Waar de woorden zijn

Een koude dinsdag in december. De nachtvorst heeft ons toegedekt met wit dons. In Lochem zit vader in zijn luie stoel en leest. Dan stopt zijn hart. Zomaar, ineens, klopt het zijn laatste slag. Het boek is uit.

Dat zijn de woorden die ik om half twee ’s nachts in mijn telefoon typ. Het zijn de woorden voor de rouwkaart van onze vader.

Hij is op zijn manier ‘in het harnas’ gestorven want zo herinner ik mij hem: altijd lezend. Was het geen boek, dan was het de krant, teletekst, een tijdschrift of desnoods de atlas. Duizenden boeken stonden er bij ons thuis. Hij verslond alles. Van historische non-fictie tot romantische niemendalletjes.

Maar zoveel woorden als er via zijn lichtblauwe ogen ingingen, zo weinig kwamen er via zijn mond weer uit. Spraakzaam was hij niet.

Zijn hemel zal bestaan uit niet veel meer dan een heerlijke stoel, een eindeloos aantal boeken, een televisie met teletekst, een hond aan zijn voeten, een bodemloos koffiekopje en een optimale darmfunctie.

Ik hoop dat je de eeuwige bibliotheek gevonden hebt, Pa. Rust zacht.

Perfect strangers

Met mijn zeer gewaardeerde Cinevillepas ben ik afgelopen week naar de Italiaanse film Perfetti sconosciuti (Perfect strangers) geweest in The Movies in Dordrecht. Ik heb trouwens lang geoefend om “perfetti sconosciuti” te kunnen zeggen, dus vraag er gerust naar de volgende keer dat we elkaar spreken.

Een uiterst vermakelijke film, en uit het leven gegrepen:

Drie stellen en een vrijgezelle vriend komen bij elkaar voor een etentje bij één van de stellen thuis. Op één van de vrouwen na, kent iedereen elkaar al zo ongeveer sinds hun studietijd. Het gezelschap heeft het over een vierde stel dat er niet bij is. Het ontbrekende stel is gescheiden; de man is er met een veel jongere vrouw vandoor. Zij die wisten van zijn affaire dachten dat het niet aan hen was er iets over te zeggen, zij die het niet wisten waren verbaasd dat zij de man goed dachten te kennen, maar dat hij er toch zo’n dubbelleven op na hield, dát raakte hen meer dan de verhouding op zich. De verhouding kwam uit omdat zijn vrouw berichten op zijn telefoon vond.

Tijdens het voorgerecht gaat het gesprek van het gezelschap verder over mobiele telefoons en geheimen. Ze kennen elkaar toch al zo lang, ze hebben toch zeker geen geheimen voor elkaar? Ze besluiten, bij wijze van spel, de mobiele telefoons op tafel te leggen en om alles wat tijdens het eten binnenkomt aan e-mails, berichten en telefoontjes met elkaar te delen. Telefoons gaan op de speaker, berichten en e-mails worden voorlezen.

Wat er dan gebeurt is soms grappig, soms dramatisch want iedereen heeft wel geheimen, groot of klein, en zodra er een ander dan jijzelf bij betrokken is (en dat moet bijna wel, of het zijn je gedachten of wat je doet als je alleen bent en afgesloten van de buitenwereld), loopt communicatie via de smartphone. Verder zal ik niet teveel in detail treden, want ik wil niet teveel van de film weggeven. Ik hoop dat je hem nog kunt gaan zien. Ik vind het een aanrader.

De film houdt me wel bezig sindsdien. Ik zou er zelf toch ook niet aan moeten denken dat mijn telefoon in handen van iemand anders valt. Het is inderdaad absurd hoeveel we aan dat kwetsbare apparaatje toevertrouwen. De smartpone is makkelijk te hacken als ik bijvoorbeeld de scriptschrijvers van ‘Person of interest’ moet geloven. Ik ben ontzettend blij met mijn iPhone, begrijp me niet verkeerd, ik wil niet meer zonder, maar het is goed om af en toe stil te staan bij hoeveel van ons leven door de smartphone stroomt.

Wat staat er allemaal in? Als je smartphone in verkeerde handen valt, wat ligt er dan ineens op straat? Telefoonnummers van mensen die het misschien juist heel fijn vinden dat de telefoongids stilletjes van het toneel verdwenen is? Foto’s van jezelf of van anderen die je niet van plan was te delen op facebook? Je agenda met bijvoorbeeld je doktersafspraken? Je facebookaccount, je email, je tinder account, de app van de bank? En natuurlijk de whatsapp en/of sms conversaties die ‘for your eyes only’ zijn bedoeld.

