Dat moet je willen!

Vorige week mocht ik naar de Inspiratiedag in Rotterdam, georganiseerd door het UWV om werkzoekenden te motiveren, handvaten te bieden en in staat te stellen te netwerken met potentiele werkgevers in de regio.

Ik ben van de waarom-niet-mentaliteit, dus liet ik me rond half tien, samen met drie medecursisten van de cursus ‘Succesvol naar werk’, verwelkomen bij De Doelen.

Fantastisch geregeld allemaal, ik kan niet anders zeggen. Sprekers, workshops, netwerken, hapje, drankje, een lach en een traan.

Alle sprekers waren goed, maar de grote publiekstrekker was toch wel Professor Erik Scherder, onze knuffelneuropsycholoog, bekend van DWDD.

Sinds zijn presentatie roep ik te pas en te onpas: ‘Dat moet je willen!’ Daar zit een verhaal achter natuurlijk.

Professor Scherder had twee belangrijke lessen voor ons om, indien mogelijk, ons brein te helpen langer fit te blijven.

Ten eerste: 45 aaneengesloten minuten per dag bewegen. Zeven dagen in de week. Niet zomaar wandelen, maar flink doorstappen of flink doortrappen op de fiets, zodat de hartslag verhoogd is. Hierdoor maak je bloedvaten in de hersenen aan. Essentieel. Compenseren werkt niet, dus niet op dinsdag anderhalf uur om vervolgens woensdag op de bank te blijven zitten, dat telt niet.

Ten tweede: nieuwe dingen blijven leren. Ja, dat wordt iets lastiger na je dertigste, maar blijf leren want dan blijf je nieuwe verbindingen in je hersenen maken. En ook die zijn essentieel voor een scherpe geest op latere leeftijd. Dus leer een taal, pak die klus aan waar je nieuwe dingen voor moet leren, kom uit je comfortzone, leg de muis eens aan de andere kant van je computer, ga op gitaarles.

Hij gaf het voorbeeld dat zijn collega’s aan de universiteit liever tegen hem zeggen ‘doe jij dat maar’ dan zelf de uitdaging aangaan. Erik Scherder doet dat maar al te graag, noemt het braintraining. Toen de Professor ons dit verhaal vertelde, begon hij hard te lachen en bulderde: ‘Dat moet je juist willen!’ Blijf jezelf uitdagen.

Die is blijven hangen, dus nu, als iemand iets lastig vindt, gooi ik een vuist in de lucht en roep: ‘Yes! Da’s goed! Dat moet je willen!’

Heel vervelend natuurlijk als je alleen maar wilt vertellen dat je iets lastig vindt, maar het gaat wel weer over.

De wet van Murphy

Je hebt een drukke week want je moet je eindwerk voor school inleveren. Je moet er nog veel aan herschrijven, aan twee verschillende verhalen. Heel veel, want de afgelopen weken heb je ook geen tijd gehad.

Je hebt deze week een middag en een ochtend cursus, je hebt ‘pitchnight’ van het DOP theaterfestival waar je aan mee doet, je wilt sporten, en je bent een hele dag weg naar de Inspiratiedag. Maar, je hebt de week strak gepland. Moet lukken.

Tot je je telefoon aansluit op je computer.

Er is een nieuwe update beschikbaar. ‘Doen?’ vraagt iTunes vriendelijk.

‘Ja hoor, doe maar,’ zeg ik en typ verder aan mijn verhaal.

‘Lukt niet,’ piept de computer. ‘Nog een keer proberen?’

‘Ja hoor, is goed.’ Tijdens de update is de telefoon niet beschikbaar en na een paar meldingen zijn we twee uur verder. Ik begin me nu wel geïsoleerd te voelen. Bedenk wie me zou kunnen willen bereiken, welke vriendelijke toenadering ik misschien wel moet missen.

Wat betekenen die foutmeldingen dan? Ik raak verzeild in de support pagina’s van Apple. De Apple store is inmiddels gesloten, anders was ik daar wel naar binnen gestapt.

