VeganChallenge

Zeg ‘uitdaging’ en mijn oortjes zijn alweer gespitst. Hele vervelende eigenschap.

Toen ik laatst schreef over veganisme (en ja, ik zet inmiddels grote vraagtekens bij sommige beweringen van Dr Michael Greger) kwam ik op de site van de VeganChallenge; de hele maand april veganistisch proberen te eten. Ja joh, waarom niet dacht ik. Een maandje veganistisch leven moet geen kwaad kunnen.

‘Daag jezelf uit’ staat er in een vrolijk ballonnetje op de startpagina. Zo’n marketingkreet die op mij uitstekend werkt. Voor ik het wist had ik me alweer opgegeven. Immers, ik at al nauwelijks vlees, dan zou ik alleen nog de eieren, melkproducten en honing moeten weren uit mijn keuken.

Pff, eitje! Nou, mooi geen eitje dus, voor het Paasontbijt.

Ik hield het zoveel mogelijk voor me dat ik hieraan meedeed, ik kon de reacties namelijk wel inschatten. De eerste die ik het vertelde draaide met haar ogen. ‘Wat voor voedingsleer ga je nou weer volgen?’

Ja, ik heb alles wel geprobeerd inderdaad en ik word horendol van al die goeroes die elkaar tegenspreken. Waarom zijn we als mensen het eten verleerd? Hoe absurd is dat?! Daar wilde ik ooit nog een boek over schrijven, misschien ga ik dat ooit nog wel eens doen. Kan ik het veganisme nu ook meenemen.

Raar eigenlijk; ik ben niemand verantwoording schuldig, maar ik ben dan toch zo eigenwijs dat ik wil volharden. Er wacht geen medaille op me in mei, geen certificaat, nog niet eens een schouderklopje. Helemaal niets. Niemand die me controleert, niemand die teleurgesteld is als ik morgen een plakje kaas op brood neem. En toch doe ik het niet. En ik kan je geen overtuigende reden geven waarom niet.

***

‘Bitterballen?’ We zitten op het strand, die eerste prachtige zondag.

‘Nee…’ zeg ik beteuterd. Ik ben gek op bitterballen. Die heb ik echt gemist toen ik in New York woonde.

‘Pizzaatje?’

‘Nee…’ Ik zucht. Zal ik? Ik bedoel, wie kan het nou wat schelen? Helemaal niemand. Nee. Ik doe het niet. ‘Kunnen jullie deze salade veganistisch maken? En het brood is ook veganistisch, toch? Met wat olijfolie graag. Alsjeblieftdankjewel.’

***

‘Maar wat mag je dan wel voor het ontbijt met dat rare dieet van je?’ Nog zo’n reactie als ik blijf logeren bij familie.

‘Nou, fruit. En ik kan ook gewoon een boterham eten.’

‘Oh ja, ik heb heerlijke oude kaas.’

‘Ja, dat dus niet.’

***

Ik ben nu twee weken verder, volgens die Dr Michael Greger ben je na drie weken op een plantaardig dieet van al je klachten verlost, waaronder depressiviteit, maar daar merk ik nog weinig van.

Niks geen vrolijke veganist tot nu toe. Maar volhouden zal ik.

Vrolijk Pasen!!

 

Schrijversvakschool Recycled #5

Het is al weer even geleden dat ik een schrijfopdracht van de Schrijversvakschool gedeeld heb, mag wel weer eens, dacht ik.

De tweede helft van het tweede jaar hebben we schrijftraining, een vak dat bestaat uit snelle, korte oefeningen om je een beetje los te maken. De docent geeft een opdracht en.. go !

Een recente opdracht was (misschien ook leuk om over na te denken) : Omschrijf de tijd dat je iets verloor, iets van emotionele waarde.

Komt ie.

**

Het bagagerek van een Fokker 70. Ik denk dat het daar is blijven liggen, op een vlucht van London City naar Rotterdam-The Hague airport, het roodleren jasje dat ik in New York heb gekocht, in The Coat Factory op 6th avenue.

Het jasje waar vrouwen in New York me over aanspraken.

Love your jacket,’ zeiden ze dan in de lift of op straat. Wildvreemde vrouwen die een hand op mijn bovenarm legden om het zachte leer te strelen.

