Weer aan de slag

Beste lezers (‘dames en heren’ mag niet meer, begrijp ik), bij voorbaat excuses voor een lichtelijk inspiratieloze blog vandaag, ik ben namelijk sinds deze week weer fulltime aan het werk op kantoor. Jaja.

Ja, het zal jullie ook verbazen, maar de adverteerders stonden niet in de rij om te mogen adverteren op mijn blog, door omstandigheden (aka het leven) staat mijn bestseller nog niet op papier en de schrijfopdracht waar ik mee bezig ben is leuk en uitdagend, maar gaat niet heel lang in mijn levensonderhoud voorzien.

Toen kwam er een offer I couldn’t refuse (en dat is letterlijker dan je zou denken). Dus met frisse moed ben ik systemen, wachtwoorden, processen en vooral veel namen aan het leren. Heel veel namen. Dat is best vermoeiend. Wat ook vermoeiend is de drukte van de mensen om je heen als je lange tijd hebt mogen genieten van de rust op je zolderkamertje. Daar groei je ongemerkt in, in de rol van kluizenaar.

Wat ook een vreemde gewaarwording is, is dat je weer in een andere versnelling moet gaan leven. Ik weet dat ik veel meer gedaan krijg als ik het druk heb, dus daar kijk ik naar uit, maar voordat je op tempo bent, dat duurt even. Dat is als een zware fiets op gang krijgen; als je eenmaal op tempo bent dan gaat het wel, maar op tempo komen…

Even keuzes moeten maken dus. Ik heb mijn opleiding (de schrijversvakschool) een half jaartje op pauze gezet, dat kan gelukkig, en ik sla een cursus boetseren over. Heel erg jammer, maar het is even niet anders.

Ik heb gemerkt dat ik drie bordjes in de lucht kan houden; de drie belangrijkste dingen die je tijd in beslag nemen. Bij een Time Management cursus van de American Management Association in New York kregen we een beeldend voorbeeld: Een vaas. Keien. Kiezels. Zand. De vaas staat voor jouw tijd, de stenen en het zand voor je taken en bezigheden. De keien hebben de grootste prioriteit of die zijn het belangrijkst voor je. Het zand met minst belangrijk.

Als je het zand eerst (in de vaas) doet, dan de kiezels, dan de keien, dan gaat het niet passen. Maar draai je het om, maak je eerst ruimte en tijd voor de keien, dan lijkt de vaas misschien al vol, maar als je de kiezels erover strooit dan nemen ze de tussenruimte in beslag en hetzelfde geldt voor het zand.

Drie grote keien dus. Voor mij zijn dat de komende maanden: werk, schrijfopdracht (boek) en sporten (afvallen). Voor veel mensen zullen twee van de drie werk en gezin en/of relatie zijn. Hou je nog één wens over. En? Wat zijn de drie belangrijkste dingen die jouw tijd verdienen?

Geen echte vakantie

‘Ik baal ervan dat ik mijn kinderen geen echte vakantie kan geven.’

Aan het woord is een man die door zijn scheiding met een hoge restschuld zit. Een bekend verhaal voor mensen die in de crisis zich gedwongen zagen het gezamenlijke huis, dat flink onder water stond, te verkopen.

Geen echte vakantie? Wat is een echte vakantie? Hoezo echte vakantie? Wij gingen nooit op vakantie, ik ben daar helemaal niet slechter van geworden. Ja, vroeger, toen ik klein was, gingen we nog wel met de camper op stap. Zo’n prachtige Volkswagenbus met een reservewiel voorop en een dak dat je omhoog kon zetten. Dan had je er nog twee bedden bij, een soort hangmatten waren dat, van strandstoelenplastic waar je met je blote huid aan bleef plakken.

Waar we naartoe gingen weet ik niet eens meer, dat zijn niet de dingen die je onthoudt. Ik herinner me een Duits vriendinnetje op de camping dus we zullen in ieder geval in Duitsland zijn geweest. Ik rende naar mijn moeder voor een vertaling. ‘Kuck mal’ was het eerste Duits dat ik sprak. Van haar moeder kreeg ik een varkenspoot. Om te eten en dat was best lekker. Dat soort dingen vergeet je niet meer, zo’n hoef op je bord.

