Geen paniek!

Nog even over afgelopen donderdag, de dag van mijn boekpresentatie: zoals ik vorige week al schreef, had ik ’s middags een interview bij Radio EenVandaag. Daarna moest ik op een drafje naar mijn eigen boekpresentatie in Dordrecht.

Wat ik nog niet verteld heb is wat er aan het interview vooraf ging en hoe die zweetplekken op de foto’s terecht zijn gekomen.

Ik had me ’s ochtends al aangekleed voor de boekpresentatie. Zal ik een schone top meenemen, dacht ik nog, voor als ik erg ga zweten ofzo? Maar nee, overdreven. Het was warm, maar zo warm was het nou ook weer niet en bovendien, het was toch vroeg zat, ik zou alles op m’n gemakje doen.

Wel had ik mijn knapzakje gepakt met daarin:

  • Mijn hoge hakken. (Erg New Yorks om je slippers of gympen te dragen en je stiletto’s in je hand of handtas te houden)
  • Deodorant roller, haarborstel, make-up.
  • Een exemplaar van mijn boek. (Als een beetje schrijver kun je niet meer de straat op zonder)
  • Boekenleggers die ik overal ‘nonchalant’ achterlaat in de trein. (Guerrilla marketing)
  • Mijn thermosbeker met kamillethee. (Ook een erg New Yorkse gewoonte, plus de thee houdt de stembanden vochtig)
  • Twee notitieboekjes. Eentje met aantekeningen voor het interview (geheugensteuntjes) en aantekeningen voor mijn Pulitzer Prize speech die ik staand bovenop de tafel zou gaan houden nadat Bart, mijn uitgever, de presentatie zou hebben geopend. (Dit is er allemaal niet van gekomen overigens, we hebben geen van beiden een praatje gehouden, dat liep gewoon anders)
  • Drie Pilot pennen. (Die schrijven zooooooo lekker!)
  • Oplaadkabels voor mijn iPod Touch en iPhone.
  • Bovengenoemde iPod Touch en iPhone.
  • Een banaan.

Dan ben je toch goed voorbereid, toch?

Na de lunch reisde ik in alle innerlijke rust af naar Hilversum, station MediaPark om precies te zijn, via Utrecht Centraal. Toen ik op Utrecht stond werd al meteen duidelijk dat de Sprinter – die ik wilde en moest nemen naar MediaPark – uitviel. De volgende zou pas over een half uur gaan. Geen paniek! Dan zou ik nog steeds op tijd zijn.

Ik daalde de trappen af naar het perron. Een briesje deed mijn lange rok gemoedelijk wapperen, ik deinsde een beetje mee op de muziek die via mijn oordopjes mijn trommelvlies streelde. Het leven was goed… tót het bord – zonder enige waarschuwing – ineens aangaf dat ook deze trein niet zou gaan rijden. Nee! Geen paniek. Geen paniek.

Snel, op de app, wat zijn de opties? Bus? Nee, niets. Er was verder helemaal niets aan openbaar vervoer wat een ontluikende schrijver naar het MediaPark kon brengen. Twee sprintertjes per uur. Dat was het. Taxi!

Nou had ik er ervaring mee, ik was immers niet al te lang geleden ook gestrand op Utrecht Centraal. Ik wist de taxistand dus meteen te vinden. Ik liep op de voorste auto af. Mooie, comfortabele auto. Daar kon ik best mee aankomen in Hilversum. Een chauffeur, ik vermoed van Turkse afkomst, kwam me glimlachend tegemoet lopen.  Hij stond aan de overkant en hij had recht op het volgende ritje. Hij maakte een uitnodigend gebaar naar zijn vervoer. Een Volkswagen bus.

‘Dat busje?’ vroeg ik teleurgesteld.

‘Ja’. Hij lachte vriendelijk.

‘Helemaal voor mij alleen?’ probeerde ik nog, maar hij hield de deur al voor me open.

‘Waar wilt u naar toe?’ vroeg hij.

‘Naar het MediaPark in Hilversum. Journaalplein 1.’

De jongeman ging aan de slag met zijn navigatie.

‘MediaMarkt?’

‘Nee! Nee! MediaPark! MediaPark!’ Nu raakte ik wel licht in paniek.

Het was ontzettend heet in de bus, dus hier begon ik flink te zweten. ‘Mag het raam misschien open? Het is zo warm,’  vroeg ik. De chauffeur zette de airconditioning aan, maar terwijl hij in de kou zat, was het achterin nog heel heet. Had ik nou toch maar een schone top meegenomen.

‘Journaalplein? Kunt u dat voor me spellen?’ vroeg hij. De navigatie pikte het niet op.

‘Zal ik het proberen?’ vroeg ik.

‘Tja,’ zei hij terwijl hij me het apparaat overhandigde, ‘de navigatie is drie jaar oud, misschien staat het er nog niet in.’

Ik kreunde en gaf de navigatie terug. Ik had deze ingesteld op de Mies Bouwman-boulevard in de buurt. Voor de zekerheid zette ik de navigatie op mijn iPhone ook aan het werk. Ik stuurde de zeer kalme, beleefde chauffeur van Utrecht naar mijn bestemming. Een kwartier voor mijn geplande optreden kwam ik het NOS gebouw binnen.