Het jasje waar de man in de bar van The Village Underground over zei:

‘Weet je wat ze zeggen over vrouwen in roodleren jasjes?’

‘Nee,’ zei ik en keek hem afwachtend aan.

Hij wist het ook niet en richtte zich weer op zijn halve liter pils.

Dit jasje vertelde me dat ik nodig op dieet moest als ik de rits weer met moeite dicht kreeg in het nieuwe voorjaar. Dit jasje gaf me dat extra beetje zelfvertrouwen op de tweede date met Sam, in Prospect Park, al heeft het niet mogen baten.

De voering was al gescheurd, de zakken onbruikbaar en de rode kleur begon de slijten aan de randjes, maar deze huid was mijn tweede huid geworden. Mijn roodleren jasje ligt nu waarschijnlijk in een koude en donkere opslagplaats voor gevonden voorwerpen van de KLM. Ik heb een formulier ingevuld en ze hebben gekeken, maar ik zie de ‘Room of Requirement ’ van Harry Potter voor me; stellage na stellage met verloren spullen, zo ver als het oog reikt.

Met die gedachte troost ik me dan maar, dan míjn roodleren jasje in dé ‘Room of Requirement ’ van Harry Potter ligt, een soort hemel voor verloren spullen.

 

Bucket list

‘Wat staat er nog op je bucket list dan?’ Dat vraag ik wel vaker aan mensen, maar nu vroeg ik het aan iemand die heel veel wil, het altijd druk druk druk heeft, iemand die ook ontzettend veel doet. Ik word al moe als ik hoor waar hij allemaal mee bezig is. Hij is nog geen vijftig en ik heb het idee dat zijn leven nu al te kort is. Bewonderenswaardig? Of juist niet?

Zoals verwacht kwam er een hele lijst, voor die bucket list.

‘Hmm’ en ‘oh ja,’ zei ik op gezette tijden en knikte begrijpend.

Het is fijn om ambities en plannen te hebben, maar als je voortdurend het idee hebt dat je jezelf voorbij rent en nergens echt aan toekomt omdat je zoveel wilt, is het dan niet alleen maar frustrerend?

‘Wat staat er op jouw bucket list dan?’ vroeg hij na een tijdje aan mij.

Tja, daar vraag je zowat.

Een aantal jaar geleden heb ik prioriteiten gesteld en mijn bucket list drastisch ingekort tot een lijstje van drie (zie onderaan de pagina). Maar zoals ik in mijn boek ook al schreef; inmiddels heb ik die drie dingen volbracht en blijf ik achter met de vraag: ‘wat nu?’

Ik heb zoveel bijzondere dingen mogen doen en meemaken, en via mijn werk heb ik zo ontzettend veel van de wereld mogen zien. Wat wil ik nou eigenlijk nog? En moet ik iets willen?

Ik ben een tevreden en voldaan mens, dacht ik. Dat is toch goed? Of ben ik nou ontzettend saai? Dat laatste was mijn eerste ingeving. Terwijl de vraagsteller op een antwoord wachtte, raakte ik in lichte paniek en dacht: wat ben ik saai, wat passief, ik wil helemaal niets. Snel, verzin iets groots een meeslepends!

Uiteindelijk gaf ik hem een kus, kneep in z’n bil en zei: ‘Veel van dit.’

Het is wel een vraag die me al jaren, ergens onder het oppervlak, bezighoudt en waar ik geen antwoord op weet. Wat wil ik nou eigenlijk nog? Recentelijk denk ik daar direct achteraan; moet ik dan per se iets willen of is het niet gewoon heel fijn dat ik niet zo nodig iets moet? Ik meende het toen ik zei ‘veel van dit’. Het zijn de kleine dingen.

Zoals toen ik laatst een rondje wandelde en op de terugweg in het park op een bankje ging zitten, in de eerste echt warme zonnestralen van 2017. Ik sloot mijn ogen, luisterde naar de vogels en de wind door de struiken. Een hond blafte. Ik had geen afspraken die middag. Er zat niemand op me te wachten. Ik hoefde niets te doen wat niet tot morgen kon wachten. Mijn telefoon stond op ‘niet storen’. Een jaar eerder droomde ik er van dit te kunnen doen en niets te hoeven. Nu doe ik het en hoef ik inderdaad niets.