Maar dergelijke herinneringen kun je toch ook prima opdoen op de camping in Nederland, Duitsland of Frankrijk? Is een vakantie pas ‘echt’ als je er ver voor moet reizen? Het vliegtuig instapt?

Nee hoor, voor mij is vakantie al een lange tijd: thuis. Maar goed, ik verkeerde dan ook in de luxe positie dat ik voor mijn werk veel van de wereld heb mogen zien en liever thuis bleef als ik vrij was.

Ik vind het jammer dat sommige co-ouders denken dat ze hun kinderen tekort doen als ze geen ‘echte’ vakantie kunnen bieden. Wanneer is dat de norm geworden? Wij zijn toch allemaal opgegroeid in een tijd dat de vakanties aan te rijden waren? Dat waren échte, ouderwetse, degelijke vakanties hoor.

 

Al het goede komt in drievoud

Tweeënvijftig weken in een jaar, maar drie goede vriendinnen pikken precies deze week om naar Nederland te komen. Een vriendin uit Australië, een uit Duitsland, een uit IJsland. Twee van de drie logeren bij mij. Uiteindelijk sluit de planning naadloos op elkaar aan, maar bijzonder blijft het wel.

Schitterend, zo’n internationaal leven. Wat is de wereld toch klein, denk je dan, als je via WhatsApp, skype en facebook, contact kunt onderhouden met mensen in Amerika, Afrika en Australië. Niet dat ik erg goed ben in het onderhouden van contacten overigens, maar bevoorrecht voel ik me wel met vrienden en kennissen over de hele wereld.

En hoe bijzonder dat je er binnen 24 uur naartoe zou kunnen reizen, als je wilt. Zo lang is het nog niet geleden dat brieven er maanden over deden en mijn oma een half jaar weg was als ze met de boot naar Nieuw-Zeeland ging om mijn oom op te zoeken. Twee maanden heen, twee maanden daar en twee maanden terug. Of de schreeuwend hoge telefoonrekeningen, ook nog heel recent. Of het extra dun briefpapier voor luchtpost, met een rits postzegels alsof je de koopzegels van de Albert Heijn erop geplakt had. Kortom, de wereld wordt kleiner en groter tegelijk omdat je nu over de hele wereld kunt werken, verliefd kunt worden en vrienden kunt maken.

En hoeveel groter wordt je waardering voor de vrienden die op loopafstand wonen en waar je altijd kunt binnenvallen, want als de nood hoog is, je iemand mist, of elkaar nodig hebt (of denkt nodig te hebben), is elke kilometer, elke meter er één teveel. Dan is de afstand wreed en de wereld ineens veel te groot.

Maar goed, deze week besloten drie lieve vriendinnen naar Nederland af te reizen. Al het goede komt in drievoud, zegt men. Doet me denken aan mijn tijd in New York, de dagen waarin ik met beddengoed en handdoeken liep te sjouwen naar de wasserette, en de bezem weer door mijn appartement haalde om alles weer strak te trekken voor de volgende logés. Fantastisch dat het allemaal kan, denk ik dan.

De dood of de gladiolen

‘De dood of de gladiolen,’ riep iemand vanmorgen. Ik keek opzij. Die heb ik lang niet gehoord, dacht ik. Klinkt wel lekker eigenlijk. Het bleef de hele dag in mijn hoofd zitten. Een strijdkreet die bij tijd en wijle door mijn gedachten schoot, alsof ik last van Gilles de la Tourette syndroom had, maar dan alleen in mijn hoofd.

De dood of de gladiolen! De dood of de gladiolen!

Rare uitdrukking eigenlijk, dus die heb ik even opgezocht en dan kom je (bijvoorbeeld) al snel uit bij de fantastische website van Het Genootschap Onze Taal – geweldig nuttige site, ook voor taaltrainingen – en dan staat er, en ik citeer:

De dood of de gladiolen betekent ‘ik waag het erop: het wordt een mislukking óf een glorieuze overwinning’, ‘alles of niets’.

