Vakantieliefde

Zoals je vorige week hebt kunnen lezen moest ik recentelijk naar Kaapstad voor een conferentie. Ik wilde een boek meenemen; niet te dik, vanwege het gewicht, maar ook niet zo dun dat ik het in één keer uit zou lezen.

Peinzend stond ik de avond voor mijn vertrek voor de boekenkast. De keuze uit nog ongelezen boeken is ruim, plus er zijn zat boeken die ik van plan ben te herlezen. Mijn vinger gleed langs de titels en mijn keuze viel op: ‘Mooi verhaal, een verrassende bundel Nederlandse verhalen’.

Ik sloeg het boek open, snoof de muffe boekengeur op, en daar stond het! Het hart met Pour Diana eronder. Tientallen boeken heb ik in de afgelopen jaren doorgebladerd, op zoek naar deze krabbel, vergeten in welk boek het stond. Ik slaakte een verrukte zucht – ‘Aaah… Gino’ – en droomde weg naar Parijs, iets meer dan twintig jaar geleden.

Pour DianaHet is 1994. Het boekje ‘Mooi verhaal’ is net uit en ik krijg het cadeau van Sinterklaas. Ik ben negentien jaar, bijna twintig, en ik ga de kerstvakantie met mijn moeder doorbrengen in Parijs. Via een reisbureau – want zo ging dat in die tijd – hebben we een hotelletje geboekt in het 9de arrondissement, Rue Richer. Ik weet het nog goed.

We komen ’s avonds aan met de trein en de metro, we hebben ingecheckt en we vragen aan de man achter de receptie of hij ons een restaurant in de buurt kan aanbevelen. We hebben trek, maar we zijn ook erg moe.

‘Hiernaast kunt u prima eten,’ zegt de man. We stappen het hotel uit. Twee passen verder is de ingang naar de bistro onder het hotel. Voor we naar binnen gaan bekijken we de menukaart die achter de ruit bevestigd is. De deur zwaait open.

‘Kom binnen, kom binnen,’ zegt een joviale man in het Frans. ‘Geen probleem,’ zegt hij er in het Nederlands achteraan, hij heeft ons snel geschat. We hebben weinig keuze, met open armen worden we naar binnen geleid en aan een tafeltje gezet. De man heet Gino en ziet er net zo Italiaans uit als zijn naam doet vermoeden (hoewel hij in Duitsland is opgegroeid, komen we later te weten). Hij bedient ons met een enthousiasme dat wij niet gewend zijn in Nederland. Hij maakt een praatje, spreekt een paar woorden Nederlands met ons en maakt grapjes. Hij is een clown, een entertainer en hij heeft de hele zaak in z’n broekzak. Kirrend van plezier zitten we aan ons tafeltje bij het raam.

De eigenaar staat achter de bar. De rijzige man doet me denken aan Marlon Brando, terwijl Gino, een vroege veertiger, op Al Pacino lijkt (misschien keek ik in die tijd iets te vaak naar The Godfather). Je moet weten dat ik mijn hele leven al hopeloos verliefd ben op Al Pacino. Tenminste, ik was hopeloos verliefd toen ik negentien was, nu ben ik veertig en is het slechts nog een sluimerende aandoening.

Parijs is koud en als snel is het de routine van mijn moeder en mij om ons aan het eind van de dag op te warmen bij Gino, met een warme chocomelk met een scheut Cointreau.

Gino kent ook het Nederlandse woord ‘prinsesje’ en al snel staan wij bij de bistro te boek als Prinsesje et Maman.

Een paar dagen later vraagt Gino of we het leuk zouden vinden om ergens wat te gaan drinken. Zijn collega Marcel gaat ook mee, ook al spreekt Marcel geen woord buiten de deur en kunnen we zijn Frans nauwelijks verstaan. Marcel heeft zijn oog op mij laten vallen, maar ik heb geen oog voor hem. Ik ben gecharmeerd van Gino. Swept off my feet door deze wervelwind met het gezicht van Al Pacino. En ik wind er geen doekjes om. Ook met negentien jaar was ik al een brutaaltje. L’enfant terrible.

Na sluitingstijd stappen we met z’n vieren bij Gino in de auto. Ik voorin, naast Gino, mijn moeder en Marcel op de achterbank.

‘Maar je bent nog zo jong,’ fluistert Gino als mijn moeder en Marcel even niet op ons letten.

‘Pff.. ik ben bijna twintig,’ protesteer ik. We hebben niets uitgesproken, maar Gino zou wel erg naïef zijn gebleken als hij mijn schaamteloos geflirt de afgelopen dagen niet zou hebben begrepen. We rijden naar de Champs-Élysées en drinken wat in een club daar. Marcel praat honderduit, maar we begrijpen hem niet en Gino moet alles vertalen. Onder de tafel zoekt mijn voet de zijne. Boven de tafel kijk ik hem veelbetekenend aan.

Gino zet eerst Marcel bij zijn huis af en rijdt ons dan terug naar het hotel. Mijn moeder loopt voorop en staat al binnen. Gino grijpt me beet en drukt me buiten tegen de muur. Hij begint me te zoenen.

‘Je maakt me helemaal gek,’ bijt hij me toe. ‘Gaan we morgen samen wat drinken? Jij en ik?’ Ik knik en glip het hotel in, achter mijn moeder aan.

De volgende dag, als we lunchen bij de bistro, roept Gino me apart.

‘Vind je het goed als ik een hotelkamer boek?’ Ik zeg hem dat ik dat inderdaad goed vind.

Die avond gaan we eerst wat drinken, we eten een crêpe aan de Boulevard Montmartre en keren weer terug naar het hotel. We duiken een andere kamer in en hebben een geweldige nacht samen.