‘Ik kom me zo melden, eerst even naar het toilet,’ zei ik, in het voorbijgaan, tegen de receptionist. Daar knapte ik mezelf weer een beetje op en haalde een paar keer diep adem. Geen paniek! Ik ben er. Ik ben op tijd. Een paar minuten later stond ik op de redactie en keek tevreden toe hoe Suzanne Bosman en Jan Mom de gasten voor mij interviewden, over bier en over de Grexit.

Het leven was goed.

Bezint eer ge begint

Ik heb dit blog geen recht gedaan de laatste paar weken; de verschijningsdatum van mijn boek komt er aan, en zoals het spreekwoord luidt: de laatste loodjes wegen het zwaarst.

Ik klaag niet! I’m living my dream, maar laat me je in grove lijnen vertellen wat er bij komt kijken, bij zo’n boek, voor het geval je denkt: oh ja, een boek schrijven, dat wil ik ook!!

Bron: www.sun4ever.info
Bron: http://www.sun4ever.info

Het schrijven valt eigenlijk wel mee, maar je moet het wel doen. Ik was laatst op een open dag van de Schrijversvakschool en de directeur zei in zijn introductie: ‘De televisie kun je maar beter de deur uit doen.’ Ik heb al 15 jaar geen televisie meer en ik kom nóg tijd te kort. Het moet meer dan een hobby zijn, het moet een beetje een obsessie voor je zijn, een boek schrijven. Stel jezelf ten doel: 500 woorden per dag. Elke dag. Als je een dag overslaat, dan schrijf je er 1000 de volgende dag.

Het boek Stephen King on writing is een aanrader voor de aspirant auteur. Stephen King schrijft minimaal 2000 woorden per dag en komt zijn werkkamer niet uit voor ze op papier staan. 7 dagen in de week, ook op feestdagen.

Als zijn manuscript af is legt hij het minimaal twee maanden opzij. Na de twee maanden herleest hij het en maakt correcties. In zijn geval, met zoveel ervaring, is één zelfcorrectie-ronde genoeg. Oefening baart kunst.

Ik heb mijn manuscript (iets meer dan 70.000 woorden) in 5 maanden geschreven, ik heb het een aantal weken weggelegd en toen heb ik het vele malen herlezen, gecorrigeerd, uitgebreid, ingekort, enzovoort.

Stephen King laat het vervolgens aan zijn vrouw lezen en kijkt graag naar haar gezichtsuitdrukking terwijl ze dat doet. Ik heb mijn boek aan zes verschillende mensen laten lezen. Ik vond het een beetje raar om naar ze te gaan zitten kijken, dus ik heb ze gevraagd om alles wat in hen opkwam – zoals ‘dit moest ik drie keer lezen’, ‘dit vond ik grappig’, ‘hier verloor ik mijn aandacht’ – in de kantlijn te schrijven.

Met alle zes heb ik apart om de tafel gezeten en heb hen om feedback gevraagd. De opmerkingen en correcties heb ik doorgenomen en verwerkt in het script. Een aantal verhalen heb ik eruit gehaald (en dat zijn de Kill your darlings-verhalen op dit blog geworden).

De versie met 40 dates (maar nog steeds 70.000 woorden) is naar de uitgever gegaan. Een uitgever vinden die tijd en interesse heeft om je manuscript te lezen is ver-schri-kke-lijk moeilijk. Uitgevers krijgen soms wel 30 manuscripten per week binnen. Ik heb mazzel gehad, er was een uitgever die interesse had en het wilde lezen, maar voor de meeste debutanten is dit echt het moeilijkste gedeelte. Ze heeft het gelezen, we hebben het contract getekend en ik heb mijn manuscript ingeleverd. Heel even dacht ik dat daarmee het grootste gedeelte van mijn werk erop zat… niet dus.

Er is een redacteur door het script gelopen en heeft elk woord, elke komma, elke zin op een weegschaaltje gelegd. Ik kreeg een volgekrabbeld pak papier terug en mocht de correcties en suggesties gaan verwerken. Dit vond ik het zwaarste proces. Natuurlijk was ik dankbaar dat iemand de tijd en de moeite had genomen om mijn script te verbeteren, en natuurlijk kwam dit mijn boek ten goede, en ja, de correcties waren allemaal goed en nuttig… maar het was wel 280 pagina’s kritiek! Dat komt emotioneel best hard binnen. Na elke 10 pagina’s moest ik even wat anders gaan doen. Taalkundig heb ik er ontzettend veel van geleerd.

De gecorrigeerde versie heb ik vervolgens hardop voorgelezen aan mezelf. Ik heb het opgenomen en weer afgeluisterd. Daar kwamen nog veel correcties uit, zoals zinnen die niet lekker liepen. Ik kan elke schrijver aanraden zijn of haar werk een keer hardop voor te lezen.