Nee, ik vind het helemaal niet vreemd dat veel mensen hun smartphone zo ongeveer op de huid dragen. Als er een reality-tv show zou komen waarin je telefoon zou worden ontleed, dan ga je tóch met de billen bloot, ook al heb je geen geheimen. Ik wel in ieder geval. Gelukkig ben ik niemand verantwoording schuldig, maar gênant lijkt het me wel. Het is privé, het is intiem. Het is alsof iemand je dagboek leest en die dagboeken van vroeger zat ook al zo’n flutslotje op.

Bless you!

‘Haa-tchoe’ klonk het net voorbij de kleedkamer op de sportschool. De mooist gearticuleerde nies die ik ooit heb gehoord. De man nieste niet zomaar, hij zei echt ‘Haa-tchoe’. Een nies zoals deze alleen in volksvertellingen voorkomt. En nog een keer: ‘Haa-tchoe’. Iets verder weg nu, de niezer liep duidelijk richting de sportzaal.

It is the season, zullen we maar zeggen. Ik had het er toevallig afgelopen zaterdag met Ronald over, de barman bij Hoppe. Over niezen. In zijn positie, letterlijk, achter de bar, wordt hij makkelijk aangestoken.

‘Bovendien,’ zei hij, ‘mensen niezen in hun hand.’ Hij hield zijn hand voor zijn mond ter illustratie. ‘Ze geven je een hand, je wrijft even later onder je neus en boem: verkouden.’ Ik knikte. Zo makkelijk ging het inderdaad. ‘Ik nies nooit in mijn hand,’ ging Ronald verder. ‘Ik buk voorover en nies naar de grond.’ En ook dit illustreerde hij door voorover te buigen. Zijn hoofd verdween achter de bar. Ik ging op mijn tenen staan en volgde zijn beweging.

‘Ik nies altijd in mijn arm,’ zei ik. Ik voelde dat het mijn beurt was nu. Ik hield mijn elleboog voor mijn mond en neus. ‘Dat heb ik in Amerika geleerd. Altijd in je arm niezen.’

‘Oh ja?’ vroeg Ronald.

‘Ja.’

‘Sommige mensen houden het in,’ merkte hij nog op. ‘Dat is zó slecht.’

Ik knikte. ‘Verschrikkelijk… Doe nog maar twee bier en een wijntje.’

Ik ken het verhaal inderdaad, mensen die de nies inhouden en hoe slecht het zou zijn. Je niest met ongeveer 150 tot 160 km per uur, het lijkt me inderdaad niet verstandig om dat tegen te houden.

Ik heb ook wel eens begrepen dat ‘Bless you’ eigenlijk helemaal niet zo positief is. Als mensen vroeger ziek waren, overleden ze daar makkelijker aan dan vandaag de dag. Als iemand moest niezen was het dus eerder een wens in de trant van: ‘Och, hemel, je dagen zijn geteld. God bless you.’

Wat ik niet wist, maar wat ik net las op www.wistjedat.tv is dat al je lichamelijke functies, zelfs je hart, stoppen als je niest. Misschien dat daarom een niesbui zoveel van je vergt.

Mijn ex, Philip, vertelde mij ooit smalend dat je aan de manier waarop iemand niest kunt opmaken hoe iemand klaarkomt. Misschien had hij een opmerking als ‘het is als klaarkomen’ verkeerd geïnterpreteerd en heeft er deze overeenkomst van gemaakt, maar hoe dan ook, waar of niet waar, sindsdien kan ik geen nies meer horen zonder bij de opmerking van Philip stil te staan. Bij mensen die krampachtig hun nies inhouden denk ik meewarig: ‘Ach…’

Zouden al je lichamelijke functies ook stoppen als je klaarkomt? Dat zou me niets verbazen. Ben trouwens benieuwd of de man van de ‘haa-tchoe’ op de sportschool ook zo overduidelijk gearticuleerd meldt dat hij klaarkomt.