Weer twee uur later ben ik een regelrechte ICT-er en heb ik mijn verhalen aan de kant geschoven. Ik heb programma’s verwijderd en opnieuw geïnstalleerd, ik weet wat foutmelding 14 betekent. Ik heb computer en iPhone beiden twaalf keer herstart, maar het enige wat mijn iPhone scherm laat zien is de stoïcijnse roep om een verbinding met iTunes. Als ik die maak, wordt de update keer op keer in werking gesteld maar op het laatste moment toch niet uitgevoerd.

Om middernacht, vijf uur later, ga ik dan toch maar slapen. Geen telefoon betekent geen wekker en ik moet er maar op vertrouwen dat ik morgen rond een uur of acht wakker word, zoals ik dat bijna altijd word.

Om half tien gaat de Apple store open en ik sta al een kwartier op de stoep.

‘Help, help!’

Maar de technische collega komt pas om tien uur. Dan maar even koffie drinken bij het heropende café Visser’s Poffertjessalon. Stond ook nog op mijn lijstje (en dank je wel, Dennis, voor de koffie, ook al waren jullie nog gesloten). Als ik terugfiets denk ik ‘Maar dit wilde ik toch? Niet gestoord worden deze week?’

De technische Apple-man sluit mijn telefoon aan, maar het lukt hem in eerste instantie ook niet. ‘Helemaal resetten dan maar?’ vraagt hij. ‘Vijftien euro.’

‘Ja, moet dan maar, we hebben weinig keus.’

Weer anderhalf uur later (dank je wel, Odin, voor de koffie) ben ik vijftien euro lichter en heb ik weer virtueel contact met de buitenwereld. Circa zeven uur van mijn tijd heeft het gekost, alles bij elkaar. Zul je net zien, dat is de wet van Murphy, net als je denkt dat je alles onder controle hebt…

Argh! Spullen!

Hoe vaak ben jij verhuisd? Ik een keer of twaalf. Dat ruimt lekker op. Zeker als je naar het buitenland gaat. Alleen het hoogstnoodzakelijk, of dat van wérkelijk grote emotionele waarde, verhuist mee.

Toen ik naar New York ging, vertrok ik met twee weekendtassen. Er stond een doos met administratie en foto’s bij mijn moeder, verder liet ik alles achter in het huis dat ik zou gaan verhuren en ik zou kopen wat ik nodig had. Het Walhalla voor de minimalist in mij.

Met angst en beven hebben mijn broer en ik de afgelopen jaren gekeken naar het huisje waar onze moeder de afgelopen twintig jaar heeft gewoond. Onze moeder die ook erg reislustig was, en nooit thuis kwam zonder een aandenken. Onze moeder die, net als veel ouders die de oorlog hebben meegemaakt, niets weg wil gooien.

Het moest er een keer van komen en afgelopen maand was het dan zo ver: ze wilde verhuizen. Zelf 80 jaar, dus dat betekende dat wij haar meubeltjes in het nieuwe appartement hebben gezet, moeders op de bank, en dat wij het oude huis leeg moesten halen. En ja, als je naar een seniorenflatje verhuist, dan kan de zolder niet mee.

Ongelooflijk wat er allemaal nog uit zo’n schattig klein huis komt.

Een aantal weken geleden, toen we bij de woningstichting hadden aangekondigd dat we de huur gingen opzeggen, kwam Pieter de opzichter langs om te inventariseren. Hij keek rond, keek mij meewarig aan en zei: “Sterkte.”

Het is zonde, er zaten echt wel leuke oude spullen bij, maar tijd voor marktplaats hadden we niet. Ruimte om het op te slaan hebben we ook niet.

Wat we wel hebben zijn een paar blije buren vanwege al die spullen die voor het oprapen lagen, een hele enthousiaste ijzerboer (wonderlijk wat zo’n man op een fiets mee kan sjouwen), en waarschijnlijk wat medewerkers van het afvalscheidingsbedrijf die hoofdschuddend de inboedel scheidden.