Oké, tot zo ver wist ik het. Het volgende vond ik een beetje slap en niet erg aannemelijk:

Deze uitdrukking komt waarschijnlijk uit de wielersport. Als een wielrenner een koers of rit gewonnen heeft, krijgt hij/zij op het podium een grote bos bloemen (de ‘gladiolen’). Om te kunnen winnen, moet een wielrenner vaak al zijn krachten aanspreken én het lef hebben om een beslissende versnelling te plaatsen. Dat geldt vooral voor massasprints, want daarin worden er veel risico’s genomen. De wielrenner Gerrie Knetemann (1951-2004) wordt vaak genoemd als de bedenker van de dood of de gladiolen, maar het is lang niet zeker of dit terecht is.

Gelukkig is (zelfs) het Wielerwoordenboek (jaja) het daar ook niet mee eens:

In het Wielerwoordenboek (2010) staat dat de uitdrukking waarschijnlijk verwijst naar de gladiatorengevechten bij de Romeinen. Een gladiator werd ófwel gedood (bij verlies) ofwel bedolven onder de gladiolen (bij winst). Het Latijnse gladio betekent ‘zwaard’; dit woord zit zowel in gladiator als in gladiool. De plant waarvanaf de bloemen worden gesneden, heeft namelijk zwaardvormige bladeren. Sommigen verwijzen naar het verhaal dat gladiatoren onder hun kleding de wortel van de gladiool verborgen. Zij dachten dat dit zou werken als een amulet: de wortel van de gladiool (met zijn bladeren die op zwaarden lijken) zou ze helpen in het zwaardgevecht. In de naslagwerken is helaas niets terug te vinden over de gladiool als overwinningsbloem bij de gladiatoren of als amulet.

Dat klinkt al veel aannemelijker. En waar ik zelf ook meteen aan moest denken, Nijmegen:

De uitdrukking wordt ook vaak gebruikt in verband met de Nijmeegse Vierdaagse, het jaarlijkse internationale wandelevenement. De lopers die de wandeltocht hebben volbracht, krijgen namelijk gladiolen van het publiek. De weg naar de finish heet die dag zelfs Via Gladiola.

Weer wat geleerd lieve mensen.

Ga ik nu even repeteren met de meiden van Binnenstebuiten voor het theaterstukje (getiteld: Love me Tinder) dat we aanstaande zaterdag (1 juli, om 21:25 uur, Kunstmin, kleine zaal) opvoeren tijdens het Dordt op Planken (DOP) festival.

De dood of de gladiolen, meiden!

Back to my roots

Ik ben heel visueel ingesteld, dat is misschien vreemd voor een schrijver om te zeggen en misschien ook niet. Het is immers de kunst van het schrijven om een beeld om te zetten in woorden, die dan weer een beeld oproepen.

Hm.

Maar goed, ik ben visueel ingesteld en ontzettend gek op foto’s (sorry, dan bedoel ik niet je laatste vakantiefoto’s). Ik was dus helemaal in mijn nopjes toen we de foto’s van mijn oma op zolder vonden, toen we vorige maand mijn moeder gingen verhuizen. Fan-tas-tisch!

Vakantiealbums uit 1925, albums vol oude familiefoto’s, trouwfoto’s, noem het maar op. Mijn opa, de vader van mijn moeder, fotografeerde graag en ontwikkelde zijn eigen foto’s. Hij lijstte een aantal ook heel netjes in en daarom ben ik nu de dankbare bewaarster van prachtige, kunstzinnige portretten van mijn overgrootvader (zijn vader), mijn oma (zijn vrouw) en mijn oudoom (zijn zwager), zelfportretten (van mijn opa), groepsportretten van een theatergezelschap (mijn grootouders speelden ook theater), en ga zo maar door.

Ik heb een aantal van de ingelijste foto’s inmiddels schoongemaakt en opgehangen. Vier van mijn overgrootouders kijken nu minzaam mijn woonkamer in.

Eén van de portretten (A4 formaat) is van mijn overgrootvader, een man met een enorme snor, bijna en profil genomen, hij kijkt nog net even richting de camera, maar kijkt er niet in. Mijn opa heeft de foto genomen en ingelijst, hij heeft de foto gesigneerd en de plaats eronder geschreven: Dordrecht.

En dat is heel bijzonder. Ik kom hier namelijk niet vandaan! Mijn ouders ook niet. Ik wist niet eens dat mijn grootouders uit deze regio kwamen totdat ik hier puur toevallig neerstreek.