De verbouwing

De mannen zijn vertrokken. Het stof is neergedaald. En zoals met zoveel dingen komt er eerder werk bij, dan dat eraf gaat. Het blijkt nu dat ik jarenlang een mentaal lijstje heb bijgehouden van alle grote en kleine dingen die nog moeten gebeuren in en om mijn knusse huisje; gaten vullen, kieren dichten, muren schilderen, een stopcontact dat al tien jaar wacht op voltooiing, de bovenkant van de trap die eigenlijk nèt te hoog boven het laminaat uitsteekt, de woonkamerdeur die klemt, de radiatorombouw / vensterbank waar ik op een dag heel romantisch in kan gaan zitten lezen.

U voelt ‘m al: mijn hele huis ligt weer eens overhoop en dat terwijl ik me toch zó had voorgenomen om het ‘vloerproject’ af te bakenen en eerst af te maken vóór ik aan iets anders zou beginnen. Per kamer, zou ik ‘de lijst’ afwerken. Maar ja, als je dan toch bezig bent en met een roller met latex door het huis loopt…

Ik vind het ook niet zo heel erg om in de verbouwing te moeten leven. Niet zo erg als mensen om mij heen dat lijken te vinden. Ik heb genoeg verbouwingen meegemaakt om er mee om te kunnen gaan.

Het begon toen mijn ouders in de jaren tachtig verzonnen dat wonen op het platteland het summum zou moeten zijn. Ze kochten voor een habbekrats een boerderij in de Achterhoek. De Bosman heette de boerderij, maar er was in de verste verte geen bos te bekennen. Kilometers landbouwgrond, dat wel. Het eeuwenoude bouwsel waar wij in huisden, zuchtte onder de onophoudelijke teistering van weer en wind, maar dat zouden mijn ouders wel eens even gaan opknappen. Daar kwam niet zo heel veel van terecht. Ik herinner mij het chemisch toilet, het soort dat meegaat met de camper, waar wij wekenlang gebruik van moesten maken en het wekelijks douchen bij kennissen.

Het was de eerste in een reeks huizen (in binnen- en buitenland) waar nog het nodige aan moest gebeuren. Om het voorzichtig uit te drukken.

Ik ben nog wel eens teruggegaan naar de boerderij, zo’n twaalf jaar geleden. Er woonden vriendelijke mensen en ik mocht binnen kijken. Zij hadden het heel rigoureus aangepakt. De buitenmuur was nog origineel, maar dat ongeveer het enige wat ik herkende.

Dezelfde aanpak had ik met mijn huis in Dordrecht, tien jaar geleden, toen er ook nog slechts vier muren en een dak bleven staan. In die fase van de verbouwing kreeg ik de kans om naar New York te verhuizen en moest het plotseling allemaal heel snel af. Ik hoopte mijn Nederlandse huis namelijk te kunnen verhuren. In de haast zijn een aantal dingen blijven liggen, of ze zijn inmiddels aan vernieuwing of reparatie toe.

Sinds ik terug ben uit New York is de openhaard in ere hersteld (luxe) en het dak vernieuwd (noodzaak). Dit is de derde verbouwing in zes jaar. Je zou denken dat ik het inmiddels wel spuugzat zou zijn, al die verbouwingen, maar het resultaat maakt het ongemak altijd weer waard. Ik kijk graag door het stof heen en visualiseer het resultaat. Uit elke verbouwing spreekt toch eigenlijk hoop en naar een ieder die schrikt van de foto’s die ik via whatsapp stuur, schrijf ik met al mijn optimisme: ‘Het wordt heel mooi!’

Schrijversvakschool Recycled #4

In het eerste jaar van de Schrijversvakschool in Amsterdam kregen we naast proza, poëzie, toneel en scenario, ook het genre ‘essay’. Eén van onze opdrachten was een reis door onze kamer te maken, een voorwerp uit te kiezen en daar een klein essay over te schrijven zoals Xavier de Maistre (1763-1852) dat ook heeft gedaan. De Maistre beschrijft, in 42 hoofdstukjes in ‘Reis door mijn kamer’ (1795), een ontdekkingsreis van zijn kamer toen hij na een duel 42 dagen huisarrest had gekregen.

Hierbij mijn bescheiden poging tot een mini-essay.


Reis door mijn kamer

Mijn kamer kent vele gezichten. Letterlijk. Aan de muur hangen portretfoto’s, maar op de kast staat mijn eerste liefde: Johannes de Doper. De buste is een erfstuk van mijn oma. Haar man, mijn opa, was predikant en zou haar dit beeld gegeven hebben. De buste toont een slanke man, met een fijn gezicht, vol golvend haar. Hij kijkt dromerig langs mij heen. Hij heeft een smalle neus en een kleine mond, met dunne, maar goedgevormde lippen. Tegen zijn rechterborst is de kop van een vogel te zien, zijn vleugels gespreid langs de borst van Johannes en langs de zijkant van het beeld, waar eigenlijk de schouder van mijn jeugdliefde zou moeten zitten. Ik ben niet thuis in vogels, maar ik gok dat dit een valk is.