Het is gelukt. Misschien een beetje te rigoureus af en toe (Zeg, waar is de broodtrommel? … uhm …), maar het huis is leeg. Het moest er een keer van komen.

Afgelopen maandag heb ik de sleutel bij Pieter ingeleverd.

“Daar zullen jullie veel werk aan gehad hebben,” zei hij. “Dank jullie wel dat jullie het zo schoon en leeg hebben achtergelaten.”

Ik had de gehele eindinspectie mijn hart vastgehouden. Als alles maar in orde was. We waren het zat. Alsof hij mijn gedachten kon raden, zei hij met een glimlach: “Kom, geef mij die sleutel maar, dan gaan we hier weg.”

Ik begrijp dat een mens veel kan verzamelen in tachtig jaar en dat je extra veel spullen wilt bewaren als je kinderen hebt, dus ik heb een voorstel aan alle ouders: Zodra de kinderen het huis uit zijn, vraag of je kinderen hun eigen kindertekeningen, asbakken en foto’s kunnen bewaren en verhuis dan zelf voor een paar jaar naar het buitenland. Echt, jullie hebben het verdiend!

En geloof me, je doet je kinderen er een enorm plezier mee. Op een dag zullen ze het begrijpen.

Vandaag is leg-day

‘Ken je mijn man ergens van?’ Ze komt de kleedkamer binnen en stapt meteen op me af.

Ik heb de oordopjes van mijn iPod al in, dus ik versta haar niet goed. Daarom vraag ik vriendelijk: ‘Pardon?’

‘Mijn man, je begroette hem laatst. Ken je hem ergens van?’

Ik heb deze vrouw nooit eerder gesproken, maar ken haar van gezicht. We hebben elkaar hooguit uit beleefde herkenning gegroet. Ik heb nooit geweten dat het de helft van een sportsetje is.

‘Ik… sorry, ik weet niet wie je man is.’ Ik denk koortsachtig na, maar er kan hier geen gevaar zijn. Ik heb het met niemand gedaan die ik van de sportschool ken. Ik zeg zoveel mensen gedag, mannen en vrouwen die ongeveer dezelfde sporttijden er op na houden.

‘Lange man. Hij kijkt altijd naar vrouwen.’ Zelf komt de tengere echtgenote van middelbare leeftijd niet boven mijn schouders uit. Ik zou haar makkelijk aankunnen, ware het niet dat ik een nieuw trainingsprogramma ben begonnen. Gisteren heb ik voor het eerst het pittige schema voor mijn bovenlijf afgewerkt en nu kan ik mijn armen nauwelijks optillen. Vandaag is leg-day, goddank.

‘Er zijn heel veel lange mannen hier,’ zeg ik glimlachend. Zeker voor jou, zou ik er bij willen zeggen, maar wil het risico niet nemen haar verder te provoceren. Blijkbaar heb ik al genoeg gedaan.

‘Je was laatst bezig op de mat en je keek naar hem en jullie zeiden elkaar gedag, dus ik vroeg me af of jullie elkaar misschien kennen. Ik denk, ik vraag het maar, voordat er misverstanden ontstaan.’ Ze kijkt me strak aan. Ze heeft priemende donkere ogen.

Voordat er misverstanden ontstaan, denk ik. Tot een paar seconden geleden bestond er voor mij helemaal geen misverstand. Maar nu wel.

‘Ik weet echt niet wie je man is.’

‘Van buiten de sportschool misschien?’

‘Ik weet niet wie je bedoelt,’ zeg ik voor de derde keer, geïrriteerd nu.

‘Lange man. Kijkt naar alle vrouwen.’

‘Ja, dat zei je. Weet je wat, wijs hem volgende keer aan en dan zal ik het je vertellen, goed?’ Ik stap om haar heen en maak me snel uit de voeten, de sportschool in. Ik weet niet of ik boos moet zijn, medelijden moet hebben of dat ik haar om haar moed moet bewonderen. Ik zeg voor de zekerheid maar even niemand gedag vandaag.

Vandaag is leg-day.

Lang leve de Koning!

