Waar de woorden zijn

Een koude dinsdag in december. De nachtvorst heeft ons toegedekt met wit dons. In Lochem zit vader in zijn luie stoel en leest. Dan stopt zijn hart. Zomaar, ineens, klopt het zijn laatste slag. Het boek is uit.

Dat zijn de woorden die ik om half twee ’s nachts in mijn telefoon typ. Het zijn de woorden voor de rouwkaart van onze vader.

Hij is op zijn manier ‘in het harnas’ gestorven want zo herinner ik mij hem: altijd lezend. Was het geen boek, dan was het de krant, teletekst, een tijdschrift of desnoods de atlas. Duizenden boeken stonden er bij ons thuis. Hij verslond alles. Van historische non-fictie tot romantische niemendalletjes.

Maar zoveel woorden als er via zijn lichtblauwe ogen ingingen, zo weinig kwamen er via zijn mond weer uit. Spraakzaam was hij niet.

Zijn hemel zal bestaan uit niet veel meer dan een heerlijke stoel, een eindeloos aantal boeken, een televisie met teletekst, een hond aan zijn voeten, een bodemloos koffiekopje en een optimale darmfunctie.

Ik hoop dat je de eeuwige bibliotheek gevonden hebt, Pa. Rust zacht.

Perfect strangers

Met mijn zeer gewaardeerde Cinevillepas ben ik afgelopen week naar de Italiaanse film Perfetti sconosciuti (Perfect strangers) geweest in The Movies in Dordrecht. Ik heb trouwens lang geoefend om “perfetti sconosciuti” te kunnen zeggen, dus vraag er gerust naar de volgende keer dat we elkaar spreken.

Een uiterst vermakelijke film, en uit het leven gegrepen:

Drie stellen en een vrijgezelle vriend komen bij elkaar voor een etentje bij één van de stellen thuis. Op één van de vrouwen na, kent iedereen elkaar al zo ongeveer sinds hun studietijd. Het gezelschap heeft het over een vierde stel dat er niet bij is. Het ontbrekende stel is gescheiden; de man is er met een veel jongere vrouw vandoor. Zij die wisten van zijn affaire dachten dat het niet aan hen was er iets over te zeggen, zij die het niet wisten waren verbaasd dat zij de man goed dachten te kennen, maar dat hij er toch zo’n dubbelleven op na hield, dát raakte hen meer dan de verhouding op zich. De verhouding kwam uit omdat zijn vrouw berichten op zijn telefoon vond.

Tijdens het voorgerecht gaat het gesprek van het gezelschap verder over mobiele telefoons en geheimen. Ze kennen elkaar toch al zo lang, ze hebben toch zeker geen geheimen voor elkaar? Ze besluiten, bij wijze van spel, de mobiele telefoons op tafel te leggen en om alles wat tijdens het eten binnenkomt aan e-mails, berichten en telefoontjes met elkaar te delen. Telefoons gaan op de speaker, berichten en e-mails worden voorlezen.

Wat er dan gebeurt is soms grappig, soms dramatisch want iedereen heeft wel geheimen, groot of klein, en zodra er een ander dan jijzelf bij betrokken is (en dat moet bijna wel, of het zijn je gedachten of wat je doet als je alleen bent en afgesloten van de buitenwereld), loopt communicatie via de smartphone. Verder zal ik niet teveel in detail treden, want ik wil niet teveel van de film weggeven. Ik hoop dat je hem nog kunt gaan zien. Ik vind het een aanrader.

De film houdt me wel bezig sindsdien. Ik zou er zelf toch ook niet aan moeten denken dat mijn telefoon in handen van iemand anders valt. Het is inderdaad absurd hoeveel we aan dat kwetsbare apparaatje toevertrouwen. De smartpone is makkelijk te hacken als ik bijvoorbeeld de scriptschrijvers van ‘Person of interest’ moet geloven. Ik ben ontzettend blij met mijn iPhone, begrijp me niet verkeerd, ik wil niet meer zonder, maar het is goed om af en toe stil te staan bij hoeveel van ons leven door de smartphone stroomt.