Deze versie ging weer terug naar de uitgever. Nu dan klaar? Nee… hier kwam een zetproef uit (heel mooi om te zien) en daar gaat een persklaarmaker, de ‘komma-politie’, mee aan de slag. Ook daar kwamen weer heel veel correcties en suggesties uit. Fijn, want ondertussen werd het script alleen maar beter en strakker, maar jeetje joh, nog meer kritiek! Alle correcties weer doorgevoerd.

De tweede zetproef.

Samen met een vriendin die het nog niet eerder gelezen had nog een laatste keer goed doorgelezen  (32ste keer inmiddels?) en nog steeds kwamen we foutjes tegen. Ongelooflijk.

Maar nu… NU ligt het dan echt bij de drukker. Gelukkig, want 2 juni moet het in de boekhandel liggen. We hebben ongetwijfeld nog wat over het hoofd gezien, maar zoals je leest: we hebben ECHT ons best gedaan.

Ondertussen samen met de uitgever: auteur foto’s maken en kiezen. Cover ontwerpen. Catalogus tekst opstellen. Tekst voor de achterflap. Marketing plan. Persbericht. Boekpresentatie.

Dus ja, ik heb dit blog geen recht gedaan de laatste paar weken, maar hopelijk voor een goed doel! Ik ben zo benieuwd wat jullie van New York in 40 dates gaan vinden!

Kill your darlings: Andrew

Voor de nieuwkomers: er zijn een aantal verhalen (van dates) die het boek New York in 40 dates niet hebben gehaald. Schrijven is schrappen. Kill your darlings. Ik wil hier een paar van deze verhalen alsnog met je delen.


 

Andrew

New York, april 2009

Andrew heeft een fantastisch gevoel voor humor in zijn mailtjes en dat vind ik aantrekkelijk. Ik zou heel graag mijn leven delen met iemand die me ontzettend kan laten lachen. Als twee oudjes, op een bankje bij de vijver, in mijn Tena lady plassen van het lachen. Dat is mijn droom.

Op zijn foto ziet hij er een beetje uit als een klassieke nerd en daar is helemaal niets mis mee, zeker niet als hij me kan laten lachen. Hij is blond, draagt een bril en heeft een normaal postuur. We ontmoeten elkaar op een vrijdagavond in de Stone Rose Lounge, op de vierde verdieping van het Time Warner Center, een winkel centrum op Columbus Circle. Columbus Circle ligt aan de zuidwestelijke hoek van Central Park.

Ik vind het lastig om de bar te omschrijven, het is een lounge, en het doet mij denken aan een moderne hotelbar. De bar geeft je in ieder geval een mooi uitzicht over Columbus Circle en Central Park.

Bron: www.stoneroselounge.com
Bron: http://www.stoneroselounge.com

Andrew en ik staan aan de bar, in een nog bijna lege zaak. Ik heb Andrew gewaarschuwd: ik heb alleen maar tijd voor een drankje, misschien twee, want ik heb afgesproken met mijn logés uit Nederland voor het diner. We hebben een leuke conversatie, maar ik merk al snel dat hij erg enthousiast wordt over de mogelijkheden tussen ons, en ik niet. Ik heb al besloten dat dit hem niet gaat worden voor mij. Er is iets met het merendeel van de Amerikaanse mannen van zijn leeftijd – eind dertig – wat mij afstoot: ze horen zichzelf ontzettend graag praten, maar wat er uit komt is niet per definitie de moeite waard om naar te luisteren. Ze vinden zichzelf geweldig, in de piek van hun leven, hebben nog weinig tegenslag ondervonden en vloeken – zeker Andrew – veel meer dan mij lief is. Ik houd helemaal niet van vloeken, ik vind het onnodig agressief en negatief. Zo grappig vind ik Andrew in levenden lijve dus helaas niet. Daar gaat mijn Tena lady droom.

Wanneer Andrew een verhaal vertelt over aanraken, voelen en betasten, neemt hij zijn kans waar: hij zet zijn verhaal kracht bij door met de volle hand mijn bil beet te pakken. Ik ben perplex, ik ben gechoqueerd, maar ik doe op dat moment niets. De verontwaardiging komt bij mij pas veel later. Tegen de tijd dat ik weer thuis ben, roep ik tegen mijn visite: ‘Weet je wat hij deed?!’

Maar goed, na twee drankjes vertel ik Andrew dat ik moet gaan. We lopen naar de metro. Zijn station is een andere dan de mijne, en dichterbij, dus daar zeggen we gedag. Hij zet zich schrap door zijn voeten verder uit elkaar te zetten, hij staat er stoer bij. Hij trekt me, met een arm om mijn middel, naar zich toe en begint me te zoenen. Hoppa, vol op de mond. Dikke, natte tong erbij en alles. Hij vindt dat hij zich dat kan veroorloven, ik heb immers zijn hand ook niet van mijn bil afgeslagen en wellicht heb ik de verkeerde signalen afgegeven, maar ik duw hem nu toch vriendelijke doch dringend van me af.

‘Ik moet gaan,’ zeg ik.

‘Ik hoop dat we elkaar weer kunnen ontmoeten,’ zegt hij met een zelfgenoegzame grijns, ‘ik mail je morgen.’