Als mijn blog en Koningsdag samenvallen, dan moet ik daar natuurlijk iets over zeggen. Ik kan vertellen over de keren dat ik meedeed aan de vrijmarkt, in de goede oude tijd toen kleedjes in Dordrecht nog waren toegestaan. Tegenwoordig moet je een kraampje huren of een kind lenen, want kinderen mogen wel een kleedje neerleggen.

Maar dat ga ik niet doen, ik ga je vertellen over iets wat ik mij al lange tijd afvraag, al voor Willem-Alexander en Máxima ‘het’ deden met elkaar. Ik zou het kunnen opzoeken, maar ik vind het veel te leuk om de vraag in goed gezelschap in de groep te gooien en te zien hoe men net als ik op het vraagstuk kauwt, of niet.

De vraag is dit: als in ons koningshuis de eerstgeborene een meisje is en het tweede kind een jongetje, wie is dan de troonopvolger? Is het in Nederland het eerstgeboren kind of de eerstgeboren zoon?

In het oosten, ik geloof in Japan, is (als ik het goed herinner) de grondwet ooit aangepast van ‘eerstgeboren zoon’, naar het ‘eerstgeboren kind’.

In Nederland weet ik het niet en het is ook al eeuwen niet aan de orde geweest:

  • Willem I en Wilhelmina, drie zonen en twee dochters. Willem I was de eerste Koning der Nederlanden.
  • Willem II en Anna, vier zonen en een dochter.
  • Willem III en Sophie, kregen drie zonen, deze stierven alle drie voor hun vader stierf. Willem III hertrouwde met Emma, ze kregen één dochter.
  • Wilhelmina en Hendrik, één dochter.
  • Juliana en Bernard, vier dochters.
  • Beatrix en Claus, drie zonen.
  • Willem-Alexander en Máxima, drie dochters. Als de middelste of de jongste een zoon zou zijn, zou deze dan de opvolger worden?

Inmiddels, dankzij mijn zoektocht naar onze troonopvolgers op het internet, ben ik er (onbedoeld) achter dat het grondwettelijk het eerstgeboren kind is, niet per se de eerstgeboren zoon dus. Jammer, nu moet ik iets anders verzinnen om tijdens de borrel in de groep te gooien. Maar dat het vraagstuk sinds het ontstaan van ons koninkrijk nooit aan de orde is geweest, is frappant. Toch?

Summer storm

Summer storms, ik ben er gek op! Kan me niet hard genoeg tekeer gaan. Dat wil zeggen, nu mijn dak vernieuwd is (in 2015) en ik geen lekkage meer heb.

Kom maar op met die hagel, regen, donder en bliksem. Ik krijg altijd zin om terug te schreeuwen, niet uit boosheid, gewoon omdat ik ook wil ontladen, net als de wolken. Ik denk alleen dat mijn buren me op laten pakken als ik ga staan brullen op mijn patio. Maar, boy, wat vind ik een goeie storm opwindend. Enerverend.

Een stortbui is natuurlijk vooral leuk als je thuis op de bank zit met een boek en je weet dat je de deur niet meer uit hoeft. Sterker nog, als je daardoor kunt denken: ‘Ja, daaaag, ik ga ècht niet naar de sportschool met dit weer’ terwijl je de zak chips nog wat dichter naar je toetrekt.

En als ik heel eerlijk ben: noodweer is het aller-allerleukst als je in bed tegen een warm, naakt mannenlijf aanligt (of een vrouwenlijf voor wie daar de voorkeur aan geeft). Minder ontspannen als je iPhone nog op het tafeltje buiten ligt. Is me ook al eens overkomen.

Opeens houdt het natuurgeweld op, schijnt een tevreden avondzonnetje tegen de gevel van het witte huis aan de overkant en hoor je de vogeltjes fluiten in de stilte na de storm.

 

Ken je de reclame nog, ik weet niet meer waarvoor, maar een Amerikaan loopt rond in Nederland en roept ‘our bridges are muuuuuuuch bigger’ en ‘our cars are muuuuuuuch bigger’, et cetera.