Bij mijn oma stond de buste op de grond, naast de balkondeur. Als meisje van zeven ging ik voor hem op de grond liggen, op mijn buik, en keek naar hem. Hij nooit naar mij. Als mijn oma niet keek, hield ik mijn hoofd schuin en kuste ik Johannes de Doper voorzichtig op zijn koude lippen. Maar met al mijn hartstochtelijke kalverliefde kon ik hem geen leven in-kussen. Nooit kon ik zelfs maar zijn blik vangen.

Vierendertig jaar later wil ik me toch verder verdiepen in dit beeld. Waarom deze vogel bijvoorbeeld? Ik pak het beeld van de kast. Het lijkt steeds kleiner te worden dan dat het in mijn herinnering was. Het puntje van zijn neus is afgebroken, maar het lijkt hem niet te deren.

Online vind ik veel informatie over Johannes de Doper, waaronder dat hij ongeveer even oud was als Jezus Christus, dat zijn moeder waarschijnlijk een tante was van Maria, de moeder van Jezus, en dat Johannes de Doper onthoofd is in opdracht van Herodes Antipas. Zijn schedel is een relikwie geworden, maar er bestaan meerdere vermeende schedels van Johannes de Doper, van Rome tot Damascus, van Jeruzalem tot Istanbul. Verder lees ik dat hij ‘steevast wordt afgebeeld met het Lam Gods’. Dus niet met een vogel.

Wie wordt er dan wel met een vogel afgebeeld, vraag ik me af en typ verwoed allerlei mogelijk zoektermen in, maar vind niets. Ook de naam van de beeldhouwer, J. Mory of J. Mary, kan mij geen helderheid verschaffen.

Weet ik dan eigenlijk wel wie er op mijn kast staat? Als dit Johannes de Doper niet is, op wie ben ik dan al die jaren heimelijk verliefd geweest? En ligt hier niet een verwonderlijk parallel met mijn relaties van vlees en bloed; dat ik mij achteraf afvraag, wie was die man? Hij is niet wie ik dacht dat het was. En heeft hij mij ooit wel eens echt aangekeken?

Weet je nog…

De trein tussen Rotterdam en Dordrecht reed deze vrijdag wél. En wat voor een trein! Het was de trein naar Brussel van 13.08 uur, zo’n ouderwetse trein met gangpaden langs coupés voor zes personen. Met schuifdeuren, tapijt en stoffen bekleding.

Ik schuif de deur open naar de derde coupé waar ik langskom. Een meisje, met haar Apple laptop op het tafeltje bij het raam en haar witte Apple oordopjes in haar oren, lacht vriendelijk naar me. De man met grijze haren die aan dezelfde kant zit, maar dan bij de schuifdeur, glimlacht ook. Ik ga tegenover hen zitten, in het midden, zo hebben we alle drie ruimte om onze benen te strekken.

De man tegenover me kijkt nog een keer op, glimlacht weer. Ik glimlach aarzelend terug maar kijk hem vooral licht vragend aan. Afwachtend, alsof ik vermoed dat hij iets wil gaan zeggen. Hij kijkt snel weer terug naar zijn iPad mini.

Via het omroepsysteem worden we in drie talen gewaarschuwd voor het vaak aanwezig zijn van zakkenrollers op deze route. Ik voel even naar de iPod Touch in mijn ene jaszak en de iPhone 5s in de andere.

De trein zet zich in beweging. Ondanks de prominente aanwezigheid van Apple, ben ik al snel twintig jaar terug in de tijd. Studententijd in Breda, op en neer naar Dordrecht, niet zelden met deze trein, maar ook de nachttrein naar Parijs. Vooral die keer dat ik samen met een vriendin halsoverkop naar Parijs vertrokken ben, veel meer dan een schone onderbroek en een tandenborstel hadden we niet bij ons. Mijn vriendin kwam terug met een parelketting en bijpassende oorbellen. Gekregen van een romantische Fransman.