Ik ben geboren in Amersfoort, heb een tijd in Hoevelaken gewoond, een tijd in de Achterhoek en toen ben ik naar Dordrecht verhuisd. Per toeval. Pas toen ik me hier gesetteld had hoorde ik van mijn oma – die toen nog leefde – dat ze hier op school gezeten had, op de Gemeentelijke Kweekschool aan de Binnen Walevest. En hier ergens moet ze ook mijn opa ontmoet hebben want ik heb nog een envelop met een adres van mijn opa aan de Jozef Israëlsstraat in Dordrecht. Plus hij heeft dus ‘Dordrecht’ onder de foto van zijn vader gezet.

Mijn oma kwam uit Hardinxveld-Giessendam, liep dan vanaf het station, langs het standbeeld van de gebroeders De Witt, door de Vleeshouwersstraat naar de Kweekschool. Grote kans dat ze mijn opa daar ontmoet heeft trouwens, want ze hebben beiden voor de klas gestaan. Ze zijn later samen naar Noord-Holland verhuisd, dus ik wist niet beter dan dat de familie aan mijn moeders kant uit de regio Haarlem kwam.

Als ik de meisjesnaam van mijn oma intyp bij het Regionaal Archief hier in Dordrecht, vind ik tot mijn stomme verbazing een familieportret dat ik ken uit de albums die ik op zolder gevonden heb. De jonge vrouw die achter haar ouders staat is mijn oma. Zie ook de foto links aan de muur, achter mijn knappe jonge oudoom (Schalk Toom): De Grote Kerk in Dordrecht. Ha!

Van alle plaatsen in Nederland (en buitenland) waar ik mijn volwassen bestaan had kunnen gaan opbouwen, ben ik na veel omzwervingen en zonder het te weten, teruggekeerd naar mijn roots; het prachtige eiland van Dordrecht.

Grofweg een eeuw later, hangen mijn vier overgrootouders aan de muur en kijken tevreden toe wat ik ’s avonds op tafel zet.

 

Dat moet je willen!

Vorige week mocht ik naar de Inspiratiedag in Rotterdam, georganiseerd door het UWV om werkzoekenden te motiveren, handvaten te bieden en in staat te stellen te netwerken met potentiele werkgevers in de regio.

Ik ben van de waarom-niet-mentaliteit, dus liet ik me rond half tien, samen met drie medecursisten van de cursus ‘Succesvol naar werk’, verwelkomen bij De Doelen.

Fantastisch geregeld allemaal, ik kan niet anders zeggen. Sprekers, workshops, netwerken, hapje, drankje, een lach en een traan.

Alle sprekers waren goed, maar de grote publiekstrekker was toch wel Professor Erik Scherder, onze knuffelneuropsycholoog, bekend van DWDD.

Sinds zijn presentatie roep ik te pas en te onpas: ‘Dat moet je willen!’ Daar zit een verhaal achter natuurlijk.

Professor Scherder had twee belangrijke lessen voor ons om, indien mogelijk, ons brein te helpen langer fit te blijven.

Ten eerste: 45 aaneengesloten minuten per dag bewegen. Zeven dagen in de week. Niet zomaar wandelen, maar flink doorstappen of flink doortrappen op de fiets, zodat de hartslag verhoogd is. Hierdoor maak je bloedvaten in de hersenen aan. Essentieel. Compenseren werkt niet, dus niet op dinsdag anderhalf uur om vervolgens woensdag op de bank te blijven zitten, dat telt niet.

Ten tweede: nieuwe dingen blijven leren. Ja, dat wordt iets lastiger na je dertigste, maar blijf leren want dan blijf je nieuwe verbindingen in je hersenen maken. En ook die zijn essentieel voor een scherpe geest op latere leeftijd. Dus leer een taal, pak die klus aan waar je nieuwe dingen voor moet leren, kom uit je comfortzone, leg de muis eens aan de andere kant van je computer, ga op gitaarles.

Hij gaf het voorbeeld dat zijn collega’s aan de universiteit liever tegen hem zeggen ‘doe jij dat maar’ dan zelf de uitdaging aangaan. Erik Scherder doet dat maar al te graag, noemt het braintraining. Toen de Professor ons dit verhaal vertelde, begon hij hard te lachen en bulderde: ‘Dat moet je juist willen!’ Blijf jezelf uitdagen.

