van de man naast je, is een eigen leven gaan leiden. Ik ken zo’n man, met zo’n hand. Een van mijn vriendinnen noemt hem Mr Hand en dan weten we meteen over wie we het hebben.

Anarchic Hand Syndrome is bijna hetzelfde als Alien Hand Syndrome en de patiënt heeft onder beide omstandigheden geen controle over wat de hand doet. Het verschil is dat de patiënt in het eerste geval wel degelijk de hand herkent als zijnde van hem of van haar, maar in het tweede geval niet. Dan voelt de hand als van een ander, alien dus. Anarchic Hand Syndrome is een groot probleem aan het worden. Misschien kunnen we zelfs spreken van een epidemie.

Natuurlijk is dit gekscherend bedoeld en heeft mijn verhaaltje weinig te maken met deze zeldzame neurologische aandoening en alles met alcohol en brutaliteit.

Ik zat in de F-lijn, één van de metrolijnen in New York. De coupés hebben lange banken aan weerzijden van de wagon, dus reizigers zitten tegenover elkaar. Het was laat op een zaterdagavond en ik was een beetje aangeschoten. De drie mensen tegenover mij ook, het waren een jongen, een meisje en een man. Het meisje van een jaar of vijfentwintig zat in het midden. Ze was in gesprek met de jongen naast haar. De man aan de andere kant, zat met zijn handen op zijn bovenbenen. Hij strekte zijn wijsvinger uit en streelde zachtjes het bovenbeen van het meisje. Ik vond het wel aandoenlijk. Haar vader, dacht ik, die teder contact maakte. Eén vinger werd twee vingers. Met twee vingers beroerde hij aarzelend, en heel traag, haar been. Hij keek er dromerig bij. Het meisje reageerde niet, ze keek niet op of om, maar praatte verder met de jongen. Minutenlang werd ik gebiologeerd door dit minuscule gebaar. De rest van hun lichaamstaal sloot er helemaal niet op aan. ‘Wat klopt er niet aan dit plaatje?’ vroeg ik me af.

Bij een volgende halte stonden de drie tegelijkertijd op. De man keek – zich zogenaamd van geen kwaad bewust – om zich heen en liep een andere kant op. Ze hoorden helemaal niet bij elkaar!

Zou Anarchic Hand Syndrome stand houden in een rechtszaal? Dan zullen veel mannen zich laten diagnosticeren, vermoed ik. Totale anarchie!