‘Als je zwanger raakt, mag je het niet wegdoen,’ zegt hij op een gegeven moment. ‘Dan geef je mij de baby. Ok?’ Dat is een ongebruikelijk verzoek. Hij neemt mijn gezicht tussen zijn beide handen. ‘Beloof het me.’ Ik knik, voor zover dat gaat in zijn grip.

‘Ik beloof het,’ zeg ik. Maar gelukkig heb ik een dergelijk souvenir nooit meegenomen uit Parijs.

Gino en ik houden contact. Hij belt me een paar maanden later om me vertellen dat hij een eigen zaak heeft gekocht, vlak bij het hotel en de oude bistro. Natuurlijk ga ik langs. Op het prikbord naast de bar hangt een foto van ons drieën in de bistro. Gino, met een gulle lach, in het midden. Met zijn stevige armen om onze schouders heeft hij ons dicht tegen zich aangetrokken.

Vele maanden later kom ik nog een keer onverwachts langs met een vriendin. Hij is nog heel hartelijk, maar ik begrijp dat hij inmiddels een relatie heeft.

De volgende keer dat ik in Parijs ben en langsga, is hij verdwenen. Met de noorderzon vertrokken. Iets met de belasting. Mijn hart heeft hij meegenomen, maar nu heb ik het weer gevonden in ‘Mooi verhaal’.

Ode aan de KLM

Ik ben een grote fan van de KLM. Nee, ik word niet door ze gesponsord, maar als ik ergens enthousiast over ben, dan mag dat ook wel eens gezegd worden, nietwaar? Mensen kunnen mopperen over onze Koninklijke Luchtvaart Maatschappij, bijvoorbeeld over krappe stoelen, maar ik vind het heel erg meevallen en ik vind het in de afgelopen jaren erg verbeterd (hoewel ik moet toegeven dat ik op de lange vluchten voor Economy Comfort kies).

Het meest opmerkelijke, meest bewonderingswaardige, vind ik dat ik (nu ik erover nadenk) nog nooit een onaardige KLM medewerker heb ontmoet. Voor zo’n enorm grote organisatie is het een geweldige prestatie om een consequente, enthousiaste, collegiale bedrijfscultuur te handhaven, en om een dergelijk vriendelijk imago op te bouwen. Bovendien heb ik als marketeer veel bewondering voor de marketing van KLM, met name de inzet van de social media.

Ik voel echt een nationale trots als het gaat om de dames en heren in de blauwe pakjes en ik hoop dat de aangetrouwde, Franse tak hier niet teveel invloed op heeft.

Maar terug naar die bedrijfscultuur: de kans dat de bemanning op een bepaalde vlucht elkaar niet kent is vrij groot, heb ik me wel eens laten vertellen. Daar zult u als passagier echter weinig van merken, het team ziet er altijd gezellig uit, alsof ze altijd samen op reis gaan. Dat is dus niet zo. Als piloten (ongeacht van welke maatschappij) meevliegen als passagier, komen de stewards en stewardessen zich voorstellen en leggen de desbetreffende piloot-in-burger helemaal in de watten. Dat respect voor piloten, die collegialiteit, doet mij persoonlijk denken aan de grandeur die de luchtvaartindustrie decennia geleden (ook al) had. Het gevoel van een eliteclub, en dat vind ik persoonlijk iets romantisch hebben. Het is jaren ‘50 sexy, het is pin-up sexy.

Maar ook naar passagiers vind ik de bemanning extreem vriendelijk, open en behulpzaam. Zeker als je er zelf ook voor open staat; voor dat praatje, die gezelligheid. Ze gaan heel goed met lastige passagiers om (daar ben ik ook getuige van geweest, kan ik ook nog een paar verhalen over vertellen), maar als je een ‘gezellige passagier’ bent, dan krijg je dat echt driedubbel en dwars terug. Ik kan het iedereen aanraden.

Vorige week zat ik in de lange vlucht (van bijna 12 uur) naar Kaapstad met een blaasontsteking. Ik kwam er te laat achter, dus ik had geen tijd meer om naar de huisarts te gaan. Zelfmedicatie dus: cranberry sap, vitamine C en heel erg veel kruidenthee. Daar zat ik met mijn Starbucks thermosbeker, een doos vol kruidentheezakjes en een bakje vol vitamine C kauwtabletten. Toen de stewardess met een glimlach mijn thermos bijvulde, vertrouwde ik haar toe dat ik een blaasontsteking had.

‘Ik zal je dus nog wel heel vaak lastigvallen,’ zei ik erbij.

Ze legde een hand op mijn schouder. ‘Geen enkel probleem,’ fluisterde ze me toe, ‘in business class hebben we cranberry sap, zal ik zo wat voor je halen?’ Ze werd mijn grootste vriendin op deze vlucht, en ik haar ‘heet water klantje’. Af en toe kwam ze uit zichzelf vragen of ze de thermos even moest bijvullen. Ik heb liters weggewerkt en stond dus ook geregeld bij het toilet op mijn beurt te wachten. Tijdens een van deze momenten raakte ik aan de praat met een purser.

‘Heb je…’ begon hij vertwijfeld, ‘je komt me zo bekend voor.’

‘Ik heb zo’n gezicht,’ zei ik met een geruststellende glimlach. ‘Ik krijg het vaak te horen,’ voegde ik er aantoe, en na een korte stilte kon ik het toch niet nalaten erachteraan te zeggen: ‘Ik heb een boek geschreven, maar ik kan me niet voorstellen dat je me daar van kent.’

Hij keek me nog eens peinzend aan. We praatten nog een tijdje. Later kwam hij me wat lekkers brengen uit business class en ik gaf hem een stapeltje boekenleggers welke hij beloofde uit te zullen delen aan de rest van de bemanning. Super!