Die is blijven hangen, dus nu, als iemand iets lastig vindt, gooi ik een vuist in de lucht en roep: ‘Yes! Da’s goed! Dat moet je willen!’

Heel vervelend natuurlijk als je alleen maar wilt vertellen dat je iets lastig vindt, maar het gaat wel weer over.

De wet van Murphy

Je hebt een drukke week want je moet je eindwerk voor school inleveren. Je moet er nog veel aan herschrijven, aan twee verschillende verhalen. Heel veel, want de afgelopen weken heb je ook geen tijd gehad.

Je hebt deze week een middag en een ochtend cursus, je hebt ‘pitchnight’ van het DOP theaterfestival waar je aan mee doet, je wilt sporten, en je bent een hele dag weg naar de Inspiratiedag. Maar, je hebt de week strak gepland. Moet lukken.

Tot je je telefoon aansluit op je computer.

Er is een nieuwe update beschikbaar. ‘Doen?’ vraagt iTunes vriendelijk.

‘Ja hoor, doe maar,’ zeg ik en typ verder aan mijn verhaal.

‘Lukt niet,’ piept de computer. ‘Nog een keer proberen?’

‘Ja hoor, is goed.’ Tijdens de update is de telefoon niet beschikbaar en na een paar meldingen zijn we twee uur verder. Ik begin me nu wel geïsoleerd te voelen. Bedenk wie me zou kunnen willen bereiken, welke vriendelijke toenadering ik misschien wel moet missen.

Wat betekenen die foutmeldingen dan? Ik raak verzeild in de support pagina’s van Apple. De Apple store is inmiddels gesloten, anders was ik daar wel naar binnen gestapt.

Weer twee uur later ben ik een regelrechte ICT-er en heb ik mijn verhalen aan de kant geschoven. Ik heb programma’s verwijderd en opnieuw geïnstalleerd, ik weet wat foutmelding 14 betekent. Ik heb computer en iPhone beiden twaalf keer herstart, maar het enige wat mijn iPhone scherm laat zien is de stoïcijnse roep om een verbinding met iTunes. Als ik die maak, wordt de update keer op keer in werking gesteld maar op het laatste moment toch niet uitgevoerd.

Om middernacht, vijf uur later, ga ik dan toch maar slapen. Geen telefoon betekent geen wekker en ik moet er maar op vertrouwen dat ik morgen rond een uur of acht wakker word, zoals ik dat bijna altijd word.

Om half tien gaat de Apple store open en ik sta al een kwartier op de stoep.

‘Help, help!’

Maar de technische collega komt pas om tien uur. Dan maar even koffie drinken bij het heropende café Visser’s Poffertjessalon. Stond ook nog op mijn lijstje (en dank je wel, Dennis, voor de koffie, ook al waren jullie nog gesloten). Als ik terugfiets denk ik ‘Maar dit wilde ik toch? Niet gestoord worden deze week?’

De technische Apple-man sluit mijn telefoon aan, maar het lukt hem in eerste instantie ook niet. ‘Helemaal resetten dan maar?’ vraagt hij. ‘Vijftien euro.’

‘Ja, moet dan maar, we hebben weinig keus.’

Weer anderhalf uur later (dank je wel, Odin, voor de koffie) ben ik vijftien euro lichter en heb ik weer virtueel contact met de buitenwereld. Circa zeven uur van mijn tijd heeft het gekost, alles bij elkaar. Zul je net zien, dat is de wet van Murphy, net als je denkt dat je alles onder controle hebt…

Argh! Spullen!

Hoe vaak ben jij verhuisd? Ik een keer of twaalf. Dat ruimt lekker op. Zeker als je naar het buitenland gaat. Alleen het hoogstnoodzakelijk, of dat van wérkelijk grote emotionele waarde, verhuist mee.

Toen ik naar New York ging, vertrok ik met twee weekendtassen. Er stond een doos met administratie en foto’s bij mijn moeder, verder liet ik alles achter in het huis dat ik zou gaan verhuren en ik zou kopen wat ik nodig had. Het Walhalla voor de minimalist in mij.

Met angst en beven hebben mijn broer en ik de afgelopen jaren gekeken naar het huisje waar onze moeder de afgelopen twintig jaar heeft gewoond. Onze moeder die ook erg reislustig was, en nooit thuis kwam zonder een aandenken. Onze moeder die, net als veel ouders die de oorlog hebben meegemaakt, niets weg wil gooien.