Met de nachttrein deden we er in die tijd minstens acht uur over om in Parijs te komen omdat we ’s nachts stilstonden bij de grensovergang naar Frankrijk. Dat had iets te maken met een andere breedte van het spoor waardoor er iets met het treinstel moest gebeuren, of met een andere machinist, hoe dan ook stonden we er lang stil. Ik herinner me vooral een ijskoude nacht in een stilstaande trein waarvan de verwarming het niet deed of uit stond. Wat een verademing toen de Thalys kwam.

Weet je nog, dat we mochten roken in de trein? Deze ouderwetse trein brengt allerlei beelden bij me naar boven. Dikke rookwolken in de coupé. Uitpuilende asbakjes in de stoelleuningen. De schrale geur die er een decennium nadat het was afgeschaft nog steeds niet uit was. Het was ontzettend smerig, maar gezellig was het altijd wel in de rookcoupé. Ik heb ook vier jaar in Rotterdam gestudeerd. En gerookt heb ik ook. Dan nam ik de trein van half acht ’s ochtends en de rookcoupé zat elke dag vol met Brabanders die elkaar kenden en standaard een potje kaartten in de trein.

Ach ja, dat waren nog eens tijden.

De trein rijdt Dordrecht binnen en ik sta op. De man met het grijze haar schuift de deur voor me open. Dat gebaar waardeer ik zeer en ik bedank hem dan ook vriendelijk. Apple heeft het menselijk contact nog niet volledig gesaboteerd.

Doe die deur dicht!

Heb je het gelezen toevallig, dat afgelopen vrijdag het treinverkeer tussen Rotterdam en Dordrecht lange tijd niet mogelijk was? Drie keer raden wie er in Rotterdam zat en er bijna vier uur over heeft gedaan om thuis te komen.

Precies!

Ik ben uiteindelijk gaan varen. Geen grap. In een helder moment dacht ik: de waterbus! Iets wat de OV informatie niet in overweging nam. Zij kwamen niet verder dan duizenden mensen laten stranden op Rotterdam Lombardije.

En weet je wat nou de grote grap in dit verhaal was? De echte dijenkletser? Dat het waarschijnlijk allemaal kwam omdat iemand de deur open heeft laten staan in de tunnel bij Barendrecht. Daardoor (vraag me niet waarom, ik zie het verband ook niet direct) ging het blussysteem (van schuim, geen water) in de tunnel aan.

Hoor je de echo ook nog, van je ouders die altijd en eeuwig riepen: ‘Doe die deur dicht!’, ‘We zijn de kerk niet’, ‘Weet je wel wat dat kost?!’ et cetera.

Ach ja, je bent een tiener en de wereld om je heen is wazig en nog niet zo relevant als jijzelf. Triviale dingen als de deur achter je dichtdoen, daar kun je allemaal geen rekening mee gaan houden hoor. Maar het zal geen dromerige tiener geweest zijn die vrijdag de deur open heeft laten staan. Dat zal toch wel een verantwoordelijke, volwassen medewerker zijn geweest. Een onderhoudsmedewerker, stel ik me  zo voor.

Bijna zes uur heeft het geduurd voor er weer een trein richting het zuiden ging.

Al die mensen met koffers, op weg naar Brussel of Parijs. Al die belangrijke – misschien wel cruciale – afspraken die mensen zijn misgelopen omdat iemand de deur open heeft laten staan. Je had ze moeten zien op Rotterdam Centraal toen ik daar rond een uur of één aankwam; de massa’s vastgelopen reizigers. Overal koffers en sporttassen. En dat was pas het eerste uur van de storing, dat zou nog veel erger worden, maar toen zat ik al een boterham te eten in het zonnetje op het Kruisplein voor het station. Van de nood een deugd maken, daar heb ik geen problemen mee.

Ik volgde de verkeersinformatie via de NS app, maar er werd steeds meer geannuleerd. Via het spoor was er in ieder geval geen enkele optie om de 23 kilometer naar mijn huis te overbruggen en over de bussen was 9292 reisinformatie ook niet erg duidelijk, terwijl er volgens mij toch een bus vanaf Zuidplein moest gaan. Om kwart over twee kreeg ik de ingeving van de waterbus.

Het duurt even, via het water (een uur ongeveer), maar het is in ieder geval een aangename rit, ongetwijfeld prettiger dan de eerste stampvolle treinen die rond zes uur gingen rijden.

Ik was om half vijf thuis en dacht: dit verzin je toch niet?!