(À propos: mijn nieuwste bezigheid aan boord van een KLM vliegtuig, of in de KLM lounge, is nu het uitdelen van boekenleggers aan alle wereldwijze, vrolijke dames en heren van de KLM. Een uitermate geschikte doelgroep voor New York in 40 dates als je het mij vraagt.)

Zowel de stewardess die mijn thermosbeker bleef bijvullen, als de purser komen tegen het einde van de vlucht nog even gedag zeggen.

‘Je bent nogal populair bij de bemanning,’ zegt mijn Amerikaanse buurman als we uitstappen. Ik glimlach gegeneerd. Ze hebben me inderdaad weer verwend met hun aandacht en goede zorgen. Dus nee, niets dan goeds over de medewerkers van KLM. Ik kijk nu al uit naar de terugreis, en dat terwijl de vlucht nou juist het gedeelte van de reis was waar ik zo tegenop zag.

Kill your darlings: Daniel

Voor de nieuwkomers: er zijn een aantal verhalen (van dates) die het boek New York in 40 dates niet hebben gehaald. Schrijven is schrappen. Kill your darlings. Ik wil hier een paar van deze verhalen alsnog met je delen.


Daniel

New York, september 2009

Ik ontmoet veel fotografen via de datingsite in New York. Misschien is dat niet zo vreemd; de kans om collega’s op de werkvloer te leren kennen hebben fotografen natuurlijk nauwelijks. In die zin is het een eenzaam beroep. Het opmerkelijke, echter, van de fotografen die ik hier ontmoet, is dat ze zich (kunnen) specialiseren in héle specifieke onderwerpen. Daniel is bijvoorbeeld een fotograaf die zich uitsluitend bezighoudt met het maken van reclamefoto’s van auto’s.

Daniel is Brits en heeft de heerlijke Britse humor die ik zo geweldig vind. Als we plannen maken voor onze date, schrijft hij: ‘Laten we afspreken bij het bronzen beeld van Ghandi op Union Square.’

‘Uitstekend. Hoe laat?’ vraag ik.

‘Om dertien minuten over acht. Exact.’ Dat vind ik humor. Ik zou het briljant hebben gevonden als hij inderdaad exact om 20.13 uur voor me had gestaan, maar helaas komt hij pas tegen half negen aanlopen. Mij laten wachten vind ik dan weer minder grappig. Hij neemt me mee naar een koffiezaakje waar hij een thee bestelt en ik een koffie. We nemen onze drankjes ‘to go’, want het is een heerlijke zwoele avond.

Daniel ziet er overigens erg goed uit; begin veertig, lang, slank en gespierd (voorheen professioneel wielrenner), met donker krullend haar.

‘Ik zal je het meest armzalige fonteintje van Manhattan laten zien,’ zegt hij en neemt me mee naar Stuyvesant Square, een klein stukje groen in de East Village / Gramercy Park. In het parkje ligt een kleine ronde vijver met in het midden daarvan een staaf: werkelijk een legendarisch treurig fonteintje.

Uit de staaf – die er ook zonder fantasie al uitziet als een fallussymbool – komt een miezerig straaltje water. Het water komt er in horten en stoten uit en maakt het beeld compleet dat het eigenlijk een penis moet voorstellen die voortdurend klaarkomt. We hebben plaatsgenomen op een bankje naast de vijver en hoe langer we naar de paal kijken, hoe overtuigender de erotische symboliek wordt. Het werkt erg hypnotiserend.

Het wordt donker. We praten over werk, over ons verleden, over seks in het park in het donker (want de fontein heeft ook wel iets opwindends) en ondertussen spelen zijn lange slanke vingers met mijn krullen. Het zou een vertederend gebaar kunnen zijn, dat spelen met mijn haar, maar het voelt niet oprecht. Ik kan het niet precies omschrijven, maar ik voel dat het niet om mij gaat; dat hij op zoek is naar seks, ongeacht met wie. Dat mag, maar dan niet met mij. Ik heb niet het idee dat Daniel registreert wat ik zeg, of dat het hem iets interesseert. Hij antwoordt plichtmatig en kijkt me dromerig aan. Misschien is het zijn zwoele blik, misschien is het zijn slaperige blik. Hoe dan ook heb ik niet het gevoel dat hij mij ziet.

‘Ik moet gaan,’ zeg ik. Als hij verrast is door mijn milde afwijzing, dan herstelt hij zich snel.

‘Ja, ik moet morgen ook heel vroeg op voor een klus,’ zegt hij.

Daniel loopt een paar blokken met me mee naar de metro en om 21.41 uur nemen we afscheid me een onschuldige kus.

Zing!

Waarom zingen we eigenlijk niet vaker, gewoon op straat? Vinden we dat we het niet kunnen? Of generen we ons nou zo massaal. Dat is toch jammer eigenlijk. Ik word er erg vrolijk van als ik mensen hoor zingen of fluiten, het werkt aanstekelijk. Het leukste zijn kinderen die helemaal in hun eigen wereldje zitten en zachtjes zingen of neuriën. Daar word ik intens gelukkig van; heel diep van binnen, op dat donkere plekje waar nooit licht komt, breekt dan ineens een zonnetje door. Dat is toch fantastisch?