Wat staat er allemaal in? Als je smartphone in verkeerde handen valt, wat ligt er dan ineens op straat? Telefoonnummers van mensen die het misschien juist heel fijn vinden dat de telefoongids stilletjes van het toneel verdwenen is? Foto’s van jezelf of van anderen die je niet van plan was te delen op facebook? Je agenda met bijvoorbeeld je doktersafspraken? Je facebookaccount, je email, je tinder account, de app van de bank? En natuurlijk de whatsapp en/of sms conversaties die ‘for your eyes only’ zijn bedoeld.

Nee, ik vind het helemaal niet vreemd dat veel mensen hun smartphone zo ongeveer op de huid dragen. Als er een reality-tv show zou komen waarin je telefoon zou worden ontleed, dan ga je tóch met de billen bloot, ook al heb je geen geheimen. Ik wel in ieder geval. Gelukkig ben ik niemand verantwoording schuldig, maar gênant lijkt het me wel. Het is privé, het is intiem. Het is alsof iemand je dagboek leest en die dagboeken van vroeger zat ook al zo’n flutslotje op.

Geluidsoverlast

Soms kom ik een mens tegen, die ik niet ken, die mij mateloos weet te irriteren. Meestal kom ik zo iemand tegen in de trein en meestal heeft het te maken met geluid. Zo wil ik nog wel eens van coupé wisselen om hard pratende mensen te ontwijken. Waarom moet zoveel zo hard? Laten we alles wat zachter doen. In New York is het helemaal erg trouwens. Altijd en overal lawaai, vooral in de metrostations, waardoor steeds meer mensen oordopjes dragen om hun gehoor te beschermen en dat is niet onterecht.

Zo zat ik laatst naast iemand die heel hard de krant aan het lezen was. Hard de krant lezen? Ja, dat kan:

Ik zit in de intercity van Amsterdam naar Vlissingen. Schuin tegenover mij, in zo’n zitje voor vier personen, zit een jong meisje van rond de twintig. Heel verlegen lijkt ze mij, de manier waarop ze me telkens heel vluchtig aankijkt.

Er komt een ouder stel aan en ze komen bij ons zitten. Het meisje schuift door naar het raam en zit nu tegenover mij. De man gaat naast mij zitten, de vrouw naast het meisje. We zitten in de stiltecoupé overigens. Leuk idee, zo’n stiltecoupé, maar het werkt voor geen meter. Het stel praat zacht en telkens maar kort. Bovendien zijn het ‘ouderen’, dus ja, je zegt er ook niet zo snel wat van natuurlijk. Dan komt er een hele stapel kranten uit de tas van de man. De zaterdageditie van drie landelijke bladen zo te zien. Dat zijn veel katernen bij elkaar. Het meisje en ik zitten al tegen het raam gedrukt, ik helemaal, want ik ben niet de kleinste en de man naast mij ook niet, en als hij dan ook nog eens breeduit de krant wil lezen… Maar vooruit.

Maar dan: de vrouw slaat telkens met veel geritsel de pagina open en ‘slaat’ ‘m dan uit. Nog even zo’n zweepslag met de krant zodat de pagina rechtop blijft. Dan vouwt ze de krant toch om, zodat ze alleen de pagina voor zich heeft die ze wil lezen. Die strijkt ze nog drie keer met veel lawaai plat. En dat niet één keer. Nee, vaak, want ze kan blijkbaar geen artikel vinden dat ze wil lezen. Ik kijk het meisje ondertussen met een aarrrrgh!-blik aan. Ik zoek een lotgenoot. Een heel klein lachje durft ze me te geven, een mondhoek die heel even richting een glimlach beweegt. Meer is het niet. Dan kijkt ze snel weer weg.