‘Ja, oké Andrew. Fijne avond.’ Ik maak me vlug uit de voeten.

Eerlijk is eerlijk, Andrew didn’t stand a chance : na Xavier* is Andrew als een glas bier na een voortreffelijk glas champagne. En ik houd niet eens van bier.

(*Xavier is een verrukkelijke Fransman, die ik de avond ervoor ontmoet heb. Voor dat verhaal verwijs ik je naar mijn boek. Teaser!)

Intieme geluiden

Soms hoor je geluiden van je buren die je liever niet wil horen. Dan bedoel ik dus niet geluiden van ‘de daad’, want daar heb ik persoonlijk helemaal geen moeite mee. Sterker nog, ik vind het alleen maar leuk om te horen dat mensen het naar hun zin hebben. Hoe kun je je daar nou aan storen? Er mag veel en luidruchtig gevreeën worden wat mij betreft.

Ik zat ooit met mijn toenmalige vriend op een terrasje in het betoverende Verona in Italië. Het was een warme zomerdag en er stonden vijf minuscule tafeltjes tegen de gevel van een even klein café. De straat was smal en koel. We deelden het terras met twee andere stellen en rechtsboven ons, op de eerste verdieping, stond een raam open. Langzaam, maar steeds harder en steeds duidelijker, bereikten ons de zuchten van een zwoel liefdesspel. Een liefdesspel dat zo te horen – zij was luider dan hij was – voor beide partijen nu toch rap richting een hoogtepunt ging. Op het terras hielden we onze adem in en we keken elkaar met grote, glimmende pretogen aan. Binnen enkele minuten bereikte in ieder geval de vrouw haar kookpunt; als een fluitketeltje ging ze af. Eerst werd het doodstil, en toen begonnen we met z’n zessen spontaan te klappen.

Nee, die geluiden bedoel ik dus niet.

Ook niet het geluid van de buurvrouwen die in de schaduw voor mijn huis zitten te keuvelen, of de kinderen die om het hardst schreeuwen in het steegje achter mijn huis. Nee, het gaat om mijn buurman. Ik denk dat hij een keelaandoening heeft. Met grote regelmaat komt er een rochelgeluid overwaaien dat mij in elkaar doet krimpen van walging. Ik vraag me oprecht af of ik hem moet voorstellen om eens naar de dokter te gaan. Het is een verder gezond ogende man van achter in de veertig die al jaren niet meer rookt, maar met tussenposen van dertig seconden tot een minuut brengt hij een geluid voort waar ik werkelijk onpasselijk van word. Maar ja, wat kun je daar nou van zeggen?

“Zeg, buurman, dat is niet goed hoor! Zou je daar niet eens naar laten kijken?”

Dat kun je toch eigenlijk niet maken bij iemand die je verder nooit spreekt behalve als hij een pakje voor je aanneemt? Iemands gezondheid is te intiem, lijkt het wel. Zo veel intiemer dan waar je aan dacht toen je de titel van deze post las.

De zomer komt er weer aan, heerlijk. Ramen en deuren gaan weer open, maar het vervelende met iets dat je liever niet wilt horen, is dat je er op gaat zitten wachten. Ken je dat? Tot je alleen nog maar dat hoort wat je niet wilt horen. Het steekt boven alle buurtgeluiden uit, het springt er uit. Ik zou liever horen dat hij van tijd tot tijd een vriend(in) over de vloer heeft, of dat hij uit volle borst met Hazes meezingt, dan kan ik gewoon af en toe mijn duim naar ‘m opsteken, of spontaan gaan applaudisseren.

Kill your darlings: Personal trainer

Voor de nieuwkomers: er zijn een aantal verhalen (van dates) die het boek New York in 40 dates niet hebben gehaald. Schrijven is schrappen. Kill your darlings. Ik wil hier een paar van deze verhalen alsnog met je delen.


Personal trainer

New York, juli 2009

Op vrijdag heb ik een date staan met Mike om een koffie te drinken tijdens een late lunchpauze. We spreken af in Le Pain Quotidien op de hoek van 8th Street en 5th Avenue, vlak bij Washington Square Park. Le Pain Quotidien is een keten, met meerder vestigingen in New York en over de wereld, waaronder ook in Amsterdam. Aanrader!

Mike is een bijzonder lekker ding. Zo’n man waar je je tanden in wilt zetten. Hij is bijna twee meter lang en bijna net zo breed. Echt een stuk, een spetter. Denk aan een knappe Amerikaanse rugby speler, of American football speler moet ik zeggen, met Amerikaanse trekken zoals een brede kaaklijn, licht blauwe ogen en donker haar. Hij komt overigens uit Texas.

Ik ben dus erg enthousiast over zijn uiterlijk, de foto’s beloven een bijzonder aangename ontmoeting, maar naarmate we meer en meer corresponderen begin ik een beetje te twijfelen aan zijn intelligentie en ik word toch wel erg opgewonden van iemand met hersens. Bovendien is hij eigenlijk op zoek naar iemand die in shape is en dat ben ik dus duidelijk niet. Maar goed, we ontmoeten elkaar dus hij vindt mij blijkbaar voldoende in shape en ik ben deze keer erg oppervlakkig: ik ga puur op zijn uiterlijk af.