Doc1Ik zong vroeger heel veel. Het hielp waarschijnlijk wel dat ik op Annie leek (zie foto’s, zeg nou zelf…) en dus altijd moest zingen voor de mensen die mijn moeder hierop attendeerden. Daar ging ik weer: ‘Toemorro toemorro, ai luf joe toemorro, joer oonlie ee deeeee eeweeeeee

Tijdens mijn vroege tienerjaren woonden we in de Achterhoek, dan ging ik een stuk paardrijden en zong naar hartenlust, zittend op de rug van mijn loom voortsjokkende pony. Voor de visualisatie: inmiddels was ik een vrouwelijke versie van Dik Trom. Ons gehucht bestond uit 13 boerderijen dus je begrijpt wel dat ik weinig gêne voelde, ondanks de typisch Achterhoekse sneren als: ‘Mag er een andere plaat op?!’

Later, in de ‘grote’ stad (Dordrecht) heb ik een paar jaar meegedaan aan musicals, tot aan mijn zeventiende, en daarna is het eigenlijk steeds minder geworden met dat zingen. Ik zong alleen nog in bescheiden kring en onder de douche. Daar bleef het bij. Die blauwe maandagen dat ik in een koor en in een band zat tel ik maar even niet mee. Vandaag de dag zing ik alleen nog onder de douche, en ook dat nog maar heel zelden eigenlijk.

Nu ben ik op vakantie in eigen land, in Amsterdam, en het valt me op dat ze er hier in Mokum toch wat vrijer in zijn. Wat geweldig, en wat heb ik dat gemist zonder dat ik het in de gaten had. Bijvoorbeeld, van de week ging ik boodschappen doen en werd tot mijn oprechte verbazing (want het regende pijpenstelen) regelmatig gepasseerd door fluitende jongemannen (en dan bedoel ik fluitend als in: een deuntje fluiten, en niet ‘fietfieuw’ fluiten natuurlijk).

Of gisteren, toen ik een boekje zat te lezen in de huiskamer van het appartement in de Jordaan waar ik mijn vakantie doorbreng, reed er iemand door de straat en hij zong een prachtig lied. Hij had werkelijk een schitterende stem. Ik glimlachte tevreden. Heerlijk.

Op een andere dag breekt Henk, aan de bar bij Hoppe, spontaan uit in een lied: ‘Smile though your heart is aching, smile even though it’s breaking..’ Geweldig.

In Dordrecht hebben we een man die loopt werkelijk de hele dag te zingen. Ik weet niet helemaal zeker of de beste man nog leeft want hij is al aardig op leeftijd, maar iedereen die regelmatig in de binnenstad komt, weet wie ik bedoel. Hij heeft een klein repertoire Hollandse levensliederen waar hij mee door de stad wandelt, en elke voorbijganger toezingt. In Dordrecht vinden we het een beetje de dorpsgek, maar vervelend zullen mensen het toch niet vinden. De mensen op het terras kijken beschaamd weg wanneer hij uit volle borst het terras toezingt, maar er staat toch een kleine glimlach op hun gezicht. En terecht; wie wordt er nou niet vrolijk van iemand die zichtbaar zo ontzettend vrolijk is?

Dus, lieve mensen, doet u mee?

Hilversum drie bestond nog niet

maar ieder had, zijn eigen stem

op elke steiger klonk een lied

 

Wereldberoemd

Oké, ik heb gezegd dat ik zou zwijgen over mijn datingervaringen in Nederland want dat vind ik te dicht bij huis, maar ik ga een uitzondering maken want de meneer waar ik vandaag over schrijf is niet Nederlands, woont niet in Nederland en ik heb hem ook niet ontmoet. Ons korte gesprek via Tinder en facebook – zijn monoloog eigenlijk – was zó ongenuanceerd dat ik hoop hem nooit tegen te komen. Ik wilde het je echter niet onthouden. Ik wil wel zijn privacy beschermen dus ik ga zeggen dat hij Jacques heet, in Marseille woont en met enige regelmaat in Amsterdam is. Alleen dat laatste is waar.

Verder moet je iets van mij weten: ik heb al zo’n vijftien jaar geen televisie meer, ik luister geen radio en ik lees geen kranten (echt belangrijk nieuws bereikt me echt wel, maak je geen zorgen). Ik weet dus absoluut niet wie wie is in de Privé of de Story, ik heb sinds mijn vijftiende geen aflevering van GTST meer gezien en als ik iemand wel herken dan ben ik niet zo heel erg snel star struck. Om een goed voorbeeld te geven: de legendarische eerste woorden die ik ooit tegen Huub van der Lubbe sprak, waren: “Waar was je nou?” Dit was tijdens het benefiet concert voor de begrafenis van Wally Tax, waar mijn toenmalige vriend aan meedeed en waarvoor Huub van der Lubbe ook op het programma stond. Wij hadden de hele middag gerepeteerd en gesoundchecked, maar Huub kwam pas binnen toen het concert in volle gang was en stond ineens naast me.

“Uh…,” stamelde hij, “ik… uh…  hoef niet te soundchecken.” Hij bekeek me eens goed, met een half glimlachje, en vroeg: “wil je wat drinken?” Hij vond mij wel grappig denk ik.

Nog zo’n voorbeeld: een paar maanden geleden ontmoette ik een kunstenaar die het toch wel opmerkelijk vond dat ik nog nooit van hem gehoord had. “Maar,” zei hij, “ik ben echt wereldberoemd.” Hij klonk oprecht verbaasd, niet arrogant. Ik haalde mijn schouders op.

Of, voor ik werd geïnterviewd bij BNR Radio, had ik – tot grote ontsteltenis van mijn mannelijke collega’s –  nog nooit van Wilfred Genee gehoord. Tja…

Nou ja, zo kan ik nog wel een paar voorbeelden noemen hoe anderen mij moeten op attenderen op iemands faam en hoe we er dan smakelijk om moeten lachen.