Maar leef je nu even in in de persoon die de deur open heeft laten staan: Het is twaalf uur, schafttijd. Je gaat naar de kantine van ProRail, pakt je broodtrommel uit je rugzak. Met twee grote happen steek je de helft van je donkerbruine boterham met jonge kaas in je mond. Slok automaatkoffie erbij en dan hoor je dat de tunnel is volgelopen met schuim. Oh oh. Daar kom je net vandaan.

Als je ’s avonds met je pilsje en je iPad op de bank zit, zie je op nu.nl de beelden van duizenden gestrande reizigers. In het begeleidende artikel staat dat de storing komt omdat er een deur openstond en alleen jij weet wie die deur niet achter zich dicht heeft gedaan…

Dan voel je je toch knap lullig, of niet dan?

 

Uit mijn boek: Het snoepje van de week

Deze week, in het kader van de aankomende verkiezingen in de Verenigde Staten, een stukje uit mijn boek New York in 40 dates. Met dank aan mijn uitgever dat ik hier en daar ook wat van de inhoud mag weggeven. Mocht je mijn boek nog niet gelezen hebben, dan hoop ik hiermee je nieuwsgierigheid te prikkelen.


Het snoepje van de week

New York, november 2008

De dinsdag van de Amerikaanse presidentsverkiezingen heb ik afgesproken met Carlos. Carlos komt uit Madrid en woont hier nu ongeveer net zo lang als ik. Hij is bezig met zijn mba-studie aan de Universiteit van New York.

Wij mogen niet stemmen, maar we hebben de verkiezingscampagnes wel gevolgd. Je komt er ook niet onderuit, je wordt vanzelf meegetrokken. Het is voor het eerst in mijn leven dat ik de debatten tussen de twee voornaamste Amerikaanse kandidaten volg, bij mensen thuis, met het nodige commentaar, alsof je naar een tenniswedstrijd zit te kijken.

Carlos is twee jaar jonger dan ik. Ik heb heel duidelijk in mijn profiel geschreven dat ik niet op jongere mannen val, maar zoals veel van de jongere mannen op de site vindt Carlos zichzelf de uitzondering en vindt hij dat hij mij deze traktatie niet kan ontzeggen. Ik schrijf dat ik hem best wil ontmoeten voor een drankje. We kennen immers geen van beiden veel mensen in de stad, en in mijn achterhoofd houd ik dat dit een mooie gelegenheid is om mijn Spaans weer een beetje op te halen. Ik maak nogmaals duidelijk dat ik geen romantische intenties heb met een jongere man, maar hij schrijft terug dat we dat nog wel zullen zien. Hij vindt zichzelf echt het snoepje van de week. En ik moet zeggen: hij ziet er ook wel uit om op te eten. Dus natuurlijk stem ik toe om een glas wijn te drinken, ik bedoel… de arme jongen, helemaal alleen in deze grote stad…

We spreken af in een kroegje genaamd The Otheroom in de West Village. Een donker hol. Iets anders kan ik er niet van maken, het is echt a hole in the wall. Carlos praat honderduit over zijn ontmoetingen met mensen van Adult FriendFinder, over zijn ervaringen met stellen en vooral over zijn bedrevenheid met oudere vrouwen en hoe ze helemaal wild worden in zijn handen. Hij is niet onaardig, hij is erg aantrekkelijk, maar dit is precies waarom ik doorgaans niet op jongere mannen val: hij kan geen genoeg van zichzelf krijgen en schept rijkelijk op over zijn seksuele escapades en hoe ervaren hij wel niet is. Daar krijg ik dus een slappe van. Maar we hebben het gezellig. Ik hoor zijn gedetailleerde verslagen aan en hij is leuk om naar te kijken (ik zeg het nog maar een keer). Na twee glazen houden we het voor gezien.

In The Otheroom worden de verkiezingsuitslagen ook bijgehouden, maar buiten merk je pas goed welk effect de verkiezingen hebben. Omwonenden zitten met een biertje in een open raam en schreeuwen het aantal kiesstemmen naar elke voorbijganger die wil luisteren. Ze juichen bij elke stem die Obama heeft behaald. Net als we een klein stukje in de richting van de metro zijn gelopen, wordt bekendgemaakt dat Barack Obama de zege gaat behalen. Hij heeft het minimale aantal kiesstemmen binnen voor de overwinning. Auto’s toeteren, de mensen in het raam juichen en vreemden feliciteren elkaar op straat. New York is duidelijk een bijzonder democratische ‘blauwe’ staat, in tegenstelling tot de republikeinse ‘rode’ staten, die zich voornamelijk in het midden van Amerika bevinden.