De vrouw vindt nu af en toe een klein artikel dat het lezen waard is, maar heeft een nieuwe manier gevonden om me te irriteren: zodra ze iets gelezen heeft, stoot ze haar man aan (echt niet liefdevol, maar heel venijnig), duwt het artikel onder zijn neus en wijst er met een tikkend vingertje op. Met een korte, zacht uitgesproken samenvatting van het artikel. Laat die man lekker zelf lezen, wil ik haar toebijten, maar ja, dat doe je niet natuurlijk.

Met deze vrouw zou Roald Dahl wel raad weten in zijn kinderboeken. Bleke huid, bleek haar, bleek brilmontuur. Deze hele vrouw is beige. Zuur en ontevreden mondje, en als ze vanachter haar bril haar ogen toeknijpt om op het scherm te lezen waar we zijn, dan slaat de kou je om het hart.

Ik dacht dat lezen een rustige, stille bezigheid was? In de stiltecoupé notabene, maar dat hebben ze blijkbaar niet gelezen.

Bless you!

‘Haa-tchoe’ klonk het net voorbij de kleedkamer op de sportschool. De mooist gearticuleerde nies die ik ooit heb gehoord. De man nieste niet zomaar, hij zei echt ‘Haa-tchoe’. Een nies zoals deze alleen in volksvertellingen voorkomt. En nog een keer: ‘Haa-tchoe’. Iets verder weg nu, de niezer liep duidelijk richting de sportzaal.

It is the season, zullen we maar zeggen. Ik had het er toevallig afgelopen zaterdag met Ronald over, de barman bij Hoppe. Over niezen. In zijn positie, letterlijk, achter de bar, wordt hij makkelijk aangestoken.

‘Bovendien,’ zei hij, ‘mensen niezen in hun hand.’ Hij hield zijn hand voor zijn mond ter illustratie. ‘Ze geven je een hand, je wrijft even later onder je neus en boem: verkouden.’ Ik knikte. Zo makkelijk ging het inderdaad. ‘Ik nies nooit in mijn hand,’ ging Ronald verder. ‘Ik buk voorover en nies naar de grond.’ En ook dit illustreerde hij door voorover te buigen. Zijn hoofd verdween achter de bar. Ik ging op mijn tenen staan en volgde zijn beweging.

‘Ik nies altijd in mijn arm,’ zei ik. Ik voelde dat het mijn beurt was nu. Ik hield mijn elleboog voor mijn mond en neus. ‘Dat heb ik in Amerika geleerd. Altijd in je arm niezen.’

‘Oh ja?’ vroeg Ronald.

‘Ja.’

‘Sommige mensen houden het in,’ merkte hij nog op. ‘Dat is zó slecht.’

Ik knikte. ‘Verschrikkelijk… Doe nog maar twee bier en een wijntje.’

Ik ken het verhaal inderdaad, mensen die de nies inhouden en hoe slecht het zou zijn. Je niest met ongeveer 150 tot 160 km per uur, het lijkt me inderdaad niet verstandig om dat tegen te houden.

Ik heb ook wel eens begrepen dat ‘Bless you’ eigenlijk helemaal niet zo positief is. Als mensen vroeger ziek waren, overleden ze daar makkelijker aan dan vandaag de dag. Als iemand moest niezen was het dus eerder een wens in de trant van: ‘Och, hemel, je dagen zijn geteld. God bless you.’

Wat ik niet wist, maar wat ik net las op www.wistjedat.tv is dat al je lichamelijke functies, zelfs je hart, stoppen als je niest. Misschien dat daarom een niesbui zoveel van je vergt.

Mijn ex, Philip, vertelde mij ooit smalend dat je aan de manier waarop iemand niest kunt opmaken hoe iemand klaarkomt. Misschien had hij een opmerking als ‘het is als klaarkomen’ verkeerd geïnterpreteerd en heeft er deze overeenkomst van gemaakt, maar hoe dan ook, waar of niet waar, sindsdien kan ik geen nies meer horen zonder bij de opmerking van Philip stil te staan. Bij mensen die krampachtig hun nies inhouden denk ik meewarig: ‘Ach…’

Zouden al je lichamelijke functies ook stoppen als je klaarkomt? Dat zou me niets verbazen. Ben trouwens benieuwd of de man van de ‘haa-tchoe’ op de sportschool ook zo overduidelijk gearticuleerd meldt dat hij klaarkomt.