Het moest er een keer van komen en afgelopen maand was het dan zo ver: ze wilde verhuizen. Zelf 80 jaar, dus dat betekende dat wij haar meubeltjes in het nieuwe appartement hebben gezet, moeders op de bank, en dat wij het oude huis leeg moesten halen. En ja, als je naar een seniorenflatje verhuist, dan kan de zolder niet mee.

Ongelooflijk wat er allemaal nog uit zo’n schattig klein huis komt.

Een aantal weken geleden, toen we bij de woningstichting hadden aangekondigd dat we de huur gingen opzeggen, kwam Pieter de opzichter langs om te inventariseren. Hij keek rond, keek mij meewarig aan en zei: “Sterkte.”

Het is zonde, er zaten echt wel leuke oude spullen bij, maar tijd voor marktplaats hadden we niet. Ruimte om het op te slaan hebben we ook niet.

Wat we wel hebben zijn een paar blije buren vanwege al die spullen die voor het oprapen lagen, een hele enthousiaste ijzerboer (wonderlijk wat zo’n man op een fiets mee kan sjouwen), en waarschijnlijk wat medewerkers van het afvalscheidingsbedrijf die hoofdschuddend de inboedel scheidden.

Het is gelukt. Misschien een beetje te rigoureus af en toe (Zeg, waar is de broodtrommel? … uhm …), maar het huis is leeg. Het moest er een keer van komen.

Afgelopen maandag heb ik de sleutel bij Pieter ingeleverd.

“Daar zullen jullie veel werk aan gehad hebben,” zei hij. “Dank jullie wel dat jullie het zo schoon en leeg hebben achtergelaten.”

Ik had de gehele eindinspectie mijn hart vastgehouden. Als alles maar in orde was. We waren het zat. Alsof hij mijn gedachten kon raden, zei hij met een glimlach: “Kom, geef mij die sleutel maar, dan gaan we hier weg.”

Ik begrijp dat een mens veel kan verzamelen in tachtig jaar en dat je extra veel spullen wilt bewaren als je kinderen hebt, dus ik heb een voorstel aan alle ouders: Zodra de kinderen het huis uit zijn, vraag of je kinderen hun eigen kindertekeningen, asbakken en foto’s kunnen bewaren en verhuis dan zelf voor een paar jaar naar het buitenland. Echt, jullie hebben het verdiend!

En geloof me, je doet je kinderen er een enorm plezier mee. Op een dag zullen ze het begrijpen.

Vandaag is leg-day

‘Ken je mijn man ergens van?’ Ze komt de kleedkamer binnen en stapt meteen op me af.

Ik heb de oordopjes van mijn iPod al in, dus ik versta haar niet goed. Daarom vraag ik vriendelijk: ‘Pardon?’

‘Mijn man, je begroette hem laatst. Ken je hem ergens van?’

Ik heb deze vrouw nooit eerder gesproken, maar ken haar van gezicht. We hebben elkaar hooguit uit beleefde herkenning gegroet. Ik heb nooit geweten dat het de helft van een sportsetje is.

‘Ik… sorry, ik weet niet wie je man is.’ Ik denk koortsachtig na, maar er kan hier geen gevaar zijn. Ik heb het met niemand gedaan die ik van de sportschool ken. Ik zeg zoveel mensen gedag, mannen en vrouwen die ongeveer dezelfde sporttijden er op na houden.

‘Lange man. Hij kijkt altijd naar vrouwen.’ Zelf komt de tengere echtgenote van middelbare leeftijd niet boven mijn schouders uit. Ik zou haar makkelijk aankunnen, ware het niet dat ik een nieuw trainingsprogramma ben begonnen. Gisteren heb ik voor het eerst het pittige schema voor mijn bovenlijf afgewerkt en nu kan ik mijn armen nauwelijks optillen. Vandaag is leg-day, goddank.

‘Er zijn heel veel lange mannen hier,’ zeg ik glimlachend. Zeker voor jou, zou ik er bij willen zeggen, maar wil het risico niet nemen haar verder te provoceren. Blijkbaar heb ik al genoeg gedaan.