Gelukkig blijkt dat ik het weer helemaal mis heb; er zit een prima stel hersens op en het is ook nog eens een bijzonder aardige man. Hij is enorm, maar niet alleen maar spieren, gewoon lekker massief. Er zit best een isolatielaagje omheen, net als bij mij. Mike is een personal trainer, maar niet – zoals ik in eerste instantie dacht – alleen voor de sportschooljunkies, maar ook bij mensen thuis, mensen die moeten revalideren bijvoorbeeld en hij doet aan gymnastiek voor ouderen. Hoe schattig is dat?!

Hij is in de veertig, halverwege schat ik. Een aantal jaren geleden is Mike zijn eigen koffiezaak begonnen, maar door de recessie ging het helaas op de schop. Nu is hij hard bezig alles af te betalen. Hij vertelt het zonder wroeging en hij praat met heel veel passie over koffie. Leuk.

Na de koffie, die bij Le Pain Quotidien echt heerlijk is, gaan we ieder weer onze eigen weg. Buiten, voor de ingang geeft hij mij een stevige knuffel, een volle kus op mijn mond, pakt me bij mijn pols en kijkt me diep in mijn ogen.

‘E-mail me,’ zegt hij dwingend.

‘Doe ik,’ antwoord ik terwijl ik langzaam in een natte dweil verander.

Het is er vreemd genoeg nooit van gekomen, dat mailtje. Stom he? Ik weet ook niet waarom niet. Hij had me toch zó op het aanrecht gezet, zei hij. Hhhguh.. (schaapachtig lachje).

Ik houd mezelf maar voor dat sommige ervaringen in je fantasie zoveel fantastischer zijn. Soms is de verzonnen versie zo heerlijk, dat je het niet wilt vertroebelen met de werkelijkheid. Slap excuus, maar that’s my story and I’m sticking to it!

Ik denk nog wel eens aan Mike. Aan dat enorme lijf, die kracht, de hand om mijn pols en zijn blik. Dan glimlach ik tevreden met alles wat had kunnen zijn. De herinnering is het enige paradijs waaruit wij niet verdreven kunnen worden, zei iemand ooit tegen mij. Dat geldt ook voor de fantasie.

Mag het licht weer uit?

Wat ik vorige week schreef: verwacht je spanning, dan loopt alles als een zonnetje, maar ga je vervolgens een dagje naar Amsterdam dan kom je in een schitterend avontuur terecht.

Ik had afgelopen vrijdag een afspraak voor een interview met een journaliste van het blad Grazia (het interview komt als het goed gaat in week 15 in de Grazia te staan). Ik stond ’s ochtends nietsvermoedend op het station in Dordrecht toen ik het nieuws hoorde: “Wegens een stroomstoring in Noord-Holland is er geen treinverkeer mogelijk van en naar Schiphol en Amsterdam.” En dan de legendarische woorden: “De NS heeft geen alternatief reisadvies.” Dan weet je dat het écht goed fout zit. Gelukkig had ik een ruime marge op mijn reistijd genomen. Eerst maar eens naar Rotterdam, dan kijken we wel weer verder, dacht ik. Er stond een sprinter van Rotterdam naar Amsterdam in de NS app die nog niet was vervallen. Deze zou via Gouda naar Amsterdam gaan, dus wellicht dat dit een optie zou zijn. De sprinter stond te wachten en inderdaad, met een vertraging van 15 minuten vertrok deze richting Gouda. Mooi. Muziekje in de oren, laptop op tafel. Alles komt goed.

We stonden in Gouda toen – zonder waarschuwing – de eindbestemming van de trein weer in Rotterdam veranderde. Shit! Laptop dicht, snel de sprinter uit. En nu? Naar Utrecht dan maar.

Mijn afspraak liet in de tussentijd weten dat in Haarlem de lichten weer waren aangegaan, dus misschien dat, tegen de tijd dat ik in Utrecht zou zijn, de stroomstoring ook wel weer verholpen zou zijn. Hoe erg kon het zijn?! Maar ook het perron van Utrecht stond nog vol met mensen die een beetje verloren om zich heen stonden te kijken. Ik liep richting de trap. Een zakenman kwam mij tegemoet lopen, we keken elkaar aan en haalden onze schouders op.

“Tja… hoe kom ik nu in Amsterdam?” zei hij.

“Tja… “ zei ik.

“Zullen we een taxi delen?” vroeg hij

“Waar moet je naar toe?”

“Amsterdam Amstel”

“Perfect!” riep ik en stuurde het bericht naar de journaliste dat alles goed zou komen, dat onze afspraak in Dauphine zou kunnen doorgaan als gepland, zij het ietsje later. De zakenman en ik hebben nog even gekeken naar de bus, maar bij het zien van de rijen besloten we dat dat ook geen optie was. Dan maar even de portemonnee trekken. We hadden genoeg om over te praten onderweg, de taxi was luxe en comfortabel. Het kostte een paar tientjes, maar ze waren goed besteed en voor Amsterdam Amstel hebben de zakenman en ik onze gegevens uitgewisseld.