Dat dus slechts ter introductie. Terug naar Jacques; we hebben een match op Tinder en raken aan de praat. We zijn nog geen vier regels verder als hij schrijft:

“Ik ben een hele bekende pianist.”

“Oh boy,” mompel ik. Als je vindt dat je dit moet schrijven dan is het al niet goed natuurlijk. Zeg gewoon dat je pianist bent.

“Kunnen we verder praten via facebook?” vraagt hij. Ik stuur hem een vriendschapsuitnodiging en hij voegt me toe aan zijn ‘persoonlijke’ vrienden, een selecte groep van circa 10,000 leden. Die avond ga ik niet meer in op zijn berichtjes, want ik heb een etentje.

De volgende dag (hij heeft blijkbaar in mijn foto’s zitten neuzen) schrijft hij: “Heb je een seksrelatie gehad met die oude man in de zwart-wit foto?” Ik moet even goed nadenken want ik heb seks gehad met wel meer ‘oude’ mannen (relatief begrip), maar ik heb maar weinig zwart-wit foto’s met ‘oude’ mannen. Ik heb wel een zwart-wit foto met Herman van Veen. Ik moet lachen.

Met Herman van Veen in Kunstmin in Dordrecht
Met Herman van Veen in Kunstmin in Dordrecht

“Deze?” vraag ik en stuur de foto.

“Weet je wie dat is?” vraag ik, en zeg: “dat is Herman van Veen. Zoek die nou maar ’s op.” Die is dus wél wereldberoemd en als ik hem zie ben ik dus wél echt star struck. “Nee,” schrijf ik hem, “ik heb geen seks met hem gehad, maar als hij me zou willen hebben, dan zou ik dat zeker doen. Mag hij me daarna in slaap zingen want hij heeft de mooiste stem ter wereld.”

Jacques vindt het jammer, want zo zou het voor hem kunnen zijn als hij oud is (sorry, Herman, dat zijn zijn woorden). Jacques gaat verder, in staccato berichtjes:

“Vandaag de dag kan ik gemakkelijk jonge meisjes krijgen. Ik ben nog jong. Pas 42 jaar. Dat is omdat ik een hele goede pianist ben. En veel mensen me kennen. Het is natuurlijk. Tussen jonge meisjes en belangrijke mannen.”

Ik verslik me in m’n koffie. WTF?! Ik schrijf alleen maar: “Right…”

Maar Jacques is nog niet klaar en voelt mijn sarcasme niet aan:

“Maar ik vind vrouwen van mijn leeftijd ook leuk. Voor de ervaring.”

Nu onderbreek ik hem dan toch en schrijf: “Jacques, je windt me echt niet op met deze praatjes. Zeg me alsjeblieft dat dit Franse humor is?!”

Nee, hij is bloedserieus en vraagt me wat er mis mee is. Ik leg hem haarfijn uit dat ik een nuchtere Nederlandse ben van 40 jaar oud en ab-so-luut niet gecharmeerd ben van iemand die loopt op te scheppen dat hij jonge meisjes in bed krijgt omdat hij zogenaamd beroemd is. “Zo praat je toch niet tegen een vrouw?!” Bijt ik hem toe.

Nou ja, je begrijpt dat ik het meteen gedaan had, en overal ont-vriend en uitgeknikkerd werd. En ik was net lekker op dreef!

Dus, meisjes, als jullie een pianist tegenkomen die zegt dat hij wereldberoemd is, ga alsjeblieft niet met hem mee; je bent ‘het zoveelste jonge meisje’ en als je ouder bent, ben je ‘voor de ervaring’. Kortom, het is een crêpe (da’s Frans voor ‘creep’).

Het is tijd

En dan ineens is het afgelopen. Dan loop je de aula van het uitvaartcentrum binnen en denk je onwillekeurig aan alle andere keren dat je hier ook was. De familie, vrienden, bekenden en collega’s die je ook hebt weggebracht. We hebben het over ‘onze’ doden op een uitvaart. Het gaat niet alleen om die ene persoon die recentelijk overleden is, het gaat ook een beetje om al de mensen die we gaandeweg verloren zijn.

En je denkt aan de mensen waar je bijna afscheid van hebt moeten nemen, maar nog niet. Zij die nog wat extra tijd gekregen hebben. Maar de dag gaat wel komen dat ze er niet meer zijn, begrijp je nu. En de dag dat iemand er niet meer is komt altijd onverwacht, zoals bij de vrouw waar we vandaag afscheid van nemen. Slechts 55 jaar, overleden in haar slaap. Het had een ieder van ons kunnen zijn, waarom niet, en een deel van onze tranen is te wijten aan onze schrik.

Er zijn dagen dat een bijna verlammende angst me overvalt. Paniek. Het kan ineens afgelopen zijn. Ik probeer er niet over na te denken, want zo kun je niet leven, maar ik voel de haast. Ik wil nog zoveel doen, maar… het kan ineens afgelopen zijn.

Doorgaans nemen we alles en iedereen zo gemakkelijk voor lief zolang het er is. Tot het er niet meer is. Vrienden, familie, maar ook dingen als je baan, al je foto’s op je laptop, je internettoegang, het stromend water uit de kraan, de elektriciteit. We denken er niet bij na, maar wat een schok als iets of iemand ineens wegvalt. Wat een klap als de tijd voor mensen om je heen ineens op is.

Wat zou een dag waard zijn, vraag ik me wel eens af, als je tijd onderling zou kunnen kopen en verkopen. Hoeveel zou je voor een etmaal betalen en hoeveel zou je er voor willen ontvangen? Hoeveel geef je om jouw tijd? Zonder te weten hoeveel tijd je nog hebt, dus zonder dat je weet wat jouw balans is (als we een ‘balans’ hebben).