De verbouwing

De mannen zijn vertrokken. Het stof is neergedaald. En zoals met zoveel dingen komt er eerder werk bij, dan dat eraf gaat. Het blijkt nu dat ik jarenlang een mentaal lijstje heb bijgehouden van alle grote en kleine dingen die nog moeten gebeuren in en om mijn knusse huisje; gaten vullen, kieren dichten, muren schilderen, een stopcontact dat al tien jaar wacht op voltooiing, de bovenkant van de trap die eigenlijk nèt te hoog boven het laminaat uitsteekt, de woonkamerdeur die klemt, de radiatorombouw / vensterbank waar ik op een dag heel romantisch in kan gaan zitten lezen.

U voelt ‘m al: mijn hele huis ligt weer eens overhoop en dat terwijl ik me toch zó had voorgenomen om het ‘vloerproject’ af te bakenen en eerst af te maken vóór ik aan iets anders zou beginnen. Per kamer, zou ik ‘de lijst’ afwerken. Maar ja, als je dan toch bezig bent en met een roller met latex door het huis loopt…

Ik vind het ook niet zo heel erg om in de verbouwing te moeten leven. Niet zo erg als mensen om mij heen dat lijken te vinden. Ik heb genoeg verbouwingen meegemaakt om er mee om te kunnen gaan.

Het begon toen mijn ouders in de jaren tachtig verzonnen dat wonen op het platteland het summum zou moeten zijn. Ze kochten voor een habbekrats een boerderij in de Achterhoek. De Bosman heette de boerderij, maar er was in de verste verte geen bos te bekennen. Kilometers landbouwgrond, dat wel. Het eeuwenoude bouwsel waar wij in huisden, zuchtte onder de onophoudelijke teistering van weer en wind, maar dat zouden mijn ouders wel eens even gaan opknappen. Daar kwam niet zo heel veel van terecht. Ik herinner mij het chemisch toilet, het soort dat meegaat met de camper, waar wij wekenlang gebruik van moesten maken en het wekelijks douchen bij kennissen.

Het was de eerste in een reeks huizen (in binnen- en buitenland) waar nog het nodige aan moest gebeuren. Om het voorzichtig uit te drukken.

Ik ben nog wel eens teruggegaan naar de boerderij, zo’n twaalf jaar geleden. Er woonden vriendelijke mensen en ik mocht binnen kijken. Zij hadden het heel rigoureus aangepakt. De buitenmuur was nog origineel, maar dat ongeveer het enige wat ik herkende.

Dezelfde aanpak had ik met mijn huis in Dordrecht, tien jaar geleden, toen er ook nog slechts vier muren en een dak bleven staan. In die fase van de verbouwing kreeg ik de kans om naar New York te verhuizen en moest het plotseling allemaal heel snel af. Ik hoopte mijn Nederlandse huis namelijk te kunnen verhuren. In de haast zijn een aantal dingen blijven liggen, of ze zijn inmiddels aan vernieuwing of reparatie toe.

Sinds ik terug ben uit New York is de openhaard in ere hersteld (luxe) en het dak vernieuwd (noodzaak). Dit is de derde verbouwing in zes jaar. Je zou denken dat ik het inmiddels wel spuugzat zou zijn, al die verbouwingen, maar het resultaat maakt het ongemak altijd weer waard. Ik kijk graag door het stof heen en visualiseer het resultaat. Uit elke verbouwing spreekt toch eigenlijk hoop en naar een ieder die schrikt van de foto’s die ik via whatsapp stuur, schrijf ik met al mijn optimisme: ‘Het wordt heel mooi!’