Na het interview reden de treinen nog steeds niet naar behoren. Dan maar even de stad in, naar Hoppe voor een borrel en een portie overheerlijke bitterballen. Er schuilt een heerlijke berusting in ‘overmacht’.

“Beschaafd biertje,” zei ik tegen de man naast me aan de bar die het populaire brouwsel uit een cola glaasje dronk. Hij was op stap met een goede vriend en na een aantal glazen aan de bar bij Hoppe moest ik toch echt even mee naar ’t Doktertje, de kleinste kroeg van Amsterdam, aldus de heren. Toen ik uiteindelijk ’s avonds om half negen – en vier whisky’s later – op het station kwam, reden de treinen nog steeds niet volgens schema, maar ik ben zonder al te veel vertraging toch nog thuisgekomen.

Ik heb me kostelijk vermaakt vrijdag. Ik heb nieuwe vrienden gemaakt en nieuwe zaken ontdekt. Creëer maar wat vaker chaos in Nederland, wat mij betreft, het brengt mensen dichter bij elkaar. Zoals iemand in de kroeg terecht opmerkte: “Ik ben benieuwd hoeveel baby’s er over negen maanden geboren worden.”

Tel Aviv

Vorig jaar mei, toen ik naar Tel Aviv vloog, had ik twee uur nodig voor het inchecken bij El Al. Voorbij de muur van jonge mensen met machinegeweren, in een gedeelte van Schiphol dat ik nog nooit had gezien, kreeg ik een half uur durend kruisverhoor van een streng kijkende jongedame. Na een aantal vragen liep ze weg met mijn paspoort. Ze kwam terug en vroeg me precies dezelfde vragen een tweede keer. Controlevragen. Maar ze was nog niet tevreden: ik had teveel vreemde visa en stempels in mijn paspoort van landen die Israël niet liggen, ik kreeg een gele sticker en dat betekende dat ik een kelder in moest. De kelder waar overigens alle ingecheckte bagage voor Tel Aviv ook wordt gescand en wordt geopend. Daar moest ik werkelijk alles afgeven aan een andere strenge jongedame. Mijn paspoort, mijn telefoon, alles. Alleen de kleren aan mijn lijf mocht ik aanhouden. Ik werd in een wachtkamer gezet terwijl zij God weet wat met mijn spullen kon doen. Ze vertrouwden mij niet, maar ik moest er maar op vertrouwen dat mijn spullen veilig waren bij haar.

Ik zat in de wachtruimte met een handjevol andere mensen, we durfden elkaar nauwelijks aan te kijken, laat staan te praten. We keken allemaal maar een beetje naar onze voeten. Af en toe wisselden een vrouw en ik een voorzichtige, veelzeggende blik: we vonden het allemaal maar een beetje vreemd en een beetje eng. Uiteindelijk fluisterde ze:

‘Ik heb m’n benen maar geschoren vanochtend, want ik heb gehoord dat je je tot je ondergoed moet uitkleden.’ Zachtjes gniffelden we hier samen om. Eenmaal in Tel Aviv hebben we samen een taxi genomen en heb ik haar afgezet bij haar hotel. Ze ging backpacken met een Duits meisje wat ze nog niet kende, maar hier zou gaan ontmoeten. Dat vond ik wel heel stoer.

Afgelopen zaterdag vloog ik weer naar Tel Aviv. Handenwrijvend vertrok ik al vroeg naar Schiphol. Ik zou weer inspiratie op gaan doen voor een nieuwe blogpost. Ik vloog deze keer met KLM.

‘Hoe laat zal ik naar de gate gaan?’ vroeg ik aan het meisje achter de incheckbalie. We zouden om 20.50 uur vertrekken.

‘Nou,’ zei ze, terwijl ze automatisch op haar horloge keek, ‘het is zes minuten lopen vanuit de KLM Lounge, ik zou om 20.15 de lounge verlaten.’ Ik keek haar met grote ogen aan. Ze wist duidelijk niet waar ze het over had, ze had het kruisverhoor natuurlijk nooit aan den lijven ondervonden.

Kwart voor acht stond ik bij de gate en dat vond ik al heel dapper van mezelf dat ik nog zo lang in de lounge was blijven zitten.

Niemand. Geen geweren, geen kelders. Een hele vriendelijke meneer die me een aantal vragen vroeg over mijn bagage, me even diep in de ogen keek en knikte. Zelfs de body scan lichtte groen op en zei ‘OK’ terwijl ik al in de spreidstand stond. Nou moe.

‘Ik vlieg alleen nog maar met KLM naar Tel Aviv,’ schreef ik mijn collega in het land van melk en honing.

‘Ja,’ antwoordde hij, ‘maar het zal je niet helpen om het land weer uit te komen.’

En dat is waar. Israël in komen is nog niets vergeleken bij het land weer uit komen.

‘Waarom is dat toch?’ vroeg ik hem nadat ik daar vorig jaar drie uur over gedaan had. Je zou denken, met zo’n welkom, dat ze graag weer van je af zijn.