Misschien ‘verkoop’ je vijf dagen en blijkt dat je er nog maar tien had. Maar misschien heb je er nog 7300 en merk je weinig van die vijf dagen minder.

Het zou kunnen dat je er vijf koopt en dat je er na twintig tevreden jaren achter komt dat ze overbodig waren, maar misschien zijn het net de vijf dagen die er voor zorgen dat je je dochter weg kunt geven op haar bruiloft.

Soms zie ik mensen dagen niets doen, avond aan avond op de bank achter de televisie zitten. Zouden zij hun dagen gemakkelijk en goedkoop van de hand doen? Onverschillig over hoeveel ze er nog hebben? Tijd heeft voor iedereen een andere waarde, een andere betekenis. Tot het op is. Tot het tijd is. Schaarste bepaalt de waarde en als de dagen zijn geteld, is tijd het meest kostbare, het meest onbereikbare wat er is.

Kanjer(s)

Diep in het verste hoekje van het Amsterdam Centraal station kun je je koffer tijdelijk opslaan. Beter gezegd: je kunt een kluisje huren waar je in op kunt slaan wat je wilt, maar in mijn geval is dat dus een koffer. Erg handig. Het enige probleem is dat het een gedeelte van Amsterdam Centraal is waar je liever niet wilt zijn.

Wanneer je echt het eind van het station hebt bereikt, kom je in een ruimte waar daglicht niet bij kan. Een ruimte die van de vloer tot het plafond betegeld is met zogenaamd vrolijke tegels, in van die verschrikkelijke pastelkleuren. Rijen grijze blokken van kil staal en de lucht van een urinoir.

Bijna alle kluisjes zijn bezet, er wordt dus goed gebruik van gemaakt. Ik wil hier zo snel mogelijk weer weg, dus ik loop op een drafje langs de metalen muren tot ik een beschikbare bewaarplaats vind. Ik druk automatisch – zonder er bij na te denken – de deur van het kluisje dicht en hoor ‘klik’.

‘Hé,’ breng ik verbaasd en verontwaardigd uit. Wat vreemd dat het meteen op slot gaat, dat is nogal drastisch. De kluis weet helemaal niet wie ik ben en heeft me ook nog niet laten weten hoe ik mijn tas er t.z.t. weer uitkrijg.

Rechts van mij staat een Duitse dame over de betaalautomaat voor de kluisjes gebogen. Zij is al net zo in de war als ik. Haar kluisje, rechts van haar, gaat niet dicht terwijl haar zoontje van een jaar of zes het deurtje probeert dicht te houden. Ze krijgt wel een ticket. We begrijpen er helemaal niets van.

‘Gaat u maar,’ mompelt ze in het Engels terwijl ze niet begrijpend naar het bonnetje kijkt. Ik krijg het niet voor elkaar om te betalen, of om zelfs maar mijn kluisnummer in te toetsen en ik krijg dus ook geen ticket. Hoe krijg ik dan in hemelsnaam mijn koffer weer terug?

De vrouw en ik kijken elkaar aan.

‘Begrijpt u het?’ vraag ik aan haar. Ze schudt haar hoofd. We nemen de situatie samen door.

‘Mam…’ begint haar zoontje zacht. De moeder maakt een sussend gebaar naar haar zoontje terwijl we de betaalautomaat en de bon samen bestuderen.

‘Maar Mam…’ probeert hij nog een keer. Hij trekt nu zachtjes aan haar jas.

‘Nu even niet, lieverd,’ zegt zijn moeder niet onvriendelijk. Het jongetje zucht en wijst demonstratief naar iets naast hun kluis. Zijn lippen stijf op elkaar. Als er een bedachtzame stilte valt, tussen zijn moeder en mij, neemt hij toch zijn kans waar.

‘Mam, déze automaat hoort bij déze kluisjes,’ hij wijst naar de safes aan mijn kant, ‘en déze bij de onze.’ Hij staat naast een tweede betaalautomaat, anderhalve meter verder.

‘Wat goed van jou!’ roepen we in koor. Kanjer.

De vrouw geeft mij het ticket dat voor mijn kluisje bestemd is (zij betaalde op het moment dat ik de deur dicht deed) en betaalt nu ook haar eigen kluisje. Ik had natuurlijk haar kluisje moeten betalen, dan hadden we ons een hoop tijd en moeite kunnen besparen. Maar nee, zo scherp waren we op dat moment dus niet.

‘U krijgt zeven euro van mij,’ zeg ik, ‘maar ik heb geen contant geld. Ik zal even moeten pinnen.’ Het duo loopt aarzelend met me mee en we vinden een pinautomaat. Ik sluit achter de lange rij aan. Ik glimlach verontschuldigend naar moeder en zoon. Het jongetje klampt zich aan zijn moeder vast. Hij zeurt niet, maar het is duidelijk dat hij allang klaar is met dit avontuur en deze troosteloze omgeving. Hij wil hier ook weg.

Ik pin twintig euro, maar dan moet ik nog wisselen natuurlijk. Kauwgum kopen dan maar. Ik sleep het stel mee van de pinautomaat naar de kiosk en daar koop ik een pakje kauwgum. Bij de kassa zie ik stroopwafels liggen. Kanjers. Die neem ik ook mee.

Ik geef de vrouw haar zeven euro en geef de koeken aan de jongen.

‘Dit zijn echte Nederlandse koeken,’ zeg ik er bij. ‘Er zitten er twee in, dus misschien wil je delen met mama?’

Liever niet, zie ik hem denken, maar hij knikt toch.

Kanjer.

Kill your darlings: Onze man in Israël

Voor de nieuwkomers: er zijn een aantal verhalen (van dates) die het boek New York in 40 dates niet hebben gehaald. Schrijven is schrappen. Kill your darlings. Ik wil hier een paar van deze verhalen alsnog met je delen.