Meer van dit, dat wil ik graag. En wat prijs ik mijzelf gelukkig dat ik dat kan zeggen. Tuurlijk zijn dromen en ambities fijn, maar vergeten we niet te genieten van het hier en nu?

Een bucketlist is een lijst van alle doelen die je nog wilt behalen en alle dromen die je nog waar wilt maken voordat je dood gaat.

Voordat je dood gaat? Ineens staat de timer aan, zijn we bezig met een race tegen de klok. Weg met die vermoeiende bucket list. Ik zal er in ieder geval niemand meer naar vragen.

‘Waar geniet je het meeste van?’ laten we het daar eens over hebben.

 

Note: mijn bucket list was 1) een huis kopen en verbouwen naar eigen smaak, 2) in New York wonen en 3) een boek schrijven.

Fly me to the moon, Lars

Nu ik niet meer reis voor mijn werk en mijn leven voornamelijk bestaat uit schrijven en sporten, gebeuren er veel minder gekke dingen waar ik dan weer smakelijk over kan bloggen. De leuke, spannende ontwikkelingen die wél plaatsvinden, daar kan ik niet over schrijven.

Dat mag je invullen zoals je wilt, maar ik bedoel onder andere schrijfopdrachten, boetseeropdrachten, iets met televisie (wat nu weer even van de baan is) en theaterspelen. Om maar wat zaken te noemen.

Gelukkig heb ik een paar lieve vriendinnen die soms voor een beetje spanning zorgen waar ik wel gewoon over kan en mag schrijven.

K., M. en ik kennen elkaar al sinds ons vijftiende / zestiende levensjaar, vanuit het jeugdtheater. K. kwam er een jaar later bij en was (en is) een paar jaar jonger. Daar verbazen M. en ik ons ruim 25 jaar later nog steeds over. ‘Ben je pas 39?’ roepen we dan ongelovig. De tweeëneenhalf /drie jaar leeftijdsverschil wil er maar niet in bij ons.

Twee jaar geleden hebben we een traditie geïntroduceerd; elkaar verrassen met een uitje. Nachtje Amsterdam hebben we gehad, karten, laser gamen en afgelopen zondag was K. aan de beurt om ons te vermaken. M. en ik wisten alleen: 10:30 uur verzamelen, 17:00 uur zijn we terug, gemakkelijke kleding zonder capuchon, platte schoenen met veters.

Na koffie en chocoladetaart bij mij, stapten we in de auto en lieten ons naar het zuiden rijden. Naar Roosendaal zo bleek. En ja hoor, whoohooo, K. parkeerde de auto voor: Indoor Skydive Roosendaal (of hier hun facebook pagina).

In één woord: Wáánzinnig. Altijd al een keer willen doen en nu wil ik weer. Heel verslavend.

‘Jullie hebben er zin in,’ zei de jongen die ons een blauwe overall aanreikte. Overall, oordopjes, haarnetje, helm, bril. Check! We hadden nog wat tijd, dus gingen kijken bij de windtunnel en bestudeerden wat we wel en niet moesten doen.

Wat de gebaren van de instructeur betekenden kregen we te horen tijdens de instructievideo en daar maakten we ook kennis met Lars die ons groepje zou gaan begeleiden. Wij drieën, en nog vier anderen. Om de beurt mochten we een minuut de tunnel in met Lars, de volgorde stond op een scherm. Alles werd gefilmd en konden we later terugzien. K. had voor ons allemaal 3 minuten gekocht, drie losse minuten zijn dat dan, en ter plekke hebben we er nog twee minuten bijgekocht.

Je laat je in de tunnel vallen, Lars vangt je op en houdt je stevig vast tot je stabiel bent. Hij stuurt aan, geef aanwijzingen, laat je in principe los, maar soms grijpt hij je bij je nekvel om je mee de hoogte in te nemen. Of hij pakt je bij je polsen en danst met je in het rond, op en neer op een luchtstroom van zo’n 220 km per uur. Heel intiem en romantisch eigenlijk, vonden M. en ik achteraf, en we vonden ook iets over het indringend oogcontact, de licht obscene gebaren, en de ongekende hoogtepunten, enzo.