Ik ben dankbaar dat ik deze avond op Manhattan rondliep en dit mocht meemaken. De sfeer was heel bijzonder. Ik kan me niet voorstellen dat Nederlandse verkiezingen ooit deze emoties naar boven zouden brengen.

Carlos en ik nemen afscheid. Hij werpt me een blik toe waarmee hij hoopt te zeggen: ik ben sexy, jij kunt mij niet weerstaan, je gaat me bellen. Maar ik zal dit snoepje van de week nooit bellen. Ik ben nou eenmaal niet zo’n zoetekauw, ik heb hem gewaarschuwd. Ik houd meer van hartig. Een lekker stuk oude Amsterdammer of zo.

Lekker behandelbaar

Maandag lag ik op de stoel bij de tandarts voor mijn halfjaarlijkse controle. Niet dat er nog veel te doen viel want recentelijk heeft hij, Ton de Tandarts, al mijn vullingen vervangen. Ik kan er voorlopig wel weer even tegen en ik stond dan ook binnen twee minuten weer buiten.

‘Goed gedaan,’ zei hij.

‘Ja, nee, jij!’

‘Ach,’ zei hij.

‘Teamwork,’ zei ik uiteindelijk en wenste hem vast fijne feestdagen.

Ik vind het niet erg om naar de tandarts te gaan. Sterker nog, ik ga liever naar de tandarts dan naar de huisarts, want wat bij de tandarts slecht nieuws is, valt meestal nog wel te repareren. Slecht nieuws bij de huisarts heeft meestal een langer staartje. Bovendien heb ik ook altijd hele leuke tandartsen gehad en dat scheelt natuurlijk ook.

Ik begon als tiener, na een aantal verhuizingen, bij Paul. Hij had een kunstwerk aan het plafond, boven de stoel, en hij vierde zijn veertigste verjaardag in de horecazaak waar ik destijds werkte, samen met twee bevriende tandartsen die ook veertig werden dat jaar. Sindsdien zei hij, wanneer ik binnenkwam, heel nadrukkelijk en zangerig “Die-A-na”, waarop ik hem vorsend aankeek en antwoordde met een veelbetekenende “Paul…” Het was een wild feestje geweest.

Ooit lag ik in zijn stoel, zwijgend controleerde hij mijn gebit. Uit de radio klonk een interview waarin het belang van geur in de aantrekkingskracht ter sprake werd gebracht. Paul stopte met waar hij mee bezig was en snuffelde aan me, zonder een woord te zeggen. Zo’n geval van perfecte timing.

In New York had ik een tandarts, Shaun, die wel wat weg had van Arnold Schwarzenegger, maar dan met flaporen en werkelijk stralend witte tanden. Deze tandarts was, net als Schwarzenegger, heel erg gespierd maar wilde mij niet in een donker steegje tegenkomen, zei hij. Shaun vond mij namelijk een heel stoer wijf omdat ik nooit verdoving wilde. Als hij ging boren en ik ook maar een pink bewoog, stopte hij meteen. “Gaat het?” vroeg hij dan gespannen, terwijl ik heel ontspannen in de stoel lag, ogen gesloten, handen gevouwen op mijn buik.

“Jahaa, doe nou maar,” zei ik dan. Ik heb nog nooit verdoving gekregen of gevraagd bij de tandarts en daar snapte Shaun helemaal niets van.

Toen ik terugkwam uit Amerika was Pauls praktijk flink gegroeid. Hij liep tussen drie of vier behandelkamers, kwam even gedag zeggen, keek even, maar verder deed een jongedame met een Spaans accent het meeste werk. Daar was ik op een dag klaar mee. Om precies te zijn op de dag dat hij, na ons begroetingsritueel, zich over me heen boog en zei: ‘Ja, dat moet allemaal vervangen worden.’ Hij had wel gelijk, maar ik vond het erg onpersoonlijk geworden en dus ben ik overgestapt naar Ton. Die was het wel met Paul eens dat de vullingen vervangen moest worden, maar Ton zou dat in ieder geval zelf gaan doen.