Flauw, maar het is wel zo. Hun Thunderstorms mag je met recht met een hoofdletter schrijven. Als je denkt dat het hier met bakken uit de hemel komt, dan heb je de ‘summer rain’ in New York nog niet meegemaakt.

En als het begint te stortregenen op een hete namiddag in augustus en je komt met je Nederlandse collega (die bij jou logeert) uit je werk en fietst samen naar huis in Brooklyn, laat het dan ook maar gewoon over je heen komen. Compleet weggespoeld werden we door een plensbui, zo hevig was het dat we de fiets aan de kant moesten zetten omdat we niets meer konden zien door de deken van water. We kregen er de slappe lach van, zo absurd was de hoeveelheid water die in korte tijd naar beneden kwam. (Is ook een heerlijke ontlading; lachen. Reken ik ook goed.)

Een andere keer stond ik tevreden in het halletje van mijn appartement het natuurgeweld te bewonderen tot ik erachter kwam dat aan de achterkant van mijn kelderappartement, bij mijn achterdeur, het water met emmers tegelijk mijn huis in stroomde. Nou had ik gelukkig een tegelvloer en stond alles op pootjes, maar toen heb ik inderdaad even terug gevloekt. Niet echt hoor, want zo ontzettend veel vloek ik nou ook weer niet, geloof ik.

VeganChallenge

Zeg ‘uitdaging’ en mijn oortjes zijn alweer gespitst. Hele vervelende eigenschap.

Toen ik laatst schreef over veganisme (en ja, ik zet inmiddels grote vraagtekens bij sommige beweringen van Dr Michael Greger) kwam ik op de site van de VeganChallenge; de hele maand april veganistisch proberen te eten. Ja joh, waarom niet dacht ik. Een maandje veganistisch leven moet geen kwaad kunnen.

‘Daag jezelf uit’ staat er in een vrolijk ballonnetje op de startpagina. Zo’n marketingkreet die op mij uitstekend werkt. Voor ik het wist had ik me alweer opgegeven. Immers, ik at al nauwelijks vlees, dan zou ik alleen nog de eieren, melkproducten en honing moeten weren uit mijn keuken.

Pff, eitje! Nou, mooi geen eitje dus, voor het Paasontbijt.

Ik hield het zoveel mogelijk voor me dat ik hieraan meedeed, ik kon de reacties namelijk wel inschatten. De eerste die ik het vertelde draaide met haar ogen. ‘Wat voor voedingsleer ga je nou weer volgen?’

Ja, ik heb alles wel geprobeerd inderdaad en ik word horendol van al die goeroes die elkaar tegenspreken. Waarom zijn we als mensen het eten verleerd? Hoe absurd is dat?! Daar wilde ik ooit nog een boek over schrijven, misschien ga ik dat ooit nog wel eens doen. Kan ik het veganisme nu ook meenemen.

Raar eigenlijk; ik ben niemand verantwoording schuldig, maar ik ben dan toch zo eigenwijs dat ik wil volharden. Er wacht geen medaille op me in mei, geen certificaat, nog niet eens een schouderklopje. Helemaal niets. Niemand die me controleert, niemand die teleurgesteld is als ik morgen een plakje kaas op brood neem. En toch doe ik het niet. En ik kan je geen overtuigende reden geven waarom niet.

***

‘Bitterballen?’ We zitten op het strand, die eerste prachtige zondag.

‘Nee…’ zeg ik beteuterd. Ik ben gek op bitterballen. Die heb ik echt gemist toen ik in New York woonde.

‘Pizzaatje?’

‘Nee…’ Ik zucht. Zal ik? Ik bedoel, wie kan het nou wat schelen? Helemaal niemand. Nee. Ik doe het niet. ‘Kunnen jullie deze salade veganistisch maken? En het brood is ook veganistisch, toch? Met wat olijfolie graag. Alsjeblieftdankjewel.’

***

‘Maar wat mag je dan wel voor het ontbijt met dat rare dieet van je?’ Nog zo’n reactie als ik blijf logeren bij familie.