Onze K. was minder onder de indruk van de jonge Adonis, maar begreep wel dat wij twee veertigplussers zeer gecharmeerd waren van deze atletische jongeman die ons opving en zo elegant met ons op een orkaan zweefde. ‘Ik snap het wel,’ zei K. droogjes toen we weer terugreden, ‘je bent heel puur en kwetsbaar op zo’n moment.’ Ja, dat klonk al veel minder romantisch. De liefde voor Lars was al snel weer over, maar de liefde voor indoor skydiven daarentegen niet. Pril en vurig.

Nu, ‘the morning after’, moet ik echter gaan nadenken over mijn verrassing voor de dames en het zal niet eenvoudig zijn deze klapper te overtreffen.

Suggesties zijn welkom.

 

To V or not to V

Nog even over eten en koken. Laatst werd ik op de Kalverstraat in Amsterdam staande gehouden door een alleraardigst meisje dat mij een schuldgevoel aan wilde praten over de beestachtige megastallen in de vlees- en pluimveeindustrie. Verschrikkelijk. Ik koop bijna nooit vlees of gevogelte, vertelde ik haar, want ik krijg de beelden van aan hun poten opgehangen kippen die machinaal onthoofd worden (wat vervolgens vaak niet goed gaat) niet uit mijn hoofd. Of, van toen we nog in de Achterhoek woonden, het gillen van de varkens die aan hun poten de vrachtwagen in geslingerd werden.

Ik ben al aan het experimenteren met veganistisch koken (hoe veganistisch kan ik leven?) en toen zag ik van de week een video van een presentatie die ik erg interessant vond en graag wil delen met jullie.

Ik moet hier even vertellen dat ik de link naar deze presentatie al in augustus 2016 van een klasgenoot van de Schrijversvakschool kreeg, maar nu pas heb gekeken. Ken je dat? Van die mailtjes die meer dan een half jaar in je inbox blijven hangen?

Maar goed, de presentatie werd gegeven door Dr Michael Greger van nutritionfacts.org. Zoals mijn klasgenoot het omschreef: De man is geen dieetgoeroe, heeft ook geen eigen, (zogenaamd) nieuwe theorie, maar doorzoekt met een team alle wetenschappelijke artikelen op het gebied van voeding en gezondheid en presenteert de conclusies met veel humor. Wat er uit naar voren komt – en hij legt ook uit waarom – is dat een veganistische levenswijze vele jaren toe kan voegen aan een mensenleven en veel van onze belangrijkste doodsoorzaken kan voorkomen en genezen. Zo was het bloed van veganisten acht maal beter bestand tegen kanker; doodde het acht keer meer kankercellen dan het bloed van omnivoren. Om maar iets te noemen.

Het is niet mijn bedoeling mensen de les te lezen, als je geïnteresseerd bent kun je het hele verhaal hier bekijken, ik wil het alleen maar even gezegd en gedeeld hebben. Dr Michael Greger heeft trouwens ook een podcast waar je je via zijn website op kan abonneren (podcasts zijn gratis).

Helemaal veganist zou ik zelf niet kunnen worden denk ik; ik vind mijn Irish soda bread met karnemelk te lekker en dat klontje boter door mijn puree van groenten is toch wel essentieel om dat overheerlijke, bijna veganistische stamppotje te maken. Bovendien eet ik te vaak buiten de deur om heel strikt te zijn met mijn voeding.

Maar goed, ik heb dan ook geen lichamelijke klachten behalve overgewicht.

Het goede nieuws, het bemoedigende nieuws, als je wel aan een van de te voorkomen aandoeningen lijdt, is dat het veganistische dieet heel snel effect heeft en je niet jarenlang strikt veganist hoeft te zijn om het vege lijf nog te kunnen redden. Of het nu tegen kanker of een depressie is, na drie weken een strikt veganistisch dieet te hebben gevolgd (dus ook geen melk, yoghurt, boter, kaas, eieren of honing) zagen artsen en patiënten al resultaat in de behandeling van vele ziektes en aandoeningen. Dat terwijl antidepressiva medicijnen soms maanden nodig hebben om een effect te laten zien, om van een chemokuur of bestraling maar niet te spreken.