Onze man in Israël

New York, juli 2009

Eén van de meest onwaarschijnlijke ontmoetingen in mijn dating bestaan is met Avi. We zijn via de datingsite in contact gekomen, maar Avi woont in Israël. Hij reist regelmatig naar New York voor werk, zegt hij, en heeft daarom gezocht op vrouwen in New York. Avi handelt in kunst.

Hij is getrouwd, dus ik zeg hem al aan het begin van ons contact via de website dat ik geen zin heb om zijn New Yorkse maîtresse te worden. Als ik het kan voorkomen ga ik liever niet lopen stoken in een goed huwelijk natuurlijk, als je het een goed huwelijk mag noemen als iemand zonder medeweten van zijn of haar partner op een datingsite zit. Maar dat terzijde.

In onze correspondentie, die ik eigenlijk graag meteen al had willen afronden maar die Avi constant op gang houdt, vraag ik hem uiteindelijk waarom hij op de site zit, waarom er zo duidelijk op uit is om vreemd te gaan. We raken in een gepassioneerde discussie over levensopvattingen en religie. Wanneer hij op een dag naar New York komt, stem ik toe hem te ontmoeten voor een kop koffie tijdens mijn lunchpauze. Vriendschappelijk, meer niet. Laten we onze discussie daar voortzetten, spreken we af.

Avi staat bij de ingang van het West 4 Street metrostation op me te wachten, mét twee enorme koffers. Hij komt direct uit Israël. Hij is op weg naar Canada, maar weet nog niet zeker hoe hij daar naar toe zal gaan. Bus, trein, vliegen. Hij weet ook nog niet waar hij slaapt vannacht. Ik kan best improviseren en ik geloof altijd wel dat alles op zijn pootjes terecht komt, maar dit is wel erg extreem.

Vlakbij is de prachtige koffiezaak genaamd Caffe Reggio (zie ook mijn New York tip). We slepen zijn koffers naar het café, nemen plaats en bestellen een koffie. Het is al snel duidelijk dat mijn intentie om een vriendschappelijk kopje koffie te gaan drinken niet serieus wordt genomen: hij stort zich in schaamteloos geflirt en probeert herhaaldelijk mijn hand vast te houden die ik hem dan weer ontfutsel.

‘Laat me die mooie glimlach zien,’ zegt hij met enige regelmaat. Ik vind het denigrerend en respectloos; het staat blijkbaar ter discussie of ik een affaire wil met een getrouwde man uit Israël. Had ik niet gezegd dat ik daar geen zin in heb?

Het wordt erger: Avi, die pas 35 jaar oud is, heeft vijf (!) kinderen. Hij laat foto’s zien en het blijkt dat Avi niet zomaar joods is, maar orthodox joods. Gezien het feit dat hij internationale zaken doet heeft hij de krullen, de lange bakkenbaarden, afgeknipt. Ik dacht altijd dat het binnen deze stroming verboden was om ze af te knippen, maar blijkbaar is het een keuze. Zijn zoontjes hebben in ieder geval wel de lange krullen voor hun oren.

Hoe harder Avi – zeker geen onaantrekkelijke man, met rossig haar en een goed gebouwd lichaam – probeert, hoe killer en afstandelijker ik word. Ik drink mijn koffie op en maak snel dat ik wegkom. Mijn excuus is dat ik terug naar kantoor moet: druk druk!

Niet veel later belt Avi me op. Hij vertelt dat een vriend hem komt halen en dan rijden ze samen naar Canada. Hij vraagt of hij zijn bagage misschien een paar uur bij mij op kantoor mag laten. Verschrikkelijke terroristische scenario’s trekken onwillekeurig aan mijn geestesoog voorbij; in Amerika word je erg bang gemaakt voor onbeheerde tassen en koffers, dus ik moet er even over nadenken voor ik toezeg.

Aan het eind van de dag komt Avi ze weer ophalen en hij loopt met me mee naar het West 4 Street metrostation waar ik de metro naar Brooklyn pak. Inmiddels is Avi moe en uitgeblust. Hij heeft niet meer de energie om me te versieren en op deze manier is hij heel goed te verteren. We nemen afscheid met een Amerikaans hug. Hij schrijft me later dat hij zich altijd af zal vragen hoe het zou zijn om mijn, zoals hij zegt, mooie lippen te kussen. Ik ga er maar niet op in.

Een beetje liefde. Dankjewel, vreemdeling

Er zijn een paar dagen in de maand waarop een vrouw een beetje extra liefde nodig heeft. Dat kunnen we allemaal gebruiken, elke dag, maar voor mij persoonlijk geldt dat ik de paar dagen voor díe tijd van de maand een onverzadigbare behoefte voel aan knuffels, schouderklopjes en figuurlijke aaien over mijn bolletje. Dat mag je best van me weten. Het is volkomen irrationeel natuurlijk want als er iemand een bofkont is met alle aandacht en met zo veel lieve en liefdevolle mensen om mij heen, dan ben ik het wel, maar ja… hormonen he?!

Deze maand voel ik het misschien iets sterker dan anders, ten eerste omdat ik van een hele grote roze wolk kom. De heerlijke warme, donzige wolk van aandacht rondom de publicatie van mijn boek. The higher you climb, the harder you fall.

Ten tweede omdat ik gisteren meedeed aan het baarmoederhalskanker bevolkingsonderzoek waar elke vrouw, vanaf haar dertigste, elke vijf jaar voor wordt uitgenodigd. Niet het meest plezierige onderzoek. Al is het niet echt pijnlijk, het is op z’n minst gezegd een keuring waarbij je je erg kwetsbaar voelt, zo op de dokterstafel met je benen in de beugels. Ook dat mag je weten.