In ballingschap

Ik ben verbannen thuis. Ik heb mijn laptopje opgepakt en hou ik vandaag kantoor in Restaurant-Gastrobar Post in Dordrecht, gevestigd in het voormalige pand van het postkantoor.

Het doet me denken aan herfst in New York; de bedrijvigheid in Post, het industriële interieur en de grote ramen waardoor het geel-oranje herfstlicht naar binnen valt. De grote gele en bruine bladeren op de stoep en de middenberm van de oude platanen die de route naar de binnenstad begeleiden. De verwaaide mensen die voorbij schuifelen.

Hierbinnen is het groot, maar toch knus en warm. Twee chesterfieldbanken bij het raam. Op de een zitten twee hartsvriendinnen met thee. Op de ander, daar waar net nog een blond gezinnetje met twee kinderen zat, zitten nu twee Tinderaars met een donker bier voor hem en witte wijn voor haar (dat Tinderen verzin ik er zelf bij, dat is 100% projectie.)

De leestafel deel ik met een wisselend publiek. Zakenpartners, interviewers, mensen die koffie komen drinken en de krant lezen, of bloggers en zzp-ers die hier net als ik met een laptop neerstrijken. Misschien zijn ze ook een beetje verbannen.

Ik dramatiseer natuurlijk: ik verblijf hier in volkomen zelfverkozen ballingschap want ze zijn aan het verbouwen bij mij thuis.

De firma Hak & Co. (geen grapje, Jan Hak heet de aannemer, Habrobouw, aardige vent, goeie aannemer, ik kan hem van harte aanbevelen) heeft mijn vloer eruit gesloopt en is nu onder de vloer de twee buitenmuren aan het doorhakken. In stukjes zodat deze niet inzakt natuurlijk. Lood ertussen, dan weer dichtmetselen. De vier mannen van Habrobouw vechten met hun wapens naar keuze tegen het optrekkende vocht waar veel huizen op ons mooie eiland last van hebben. Zodra mijn muren zijn voorzien van een laagje lood en weer zijn dichtgemetseld, gaat ook een gedeelte van de stuc van de muren want daar zitten mineralen in en die blijven er anders doorheen komen, aldus Jan. Dan komt er nieuwe stuc op de muren en uiteraard gaat de vloer er weer in. Met de kerst moeten alle sporen (lees vooral: stof) van deze ingrijpende operatie wel weer verdwenen zijn, schat ik.

Ondertussen vecht ik persoonlijk tegen bergen huiswerk, maar er komt niets uit mijn handen. Alles wat ik opschrijf, wis ik weer. Is dat wat ze een writers’ block noemen? Of ben ik gewoon teveel bezig met welke laminaatvloer ik er straks in zal leggen, of welke kleur ik op de muren ga smeren als alles straks goed droog is? Ik heb net erg veel tijd doorgebracht op de website van Hornbach.

Buiten bij de bushalte staan drommen kleine kinderen met pietenmutsjes. Aan de overkant is het Sinterklaashuis pas geopend. De goede man is weer in het land. Ik heb de eerste chocoladeletter alweer mogen ontvangen en al opgeschrokt ook. De D van Dikkertje Dap. De D van Dromer…

Huiswerk!

 

 

Bruiloften

Trouwt er niemand meer tegenwoordig? Ik kan me de laatste Nederlandse bruiloft waar ik te gast was niet heugen. Niet dat ik zit te springen om naar een bruiloft te gaan, maar ik vroeg het me af.

Het bruiloftsfeest is meestal wel leuk, maar van alle huwelijken die ik heb zien voltrekken, is er geen één meer in stand. Vroeger ging ik er onbevangen naar toe, blij voor het kersverse echtpaar. De liefde, wat mooi. Nu ben ik een sceptische ouwe vrijster in een net pakje. Misschien dat ik daarom niet meer op de gastenlijst sta. Maar dan zou je toch in ieder geval achteraf wel horen dat iemand getrouwd is, toch?