‘Als er een vliegtuig dat vanuit Tel Aviv vertrekt en bijvoorbeeld wordt gekaapt, dan is het onze schuld, onze verantwoordelijkheid,’ legde hij me uit.

Ja, zo had ik het nog niet bekeken. Maar goed, dat is voor later zorg. Het land in viel me deze keer in ieder geval reuze mee. Verwacht je een keer spanning onderweg en dan loopt alles als een zonnetje!

Tinder

Ik ben overstag, ik zit sinds een week of twee ook op Tinder. Ik dacht, laat ik het nu maar doen want stel je voor dat het boek New York in 40 dates een succes wordt, dan kom ik nooit meer aan een date natuurlijk.

Voor de duidelijkheid, heren, mochten jullie dit lezen: ik ben niet van plan om over dates met Nederlandse mannen te schrijven. De wereld is veel te klein. Het zou je broer kunnen zijn, waar je over leest (in mijn geval zou ik je vader ook niet uitsluiten), je collega of je buurman. En dat zou ik mijn dates niet aan willen doen. New York is ver weg en anoniem, de mensen waar ik over schrijf kun je onmogelijk kennen.

Maar goed, hoewel ik dus verder niet zo veel wil vertellen over wie ik dan wel of niet ontmoet via Tinder, valt er nog wel wat op te merken over de profielen! Zomaar wat dingen die mij opgevallen zijn. Niet dat ik nou de expert ben, maar een beetje terugkoppeling is misschien geen slecht idee. Dus, heren, voel je niet meteen aangesproken, maar steek er gewoon wat van op.

Wat ik op mannelijke profielen heb gezien en wat NIET werkt:

  • Een foto van je motor of je auto (zonder jou er op). Erger nog: een scooter.
  • Profielfoto met je vrienden waar niet duidelijk is op welke man ik me mag verlekkeren. Zeker als uit de andere foto’s blijkt dat ik je vriend(en) eigenlijk leuker vind.
  • Foto’s met de hele familie er op. Te vroeg.
  • Foto’s met bijna volwassen dochters, er vanuit gaande dat het je dochters zijn, bij sommige profielen twijfel ik daaraan. Nog erger is een foto van alleen je dochter. Waarom? Het profiel gaat toch om jou?!
  • Vijf van de zes foto’s met je duim omhoog. Twee keer leuk, niet bij elke foto. Niet cool. Beetje afwisselen.
  • Geen tekst en geen foto. Dan ben je dus gewoon een voyeur. Flauw hoor.

Nou, wat werkt er dan wel? Volgens mij werkt dit WEL:

  • Humor. Altijd. Overal.
  • Een leuke, duidelijke foto van je gezicht. Recent. Alleen. Zonder zonnebril.
  • Minstens drie foto’s, liefst beetje afwisselend.
  • Steek een beetje energie in je tekst. Veel ruimte is er toch niet, dus het hoeft echt geen essay te zijn. Schrijf een paar steekwoorden die jou omschrijven, waar je van houdt en misschien iets over wat je zoekt. Ik denk dat vrouwen eerder de tekst zullen lezen dan mannen, dus maak er wat aantrekkelijks van.
  • Honden doen het bij mij echt ontzettend goed. Niet een foto van alleen de hond als je profiel foto instellen natuurlijk, maar zet ‘m er gerust bij. Ik zie persoonlijk liever een foto van je hond dan van je tieners.
  • Kinderen tot een jaar of tien vind ik nog wel schattig op een foto – dan wil ik ook nog wel over het hoofd zien dat we op een datingsite zitten – maar niet foto’s van alleen je kinderen en niet meteen als je profielfoto. Persoonlijk heb ik liever dat je in de tekst zet dat je kinderen hebt.

Oké, ga ik weer.

Nope

Nope

Nope

Nope

Hm… Nope

Hé, buurman!

Nope

Wauw, sta je er nou echt met een kip op?! Nope

Nope

Nope…

Oe! Like!

Kill your darlings: Looks good on paper

Het vorige ‘kill your darlings’ verhaal is goed ontvangen. Jullie vonden het leuk om te lezen, vernam ik uit verschillende hoeken. Dat is mooi, want dit zijn de verhalen zijn die de selectie niet gehaald hebben, dus hopelijk halen jullie nog meer plezier uit de verhalen in mijn boek!

Voor de nieuwkomers: er zijn een aantal verhalen (van dates) die het boek New York in 40 dates niet hebben gehaald. Schrijven is schrappen. Kill your darlings. Ik wil hier een paar van deze verhalen alsnog met je delen.


 

Looks good on paper

New York, maart 2009

Neil is manager van een klein bedrijfje in het Financial District wat iets doet met games voor mobiele telefoons. Neil, of beter gezegd zijn bedrijf, huurt tijdelijk een gruwelijk duur appartement in het Financial District, maar hij woont officieel nog in North Carolina. Daar wonen ook zijn ex-vrouw en zijn kinderen. Neil gaat op zoek naar een permanent appartement in New York en zal dan regelmatig op en neer reizen. North Carolina is voor Amerikaanse begrippen echt om de hoek. Dat kun je in zo’n 9 uur aanrijden, dat is niets.

bron: clipartbest.com
bron: clipartbest.com

Neil ziet er veelbelovend uit op papier: een grote, lange man, echt een boom van een vent – zo eentje waar je in wilt klimmen – en dat vind ik fijn, want ik ben een huis van een vrouw. Hij is aantrekkelijk op een Amerikaanse, tikkeltje conservatieve, manier.