Dr Michael Greger heeft recentelijk al zijn conclusies gebundeld in het boek ‘How not to Die’. Wat een heerlijke titel. (Wederom: ik word niet gesponsord.)

Het meisje op de Kalverstraat had aan mij geen goede dus, maar ik liet haar heel geduldig haar verhaal doen. Een verhaal dat veel te lang duurde en waarvan ze een paar keer de draad kwijt was. Dan keek ze even wazig langs me heen. ‘Ja, daar ben ik weer’, zei ze dan en ging weer verder. Ik luisterde een aantal minuten verwonderd, maar vroeg uiteindelijk toch maar: ‘Lieve schat, wat wil je me nou precies vragen’?

Ze vroeg of ik samen met haar de wereld beter wilde maken. ‘Ik zal doen wat ik kan,’ zei ik tegen haar, ‘maar nu moet ik gaan.’ Ik liet haar daar een beetje verdwaasd achter. Een kalfje met grote glanzende ogen was het, daar op de Kalverstraat. Volgens mij was ze zo stoned als een garnaal.

Kookboeken

De meest prachtige kookboeken krijg ik en heb ik gekregen. Kijk ik er wel eens in? Zelden. Nu, met de zoveelste verbouwing waaronder de plaatsing van een majestueuze boekenkast op mijn werkkamer, realiseer ik me weer hoezeer de kookboeken er bij mij vooral voor de sier staan. Kijk mij eens. Net alsof ik volgens het boekje zou kunnen koken omdat die boeken er nu eenmaal staan en ik dus de inhoud zou kennen. Helaas.

Zo heb ik ooit, na het zien van de film ‘Julie & Julia’, de behoorlijk (p)rijzige boeken van Julia Child gekocht: ‘Mastering the art of French cooking’. Deel 1 en 2. Nooit ingekeken.

Er staat wel één bijbel voor me tussen – tevens een van de dikste en zwaarste boeken die ik heb, op het boek van Taschen over New York na – en het heet ‘The world’s healthiest foods’ van George Mateljan. Een pil van 880 pagina’s A4 formaat, met werkelijk alles over voedsel en dan bedoel ik groenten, fruit, vis, vlees, gevogelte, bonen, zuivel, noten, zaden en granen. Alles wat er aan voedingsstoffen in zit, de verschillende varianten die er bestaan, in welk seizoen het te kopen, waar je op moet letten als je het koopt, hoe te bewaren, hoe te bereiden en dan nog een paar recepten en/of serveersuggesties. Briljant! (De tweede editie is nog dikker zie ik, en niet duur, te koop bij bol.com. En nee, ik word niet gesponsord).

Waarom kan ik het met George zo goed vinden? Bij George staat ook alles binnen 15 minuten op tafel. Daar hou ik van. De eenvoudige, pure keuken.

In plaats van in de boeken te duiken, verzin ik het vaak ter plekke. Gisteren had ik weer een leuke, ik verraste mezelf. Vier ingrediënten, veganistisch, gezond, simpel en binnen een kwartier op tafel. De oosterse roerbakgroenten waren in de aanbieding bij Albert Heijn deze week, dus ik had een zakje Thaise roerbakgroenten met kool en rode pepers. Daar voegen we het wonderlijke product quinoa aan toe, bedacht ik, staand achter mijn aanrecht met mijn handen in mijn zij, met een schort om (al was dat omdat ik aan het boetseren was, niet omdat ik ging koken). Quinoa dient men te bereiden als volgt: 1 deel quinoa, 2 delen water. Vijf laten minuten koken en tien minuten laten wellen. Hoe eenvoudig wil je het hebben? Boordevol voedingsstoffen en een fantastische bron van magnesium en proteïne. (Lees hier over quinoa, of luister hier naar de podcast over quinoa)

Hoe vrolijken we dat een beetje op? Jawel, met pindakaas/pindasaus. De groenten even roergebakken met wat kokosolie, beetje water erbij, en dan een flinke eetlepel biologische pindakaas (gewoon, echte pindakaas van gemalen pinda’s en verder helemaal niets). Quinoa inmiddels geweld, gooien we erbij en klaar. 15 minuten. Ziet er niet uit als op de plaatjes van Donna Hay en Ottolenghi, maar het smaakte goed. Bovendien, als ik op een goede dag weer genoeg moed heb verzameld om de regen te trotseren om naar de sportschool te gaan, dan komen al die proteïnen van de quinoa en de pinda’s me goed van pas want proteïne heeft je lichaam nodig om spieren op te bouwen.