Twee keer ben ik getuige geweest, beide keren voor de bruidegom. Even heb ik gedacht dat het misschien aan mij lag, dat ik toen al had moeten ingrijpen en had moeten zeggen: ‘Lieverd, doe dat nou niet, dat wordt huilen.’ Want huilen werd het in beide gevallen. Maar ja, het is een enorme eer als een vriend van je dat vraagt, dus natuurlijk zet je je handtekening. Ik heb me wel voorgenomen om nooit meer getuige te zijn, dus vraag het me niet meer. Ik wil het risico niet lopen dat ik toch de ongeluksbrenger ben.

Ik heb tien jaar in een café-restaurant gewerkt dat met grote regelmaat werd afgehuurd voor bruiloftsdiners en -feesten. De meeste vreemde dingen hebben we voorbij zien komen. Van enorme prinsessenjurken, tot oma die bijna stikte in een stukje biefstuk, tot families die met elkaar op de vuist gingen, tot de meest verschrikkelijke voordrachten van familie en vrienden voor het echtpaar.

Natuurlijk kwam het nummer Paradise by the dashboard light voorbij tegen een uur of elf, en ging Oom Frans helemaal uit z’n dak op de dansvloer. Dan gingen de billen een beetje naar achter en werden de heupen krachtig van links naar rechts bewogen. De enorme bierbuik diende als contragewicht. Hoofd rood aangelopen, vlezige handen tot vuisten gebald.

Als je langsliep met de schaal bitterballen lag zijn hand nèt iets te laag op je onderrug. ‘Blijf hier maar staan hoor.’ Alsof ik die nog niet eerder had gehoord vanavond. Op honderden foto’s staan we, de meisjes van de bediening op de zogenaamd mooiste dag van hun leven. Ik ben benieuwd hoeveel van die foto’s inmiddels al ritueel verbrand zijn.

Weet je nog…

De trein tussen Rotterdam en Dordrecht reed deze vrijdag wél. En wat voor een trein! Het was de trein naar Brussel van 13.08 uur, zo’n ouderwetse trein met gangpaden langs coupés voor zes personen. Met schuifdeuren, tapijt en stoffen bekleding.

Ik schuif de deur open naar de derde coupé waar ik langskom. Een meisje, met haar Apple laptop op het tafeltje bij het raam en haar witte Apple oordopjes in haar oren, lacht vriendelijk naar me. De man met grijze haren die aan dezelfde kant zit, maar dan bij de schuifdeur, glimlacht ook. Ik ga tegenover hen zitten, in het midden, zo hebben we alle drie ruimte om onze benen te strekken.

De man tegenover me kijkt nog een keer op, glimlacht weer. Ik glimlach aarzelend terug maar kijk hem vooral licht vragend aan. Afwachtend, alsof ik vermoed dat hij iets wil gaan zeggen. Hij kijkt snel weer terug naar zijn iPad mini.

Via het omroepsysteem worden we in drie talen gewaarschuwd voor het vaak aanwezig zijn van zakkenrollers op deze route. Ik voel even naar de iPod Touch in mijn ene jaszak en de iPhone 5s in de andere.

De trein zet zich in beweging. Ondanks de prominente aanwezigheid van Apple, ben ik al snel twintig jaar terug in de tijd. Studententijd in Breda, op en neer naar Dordrecht, niet zelden met deze trein, maar ook de nachttrein naar Parijs. Vooral die keer dat ik samen met een vriendin halsoverkop naar Parijs vertrokken ben, veel meer dan een schone onderbroek en een tandenborstel hadden we niet bij ons. Mijn vriendin kwam terug met een parelketting en bijpassende oorbellen. Gekregen van een romantische Fransman.