En zo waren er nog een paar aanleidingen deze week om me rot te voelen, waar ik niet over wil zeuren, want aanleidingen zijn altijd ruimschoots voorhanden (en lijken altijd veel erger dan ze zijn) als je je in die aparte dagen dreigt te verliezen in dat hormoongestuurde zelfmedelijden. Op andere dagen stap je er zo overheen.

Wat ik maar wil zeggen is dit: deze maand viel het me zwaar en vanochtend vertrok ik in een (voor mijn doen) kwetsbare staat naar Londen.

Alles verliep soepel: het openbaar vervoer werkte mee, het inchecken en alle controles gingen snel, het broodje en de koffie op het vliegveld waren lekker. De vlucht was prima (twee stoelen voor mij alleen), de metro in Londen liet me nog geen minuut wachten en de kamer in het hotel was ook al klaar voor me. Ik vond zonder moeite de locatie van de conferentie en de dozen, met daarin de promotionele materialen voor op onze tafel, stonden keurig op me te wachten. Echt, alles liep op rolletjes. Maar toch… maar toch dat lege gevoel. Het zijn ook de dagen dat ik erg veel trek heb. Een onstilbare honger naar voedsel, naar liefde, naar aandacht. En dat alles door je hormoonhuishouding. Het is toch wel erg verwonderlijk allemaal, ik blijf me erover verbazen.

Nadat ik de tafel had klaargezet voor de volgende dag, ben ik even door het parkje gelopen dat tussen het congres en mijn hotel lag; Russel Square Gardens. In een Italiaans tentje in het midden van het park bestelde ik wat te eten en wat te drinken (echt, twee dagen lang ben ik Holle Bolle Gijs). Ik nam plaats op het terras en pikte nog wat zon mee. Ik zat loom op mijn focaccia-spinazie tosti te kauwen en wat voor me uit te staren toen er een lange, slanke, donkere man voorbij liep. Ik keek niet naar hem, maar ik zag wel wat hij deed. Hij stopte en draaide zich om. Hij liep op me af en kwam naast mijn tafeltje staan. Pas toen keek ik hem aan. Ik schatte hem begin dertig. Hij maakte een hele kleine, beleefd buiging en zei:

Excuse me,” in het prachtige Britse Engels, “I would just like to say that I think you are really beautiful.”

Ik glimlachte naar hem en knikte beleefd terug.

Thank you,” zei ik met nadruk en volkomen oprecht. Hij knikte ook nog een keer en liep verder. Dat was nou precies wat ik nodig had, dacht ik bij mezelf en moest grinniken om dit kleine voorval. Dankje, vriendelijke vreemdeling. Dankjewel.

Russell Square Gardens
Russell Square Gardens

Kill your darlings: Anders

Voor de nieuwkomers: er zijn een aantal verhalen (van dates) die het boek New York in 40 dates niet hebben gehaald. Schrijven is schrappen. Kill your darlings. Ik wil hier een paar van deze verhalen alsnog met je delen.


Anders

New York, maart 2010

Ons bedrijf is (destijds) net gekocht door een Zweedse investeringsmaatschappij, dus als ik het profiel tegenkom van een aantrekkelijke Zweedse man, in de veertig, met halflang, donker haar denk ik: Zweedse les! Perfect. Dat komt vast een keer van pas.

Ik schrijf hem aan via de datingsite en stel hem voor dat ik hem op koffie trakteer als hij me wat Zweedse woordjes leert. Dat is natuurlijk een aanbod waar geen zichzelf respecterende Zweed nee tegen kan zeggen.

We ontmoeten elkaar in het Financial District – waar hij werkt – bij een koffiezaakje dat midden op een pleintje is gebouwd. Het staat er zo vreemd bij op dat plein, dat het lijkt alsof het is opgepikt door een tornado en daar weer is neergekomen. Dat is natuurlijk een beetje overdreven, maar dit zaakje probeert gezelligheid uit te stralen en gezellig zal het door de omgeving nooit worden. Het hele Financial District is alles behalve gezellig met de hoge torens en de voortdurende, kille schaduw alsof je in een ravijn werkt.

De date is kort en draait nergens op uit. Er zijn een paar punten waarom het niets wordt tussen ons:

  1. Hij is te laat. Niet een paar minuutjes, echt behoorlijk te laat.
  2. Hij ruikt duidelijk naar rook terwijl er in zijn profiel staat dat hij niet rookt. Ik vind het helemaal niet erg als een man rookt, het kan zelfs wel een beetje sexy ruiken bij de juiste man, maar je moet niet liegen tegen mij!
  3. Hij is ICTer. Helemaal niets mis mee, prima baan, maar dat betekent wel dat we over ons werk zo zijn uitgepraat, want daar gaat mijn systeem niet voor in de overdrive.
  4. Hij praat alleen maar over zichzelf.
  5. Ik leer dus geen enkel Zweeds woord.
  6. Zijn naam is Anders. Niet anders dan anders, nee, letterlijk: Anders. Heel gebruikelijk in Scandinavische landen, maar zie je het voor je? ‘Anders… Ooh, Anders, ga door… Ooh, hmm, Anders, ja! Harder…’ Zie je? Dat werkt dus niet.

We nemen afscheid met een kus op de wang als hij zich plotseling realiseert:

‘Maar ik heb je helemaal geen Zweeds geleerd!’

‘Geeft niet, Anders,’ zeg ik met een flauw glimlachje, ‘volgende keer.’

We weten beiden dat er geen volgende keer zal zijn. Adjö! (opgezocht op Google Translate)