We ontmoeten elkaar voor het gebouw – zo’n enorme skyscraper – waar hij zijn tijdelijke flat heeft. We vinden een bar in de buurt en daar komen we er al snel achter dat het toch niet helemaal klikt. Neil is een aardige man, maar erg gespannen en begint onder andere met me te vertellen dat hij erg perfectionistisch. Ik weet niet zo goed wat ik met die opmerking aan moet. Ik bestel een glas wijn en hij een cola.

‘Ik drink bijna niet meer,’ vertelt hij, ‘want ooit dronk ik vier flessen wijn op een dag.’

‘Oké…’ antwoord ik. ‘Wauw.’

‘En verder,’ voegt hij er aan toe, ‘heb ik ADD, Attention Deficit Disorder, waar ik medicijnen voor slik en dan kan ik beter geen alcohol drinken.’

‘Oké…’

Dit is allemaal heel eerlijk, begrijpelijk en menselijk, maar tegelijkertijd niet bijzonder aantrekkelijk voor een eerste date. Ik zou niet beginnen met deze informatie, bijvoorbeeld. Bovendien is het erg rumoerig in de bar; we moeten veel moeite doen om elkaar te verstaan en om onszelf verstaanbaar te maken. Dat helpt de situatie natuurlijk ook niet.

Na het eerste drankje stelt hij voor dat we verkassen, hij neemt me mee naar een wijnbar in de buurt. Het is een mooie zaak en veel rustiger, maar de schade is al aangericht.

‘We hadden hier meteen naar toe moeten gaan,’ merkt hij terecht op. Hij neemt nu toch een glas wijn, maar moet na twee slokken ‘plotseling’ weg om vrienden te ontmoeten voor het diner. Oké… Twijfelachtige exit.

Hij rekent af. Ik besluit nog even te blijven om mijn drankje op te drinken. Een beetje verbluft kijk ik, door de grote glazen gevel, toe hoe hij een taxi aanhoudt, instapt en verdwijnt. Het enigszins stormachtige komen en gaan van Neil die er op papier toch zo veelbelovend uitzag.

Ik blijf een blondje

Ik luister graag naar popular science podcasts, zoals ‘stuff you should know’, ‘60 seconds science’ of ‘Science Friday’. Al die podcasts vullen mijn hoofd met onzinnige weetjes die ik leuk en interessant vind, maar waar ik maar de helft van kan onthouden. Op de meest ongelegen momenten schieten deze halve weetjes me te binnen en gooi ik ze gedachteloos in een gesprek.

Ik ben een hele slechte voor cocktail parties, want met dit soort halve statements slaat het gesprek dood als bier in een glas waar melk in gezeten heeft. Het begint altijd met ‘ik heb ergens gehoord of gelezen dat…’ en eindigt in een anti-climax.

Zo heb ik ergens gehoord of gelezen dat mensen met rood haar een actiever seksleven hebben. Ze zijn gewilder en het maakt niet uit of het echt rood is, of geverfd. Uiteraard heb ik meteen mijn blonde krullen in de henna gezet.

Diana Weasley noemden collega's me meteen
‘Diana Weasley’ werd mijn bijnaam

Hoopvol liep ik de eerste paar dagen door de winkelstraten, maar ik kreeg niet meer of minder aandacht dan normaal. Weken gingen voorbij. Niets. De weken werden maanden.

Henna is goed voor je haar, bleef ik mezelf vertellen, want dat had ik namelijk ook ergens gelezen, maar de wonderlijke metamorfose tot een dikke bos haar bleef ook uit.

Ondertussen kwam ik er achter dat, als je je haar een andere kleur geeft, je met uitgroei te maken krijgt. Aangezien ik mijn haar nooit eerder gekleurd had, had ik daar dus niet over nagedacht. Na twee keer de uitgroei te hebben bijgewerkt, gaf ik het op. Wat een gedoe!

Ik ben hard bezig de henna er uit te laten groeien, want nee… je kunt er niet overheen kleuren, en nee… het vervaagt ook niet met de tijd.

Elke keer als ik bij Lotfi, mijn kapper, kom, schudt hij met zijn hoofd en maakt een klakkend geluid met zijn tong. ‘Tja… er zit niets anders op dan het er uit te laten groeien’, zegt hij dan. ‘Volgende keer knippen we het er uit’, belooft hij me telkens weer, maar zo hard groeit mijn haar niet. Hij bedoelt het goed.

Blondes have more fun
Blondes have more fun

Ik weet niet welke helft van het ‘rood haar’ onderzoek ik niet goed begrepen heb, maar ik heb dus zelf wat onderzoek gedaan en mijn conclusie is: Blondes have more fun!