‘Je was laatst bezig op de mat en je keek naar hem en jullie zeiden elkaar gedag, dus ik vroeg me af of jullie elkaar misschien kennen. Ik denk, ik vraag het maar, voordat er misverstanden ontstaan.’ Ze kijkt me strak aan. Ze heeft priemende donkere ogen.

Voordat er misverstanden ontstaan, denk ik. Tot een paar seconden geleden bestond er voor mij helemaal geen misverstand. Maar nu wel.

‘Ik weet echt niet wie je man is.’

‘Van buiten de sportschool misschien?’

‘Ik weet niet wie je bedoelt,’ zeg ik voor de derde keer, geïrriteerd nu.

‘Lange man. Kijkt naar alle vrouwen.’

‘Ja, dat zei je. Weet je wat, wijs hem volgende keer aan en dan zal ik het je vertellen, goed?’ Ik stap om haar heen en maak me snel uit de voeten, de sportschool in. Ik weet niet of ik boos moet zijn, medelijden moet hebben of dat ik haar om haar moed moet bewonderen. Ik zeg voor de zekerheid maar even niemand gedag vandaag.

Vandaag is leg-day.

Schrijversvakschool Recycled #6

Mede door een gebrek aan tijd deze maand, publiceer ik vandaag het resultaat van een opdracht die wij voor schrijftraining (docent Jan van Aken) aan de Schrijversvakschool Amsterdam moesten inleveren. De opdracht luidde : Schijf de eerste bladzijde van een historische roman van 650 pagina’s.

Ik loop al heel lang met dit idee voor een roman rond, maar dit verhaal zou veel onderzoek vergen en ik ben geen onderzoeksjournalist. Mocht iemand wel erg geïnteresseerd zijn in het doen van onderzoek; neem contact met me op, ik deel het idee graag met je.

De eerste bladzijde:


Toen Liú Yena op 2 oktober 1982, het jaar van de Hond, in de Jiangxi provincie van China voor het eerst haar longen volzoog, stond al vast dat ze een Heihaizi, een ongeregistreerde baby zou worden. Haar twee jaar oudere broer, Xiang, stond immers al geregistreerd als het kind van de family Liú en haar ouders konden en wilden de exorbitante boete voor een tweede kind niet opbrengen, zeker niet voor een meisje.

Door niet te tekenen voor haar leven, tekenden haar ouders in feite haar doodvonnis. Yena zou moeten leven als een geest, zonder identiteit, zonder kans op onderwijs, medische zorg of een baan. Haar bestaan zou slechts kunnen leiden tot een paar mogelijkheden, waarvan voor een meisje de prostitutie het meest voor de hand liggende was.

Yena betekende begeerte.

 

Moeder Nuwa verborg haar bescheiden buik onder vele lagen kleding als ze op het veld werkte of voor hun eenvoudige huisje manden vlocht.

Vader Xiaobo, sprong één keer in de week op de fiets om in het dorp voorraden te halen. Hij had de gewoonte te neuriën zodra hij fietste. Het een was onlosmakelijk met het ander verbonden.

Van alle grootouders leefde alleen de moeder van Xiaobo nog. Zij trok bij het gezin in en hielp Nuwa met de geboorte terwijl Xiaobo zenuwachtig om het huis heen liep, met de huilende Xiang op zijn arm.

Later zou Oma Liú op de kleine Yena passen, terwijl Nuwa zich weer bij Xiaobo vervoegde op de rijstvelden, met de kleine Xiang op haar rug gebonden.

Toen Yena vijf jaar oud was, had ze het daglicht alleen maar op de kleine binnenplaats van het huis gezien. In het schemerdonker was ze nooit verder gekomen dan de overkant van de oranje zandweg. Soms, als de zon achter de horizon verdwenen was, mocht ze naar buiten. Dan rende ze naar de overkant en stond doodstil naar de horizon te turen tot het te donker werd om het land van de hemel te onderscheiden. Ze luisterde naar de krekels.

Met weinig anders te doen, vertelde Oma Liú Yena verhalen, leerde haar lezen, schrijven en rekenen. Oma vertelde haar over de geschiedenis van China, over politiek, over geneeskrachtige kruiden. Haar oma was een wijze vrouw, die haar oor overal te luister had gelegd en alles gelezen had wat ze in haar handen kreeg. In de lange dagen die ze samen doorbrachten, deelde ze al haar kennis met de kleine Yena