En de kookboeken, nou ja, ach, die staan prachtig tussen de andere driehonderd boeken die ik nog moet lezen.

 

Heilige stress

Als ik naar het station loop, staan daar standaard twee mensen op de hoek ouderwets zieltjes te winnen voor God. Aangezien ik vaak naar het station loop, herkennen we elkaar en zeggen we vriendelijk gedag. Dat vind ik fijn, hoewel ik ook wel weet dat het het type mensen zijn die tegen iedereen gedag zeggen.

Deze klampen niemand aan met verkooppraatjes, ze staan er gewoon goed ingepakt tegen de kou, achter een rek met brochures. In voor een praatje, bereid om vragen te beantwoorden. Ik draag ze een warm hart toe, deze mensen. Ze zijn niet zoals de gelovigen die mij ooit staande hielden op het plein en dachten mij te moeten vertellen dat ik geen waarachtige Christen zou kunnen zijn – als ik dat zou willen – als ik nog nooit in tongen had gesproken. Ik zal het meisje vast verkeerd begrepen hebben. Maar goed, geen nare vingertjes van de mensen bij het station dus, maar hele vriendelijke, geduldige mensen.

Wel jammer dat het Christendom ons met al die vervelende feestdagen heeft opgezadeld – Paus Gelasius I riep in 496 14 februari uit tot de dag van de Heilige Valentijn, de dag dat de bisschop Valentijn onthoofd werd nota bene – die Hallmark en andere commerciële bedrijven zo gretig uitmelken. De commercie die je steeds verder achtervolgt met hartjes om je mee om de oren te slaan. Was het tien jaar geleden nog alleen zoetsappig daar waar de kaarten werden verkocht, nu word je ook in de Albert Heijn met je neus op je single status gedrukt en ik zag zelfs een leegstaand kantoorpand waar de hele verdieping, waar ook het enorme bord met ‘kantoorruimte te huur’ hing, was afgeplakt met harten. Waarom?!

Ik vind ‘ik hou van jou’ nogal wat, maar er zijn wel een paar mensen die ik een warm hart toedraag. Wat zeg je dan? Wat doe je dan? En als je die dag dan met zo’n ‘it’s-complicated-friend-with-benefits’ afgesproken hebt, geef je dan iets? Het is erg verwarrend voor de polyamoreuze single vandaag de dag. Kunnen we gewoon elke dag elkaar allemaal wat liefde sturen? En af en toe een kaartje? Of wat chocolade? Neemt een hoop stress weg. Van die stress gaat mijn hartje ook sneller kloppen, maar dan niet op de goede manier.

Afval en afvallen

De laatste fase van de laatste verbouwing is de slaapkamer en dat vindt mijn nieuwe fitbit – zo’n stappenteller om je pols die synchroniseert met een app op je telefoon – óók ontzettend fijn. De fitbit app noemde me zelfs een ‘over achiever’. In Amerika vinden ze dat een compliment, in Nederland iets minder. Dan ben je een uitslover, en uitgesloofd heb ik me zeker. Compleet gesloopt ben ik; moe maar voldaan. Gemiddeld 13.000 stappen per dag. Trap op, trap af. De martelapparaten in de sportschool zijn er niets bij.

Het kliklaminaat dat er lag moest eruit. Alsmede de oude IKEA boekenkast en de enorme, werkelijk loeizware kledingkast, gemaakt van dikke MDF platen. Deze laatste moest in stukken gezaagd en dat alles moest allemaal naar beneden, bij het grof vuil dat zou worden opgehaald. Ik had dus een deadline, en dat was maar goed ook want anders ‘komt het nog wel een keer’.