Ton de Tandarts is heel persoonlijk en van de oude stempel en daar hou ik van. Een lange, aantrekkelijke man. Zijn leeftijd durf ik niet te schatten, maar hij gaat al even mee. Hij gebruikt, voor zover ik weet, geen mondkapje en dat vind ik persoonlijk wel zo prettig. Uiteraard ben ik een groot voorstander van schoon en fris, maar het hoeft niet steriel te zijn. Ik ben niet vies van de mensen die ik aardig vind. Iemand wel of niet mogen, wordt voor mij ook heel erg bepaald door lichamelijke chemie, maar dat terzijde. Dat is weer een heel verhaal op zich. Ik voel me in ieder geval erg op mijn gemak bij mijn tandarts en dat is wel belangrijk. Zeker bij de mijne.

In vier keer heeft hij de vullingen vervangen. Linksonder, rechtsonder, linksboven en rechtsboven. Ton is niet zachtzinnig en trekt me stevig tegen zijn buik aan als hij aan het werk is. Hij lijkt te vergeten dat het gebit in een levend hoofd zit, dat het hoofd aan een mens zit, maar ik lig gedwee in de stoel, vertrouw de man en geef me graag aan hem over. Ik vind het eerlijk gezegd wel prettig, iemand die je stevig vasthoudt als hij je pijn dreigt te doen. Het werkt troostend. Zouden ze bij de bloedbank ook moeten doen; een stevige knuffel als ze die dikke naald erin zetten.

Eerder dit jaar, na de laatste vervanging, liet hij me dan eindelijk los.

‘Zo,’ zei hij tevreden. ‘Dat ging goed.’

‘Nou, fijn,’ zei ik, alsof we deze exercitie voor hem deden en niet voor mij.

‘Je bent ook zo lekker behandelbaar.’

Ik schoot in de lach.

Toen ik even later bij mijn fiets stond, moest ik iemand appen en dit heuglijke feit delen; ik was er eigenlijk wel een beetje trots op. Ik ben lekker behandelbaar. Nou, die kan ik mooi in m’n zak steken.

 

Overpeinzingen #3

Ik vraag ik me wel eens af of Koningin Máxima Spaans praat met haar dochters. Dat is natuurlijk fantastisch als je tweetalig kan worden opgevoed, daar kan ik jaloers op zijn.

En als bijna alle jonge meisjes er van dromen om prinsesje te zijn, waar dromen de prinsesjes dan van? En hoe zou het de ex-vriendinnetjes van Willem-Alexander vergaan zijn? Zullen ze een extra sexy-waarde hebben gekregen als “de ex-vriendin van”? Zullen ze inmiddels ook kinderen hebben en zullen ze die kinderen vertellen: ‘Kijk, dat had mama kunnen zijn.’ Een verbroken relatie is natuurlijk altijd jammer, maar met hoeveel weemoed kijk je terug naar je verkering met de Koning?

En hoeveel toegevoegde waarde hebben je exen? Of beter gezegd, hoeveel eigenwaarde ontleen je aan de mensen met wie je het bed gedeeld hebt? Begrijp me niet verkeerd, ik veroordeel het niet, ik maak me er zelf ook schuldig aan, merk ik. Niet aan de grote klok, maar bij een select groepje vrienden wil ik er (bij herhaling) nog wel eens op wijzen dat ik ‘het nog wel eens heb gedaan met hem’ als de ‘hem’ opmerkelijk is.

Toen ik in New York woonde kwam een Nederlandse vriend een dag of tien logeren. Een paar weken voor hij kwam, zei hij: ‘Ik wil ook wel eens daten in New York.’ Hij kende mijn verhalen, hij was vrijgezel en hij schreef zich in op de site die ik hem voorstelde. Hij kreeg contact met een vrouw die niemand minder bleek te zijn dan de ex-vriendin van Richard Gere. Mijn Nederlandse vriend en deze – overigens prachtige – dame zijn twee keer uit eten geweest, maar haar beste kwaliteiten bleek toch dat ze de ex-vriendin van Richard Gere was, want verder werd duidelijk dat ze eigenlijk helemaal niet zo aardig was. Wel had ze een enorm appartement in de Upper East Side, naast dat van Bette Midler, maar wanneer we het verhaal over zijn date vertelden, was de voornaamste boodschap toch eigenlijk dat ze “de ex-vriendin van” was.

Overigens smeekte ik mijn Nederlandse vriend om haar toch te blijven zien, want ze was nog steeds goed bevriend met Richard Gere. Dan zou ik die natuurlijk ook ontmoeten op society feestjes bij haar thuis en als ik het dan ooit nog een keer Richard Gere zou mogen doen, dan zou ik dat – laten we eerlijk zijn – natuurlijk ook te pas en te onpas laten vallen in gezelschap.