‘Nou, fruit. En ik kan ook gewoon een boterham eten.’

‘Oh ja, ik heb heerlijke oude kaas.’

‘Ja, dat dus niet.’

***

Ik ben nu twee weken verder, volgens die Dr Michael Greger ben je na drie weken op een plantaardig dieet van al je klachten verlost, waaronder depressiviteit, maar daar merk ik nog weinig van.

Niks geen vrolijke veganist tot nu toe. Maar volhouden zal ik.

Vrolijk Pasen!!

 

Portretten By Diana

Naast het schrijven ben ik me ook gaan toeleggen op het boetseren van portretten, al dan niet in opdracht. Van de week heb ik mijn virtuele winkeltje geopend op Etsy. Het is er nog een beetje kaal en stoffig, maar het begin is er. Beter gewoon te beginnen dan te wachten tot alles perfect en ruim bevoorraad is. Dat heb ik ergens gelezen als advies voor startup companies: Just do it.

Kan ik ook eindelijk mijn Instagram profiel gaan gebruiken, want als schrijver heb je daar namelijk niet zoveel aan en het profiel had ik al wel. Kom gerust even kijken in de winkel en/of volgen op Instagram:

Etsy : https://www.etsy.com/shop/PortrettenByDiana

Instagram : https://www.instagram.com/dianaalbrink

Mijn eerste beeldje heb ik trouwens een paar weken geleden verkocht via marktplaats, grappig verhaal. Dat zit zo:

Elke vrijdagochtend zit ik ‘op boetseren’ bij de SKVR in Rotterdam. Een cursus van telkens vijftien weken, waarbij we werken met een levend model. Het model komt drie lessen achter elkaar in dezelfde positie zitten. Vijf verschillende modellen per cursus, dus ook vijf beeldjes per cursus.

De bustes vind ik prachtig om te doen en daar zou ik ook graag mee verder willen, maar de beeldjes van de hele figuren zie ik als vingeroefening, om goed te leren kijken, materiaal te leren begrijpen, et cetera.

Voor je het weet staat echter wel je huis vol met je creaties. En het huis van je moeder, want zij is de enige die je – nu je een volwassen vrouw bent – met goed fatsoen ‘je handenarbeid’ cadeau kunt doen. Zij is ook degene die je allereerste beeldje – van toen je elf jaar was – heeft bewaard.

Ongevraagd weggeven aan vrienden kun je eigenlijk niet maken, vind ik. Dan zitten zij er weer mee, en kunnen het zolang als ze leven niet wegdoen, ook al vinden ze het niets en zullen ze dat nooit zeggen. Dus ja, wat moet je er dan mee.

Weet je wat, dacht ik een paar maanden geleden, ik zet ze gewoon op marktplaats en dan zien we wel. Ik kreeg een bod op een van de beeldjes, niet veel, maar de kosten waren er in ieder geval uit.

Ik vroeg de koper waar hij woonde, misschien kwam ik in de buurt, maar nee, het was in een hoek van Nederland waar ik zelden kom: Brabant.

‘Maar ik zou het wel leuk vinden u een keer te ontmoeten, en in Brabant hoort daar vanzelfsprekend ook een hapje en een drankje bij.’

Ik liet het een vriend van mij zien en vroeg: ‘Vraagt hij me nou uit?’

Wij stugge Zuid-Hollanders waren deze Brabantse gastvrijheid helemaal niet gewend, maar niet veel later werd ‘de bijbedoeling’ duidelijk:

‘Maakt u ook werk in opdracht?’

Dat is ook toevallig, dacht ik. Ik dénk aan het maken van werk in opdracht, en zie daar: een verzoek. Wat is het leven toch wonderlijk en magisch af en toe.

 

Schrijversvakschool Recycled #5

Het is al weer even geleden dat ik een schrijfopdracht van de Schrijversvakschool gedeeld heb, mag wel weer eens, dacht ik.

De tweede helft van het tweede jaar hebben we schrijftraining, een vak dat bestaat uit snelle, korte oefeningen om je een beetje los te maken. De docent geeft een opdracht en.. go !