Ik vind het wel jammer dat we tegenwoordig een afspraak moeten maken voor het grof vuil trouwens. Ik mis de maandelijkse ophaaldag. ’s Avonds laat door de stad snuffelen tussen de spullen die een ander niet meer hoeft, maar die in mijn studentenkamer destijds goed van pas kwamen of het leuk aankleedden. Samen met verwante zielen op de vooravond van de ophaaldag door de stad struinen. Schimmige figuren in het donker. Kraag omhoog, handen in de zakken, zogenaamd onderweg naar iets, maar de tred was altijd nèt te langzaam om een andere doel te hebben dan ‘een blokje om’.

In New York, of in ieder geval in Brooklyn, zetten mensen ook hun oude spullen op straat, gewoon bij het afval dat twee keer per week werd opgehaald. De spullen werden vaak al heel snel weer geadopteerd door mensen uit de buurt. Het scheelt afval, gaat de verspilzucht tegen, stimuleert de creativiteit en mensen die het minder breed hebben zijn er vaak echt mee geholpen. Zelf heb ik er in Brooklyn een kastje, een schilderij, een kruk en een schattig tafeltje dat ik als bureau gebruikte aan overgehouden. Het enige wat je nooit mee moest nemen was iets van stof, zoals een matras of een bank met kussens, want New York had met enige regelmaat last van ‘bed bugs’ – bedwants in het Nederlands – die hele hotels of theaters plat konden leggen.

Kunnen we de maandelijkse ophaaldag weer invoeren? Ik mis het. In Dordrecht hebben we de weggeefkast, voor de kleinere dingen. Volgens mij wordt er goed gebruik van gemaakt. Ik breng er regelmatig spullen naar toe. Ik zie anderen het ook doen en met dezelfde vaart is de kast ook weer leeg. Hetzelfde gebeurt met de openbare boekenkastjes die je steeds vaker ziet, waar mensen de boeken in zetten die ze niet meer hoeven. Een ander kan ze meenemen. Geweldig toch? We gooien allemaal maar weg, zo zonde, dat wat jij niet meer hoeft, wil iemand anders graag een tweede leven geven.

Ik ben trouwens twee kilo kwijtgeraakt door al dat gesjouw.

‘Geen zorgen,’ zei een vriend mij, ‘ik heb ze gevonden.’

Tja…

Podcasts

Te vaak, als ik vraag ‘luister je podcasts?’, krijg ik als antwoord dat mensen niet weten wat podcasts zijn. Potverdorie mensen, podcasts zijn gratis en ze zijn een geweldige bron van informatie! Wil je het (internationale) nieuws volgen, een taal leren, verhalen luisteren, je yoga oefeningen voorgezegd krijgen, of wetenswaardigheden oppikken tijdens je uur in de file, dan zijn podcasts echt iets voor jou. Denk aan een soort radioprogramma dat je kunt downloaden en in je eigen tijd kunt beluisteren.

Zelf abonneer (nogmaals: gratis!) ik me op een podcast via iTunes, maar je vind je ze ook op andere platformen zoals Google Play en Stitcher.

Wat achtergrondinformatie, een beetje van mezelf en een beetje van Wikipedia: Een podcast is een audiobestand – vaak een aflevering in een serie uitzendingen – dat wordt aangeboden via het internet. Podcasting als vorm van uitzenden werd al snel populair onder radioamateurs omdat ze niet meer afhankelijk waren van zendtijd op de radio en omdat iedereen het programma, dankzij de draagbare mp3-spelers zoals de iPod, op elk gewenst moment kon beluisteren. De term ‘podcast’ is dan ook een samentrekking van iPod en broadcast en dook voor het eerst op in 2004 in een beschrijving van de nieuwe uitzendtechniek door journalist Ben Hammersley en mede door Adam Curry werd podcasten steeds meer bekend.

In Amerika zijn podcasts veel populairder dan in Nederland, en daar, in New York, ben ik er zelf mee in aanraking gekomen. Als ik ging joggen luisterde ik uiteindelijk liever naar gesproken tekst om mijn aandacht af te leiden van het fysieke ongemak, dan naar muzieknummers die maar al te vaak liefdesverdriet beschrijven en liefdesverdrietig zijn is niet goed voor mijn hardloopmotivatie kwam ik achter.

Ik luister naar podcasts als ik aan het schoonmaken of aan het klussen ben, aan het strijken of het koken. Als ik mediteer, als ik fiets, als ik wandel.

Ik verzeker je, er is voor ieder wat wils, ik raad je sterk aan om eens in de iTunes store te snuffelen. De internationaal meest populaire podcast tot nu toe is Serial en gaat over een waargebeurd, Amerikaans moordmysterie.

Zelf luister ik in ieder geval naar:

Stuff You Should Know – Al sinds het begin ben ik een trouwe luisteraar van Josh en Chuck. Ik heb ze persoonlijk mogen ontmoeten in New York, op hun eerste public event in Brooklyn. We hebben even staan praten, ik heb een biertje voor ze gehaald want ze kwamen maar niet door de mensenmassa heen in de bar. Twee hele sympathieke jongens die overrompeld waren door alle aandacht die ze middels hun podcast kregen. Twee keer per week behandelen ze uiteenlopende onderwerpen als ‘How Dictators Work’, ‘How a Flea Circus Works’, ‘Should Advertising to Kids be Banned?’, et cetera. Je pikt er allerlei wetenswaardigheden op en het is nog goed voor je Engels ook.

The New Yorker: Fiction – Het tijdschrift The New Yorker publiceert sinds mensenheugenis ook korte verhalen. In deze podcast kiest een schrijver een gepubliceerd verhaal van een andere schrijver, leest het voor en bespreekt het met de redacteur van The New Yorker.

Selected Shorts – Ook een podcast waarin Engelstalige korte verhalen worden voorgedragen.

Meditation Oasis – verschillende ‘Guided meditation’ afleveringen waarin de zwoele stem van Mary Maddux me vertelt dat ik al mijn gedachten los moet laten. Heerlijk.

De roltrap

De sportschool waar ik de koekjes en de taartjes en de chocolade teniet probeer te doen, is een vestiging van David Lloyd. Onze sportschool zit op de eerste verdieping, boven een Albert Heijn, een Aldi, een Runnersworld en een Gall & Gall. Om boven te komen kan men kiezen tussen een lift of een roltrap. Er is geen gewone trap.

Ik herinner mij een spottend bedoelde foto van een sportschool in Amerika. Voor het pand waren brede trappen en aan de zijkant was een escalator. Een dame die duidelijk wel wat beweging kon gebruiken – en die dat, te zien aan de sportkleding die ze droeg, inderdaad van plan was te gaan doen op de sportschool –, nam niet de trap maar stond op de roltrap te kijken naar de grote grijze parkeerplaats waar een aantal auto’s zo dicht mogelijk bij de ingang geparkeerd stonden. Dat beeld is me altijd bijgebleven; we gaan naar de sportschool om energie te verbruiken, maar de voor de hand liggende beweging laten we aan ons voorbij gaan.

Laatst kwam ik de sportschool uit en waren twee kinderen, een jongen en een meisje van een jaar of vijf of zes, aan het spelen op de roltrap. Mijn eerste gedachte was: ‘Waar zijn de ouders?! Wat als hun vingertjes…’ maar ik liet het los. De kinderen hadden zo ontzettend veel schik in het naar boven en beneden gaan met de roltrap, dat ik niet anders kon dan glimlachen om dit eenvoudige geluk. Het jongetje stond een paar traptreden voor mij en ging mee naar beneden, het meisje kwam juist omhoog en toen ze elkaar schaterlachend passeerden zwaaiden ze uitbundig naar elkaar. Dit was de allerleukste uitvinding ooit. Dat was duidelijk.

Wie verzint er dan zoiets? Wie zit er zuchtend naar een trap te kijken en denkt “pfff… moet ik heel die trap op? Kan die trap niet bewegen, dat ik dan stil kan blijven staan?”

Nou, dat was Charles Seeberger. Tenminste, hij heeft de eerste roltrap gemaakt als attractie op Coney Island in New York in 1896. De Amerikaan Nathan Ames vroeg al in 1859 patent aan voor zijn ‘roterende trap’ maar heeft het idee nooit uitgevoerd.

Zo, weet je dat ook weer.