Een recente opdracht was (misschien ook leuk om over na te denken) : Omschrijf de tijd dat je iets verloor, iets van emotionele waarde.

Komt ie.

**

Het bagagerek van een Fokker 70. Ik denk dat het daar is blijven liggen, op een vlucht van London City naar Rotterdam-The Hague airport, het roodleren jasje dat ik in New York heb gekocht, in The Coat Factory op 6th avenue.

Het jasje waar vrouwen in New York me over aanspraken.

Love your jacket,’ zeiden ze dan in de lift of op straat. Wildvreemde vrouwen die een hand op mijn bovenarm legden om het zachte leer te strelen.

Het jasje waar de man in de bar van The Village Underground over zei:

‘Weet je wat ze zeggen over vrouwen in roodleren jasjes?’

‘Nee,’ zei ik en keek hem afwachtend aan.

Hij wist het ook niet en richtte zich weer op zijn halve liter pils.

Dit jasje vertelde me dat ik nodig op dieet moest als ik de rits weer met moeite dicht kreeg in het nieuwe voorjaar. Dit jasje gaf me dat extra beetje zelfvertrouwen op de tweede date met Sam, in Prospect Park, al heeft het niet mogen baten.

De voering was al gescheurd, de zakken onbruikbaar en de rode kleur begon de slijten aan de randjes, maar deze huid was mijn tweede huid geworden. Mijn roodleren jasje ligt nu waarschijnlijk in een koude en donkere opslagplaats voor gevonden voorwerpen van de KLM. Ik heb een formulier ingevuld en ze hebben gekeken, maar ik zie de ‘Room of Requirement ’ van Harry Potter voor me; stellage na stellage met verloren spullen, zo ver als het oog reikt.

Met die gedachte troost ik me dan maar, dan míjn roodleren jasje in dé ‘Room of Requirement ’ van Harry Potter ligt, een soort hemel voor verloren spullen.

 

Succesvol naar werk

Handenwrijvend stapte ik op de fiets om naar de cursus ‘Succesvol naar werk’ te gaan. Tien dagdelen waarin een coach van het UWV een groep werkzoekenden helpt zich te positioneren, te profileren, te presenteren, te solliciteren.

De meest verschrikkelijke verhalen had ik erover gehoord en gelezen van mensen die een soortgelijke cursus jaren geleden hadden gedaan. Werkweigeraars, alcoholisten, en… nou ja, ik zal verder geen mensen beledigen, u begrijpt me vast wel: ik verwachtte de middag door te brengen met mensen waar ik normaal nooit mee in aanraking zou komen. Heerlijk. Een antropologisch project waar ik dan over zou kunnen bloggen.

Maar helaas. De werkzoekenden zijn niet meer wat ze geweest zijn voor de crisis. Alleen maar keurige, welbespraakte, enthousiaste mensen. Slachtoffers van een economie waarin bedrijven automatiseren, inkrimpen, outsourcen en winkels sluiten omdat mensen online hun inkopen doen.

Eén kandidaat was niet op komen dagen, bleven er twaalf cursisten over. Een ander kreeg tijdens de cursus een telefoontje dat hij aan de slag kon. Waren er nog maar elf. Tien vrouwen en een man.

Ook de cursus zelf heeft volgens mij een metamorfose ondergaan want het leek in niets op het ‘sollicitatiebrieven schrijven’ waar ik over had gehoord en wat ik ook verwachtte toen in mijn uitnodigingsbrief stond dat ik alleen pen en papier mee hoefde te nemen.

Nee, dit viel me allemaal reuze mee. Vraag het me over een paar weken nog een keer, maar ik heb er wel zin in eigenlijk. Ook om te kijken wat ik graag zou willen doen en wat de mogelijkheden zijn, want er zijn maar weinig mensen die van het prozaschrijven rond kunnen komen. Wat me doet denken: met een beetje mazzel mijn boek verkocht aan een medecursiste. Dat stukje ‘netwerken’ zit dus wel goed.