Met de nachttrein deden we er in die tijd minstens acht uur over om in Parijs te komen omdat we ’s nachts stilstonden bij de grensovergang naar Frankrijk. Dat had iets te maken met een andere breedte van het spoor waardoor er iets met het treinstel moest gebeuren, of met een andere machinist, hoe dan ook stonden we er lang stil. Ik herinner me vooral een ijskoude nacht in een stilstaande trein waarvan de verwarming het niet deed of uit stond. Wat een verademing toen de Thalys kwam.

Weet je nog, dat we mochten roken in de trein? Deze ouderwetse trein brengt allerlei beelden bij me naar boven. Dikke rookwolken in de coupé. Uitpuilende asbakjes in de stoelleuningen. De schrale geur die er een decennium nadat het was afgeschaft nog steeds niet uit was. Het was ontzettend smerig, maar gezellig was het altijd wel in de rookcoupé. Ik heb ook vier jaar in Rotterdam gestudeerd. En gerookt heb ik ook. Dan nam ik de trein van half acht ’s ochtends en de rookcoupé zat elke dag vol met Brabanders die elkaar kenden en standaard een potje kaartten in de trein.

Ach ja, dat waren nog eens tijden.

De trein rijdt Dordrecht binnen en ik sta op. De man met het grijze haar schuift de deur voor me open. Dat gebaar waardeer ik zeer en ik bedank hem dan ook vriendelijk. Apple heeft het menselijk contact nog niet volledig gesaboteerd.

Doe die deur dicht!

Heb je het gelezen toevallig, dat afgelopen vrijdag het treinverkeer tussen Rotterdam en Dordrecht lange tijd niet mogelijk was? Drie keer raden wie er in Rotterdam zat en er bijna vier uur over heeft gedaan om thuis te komen.

Precies!

Ik ben uiteindelijk gaan varen. Geen grap. In een helder moment dacht ik: de waterbus! Iets wat de OV informatie niet in overweging nam. Zij kwamen niet verder dan duizenden mensen laten stranden op Rotterdam Lombardije.

En weet je wat nou de grote grap in dit verhaal was? De echte dijenkletser? Dat het waarschijnlijk allemaal kwam omdat iemand de deur open heeft laten staan in de tunnel bij Barendrecht. Daardoor (vraag me niet waarom, ik zie het verband ook niet direct) ging het blussysteem (van schuim, geen water) in de tunnel aan.

Hoor je de echo ook nog, van je ouders die altijd en eeuwig riepen: ‘Doe die deur dicht!’, ‘We zijn de kerk niet’, ‘Weet je wel wat dat kost?!’ et cetera.

Ach ja, je bent een tiener en de wereld om je heen is wazig en nog niet zo relevant als jijzelf. Triviale dingen als de deur achter je dichtdoen, daar kun je allemaal geen rekening mee gaan houden hoor. Maar het zal geen dromerige tiener geweest zijn die vrijdag de deur open heeft laten staan. Dat zal toch wel een verantwoordelijke, volwassen medewerker zijn geweest. Een onderhoudsmedewerker, stel ik me  zo voor.

Bijna zes uur heeft het geduurd voor er weer een trein richting het zuiden ging.

Al die mensen met koffers, op weg naar Brussel of Parijs. Al die belangrijke – misschien wel cruciale – afspraken die mensen zijn misgelopen omdat iemand de deur open heeft laten staan. Je had ze moeten zien op Rotterdam Centraal toen ik daar rond een uur of één aankwam; de massa’s vastgelopen reizigers. Overal koffers en sporttassen. En dat was pas het eerste uur van de storing, dat zou nog veel erger worden, maar toen zat ik al een boterham te eten in het zonnetje op het Kruisplein voor het station. Van de nood een deugd maken, daar heb ik geen problemen mee.

Ik volgde de verkeersinformatie via de NS app, maar er werd steeds meer geannuleerd. Via het spoor was er in ieder geval geen enkele optie om de 23 kilometer naar mijn huis te overbruggen en over de bussen was 9292 reisinformatie ook niet erg duidelijk, terwijl er volgens mij toch een bus vanaf Zuidplein moest gaan. Om kwart over twee kreeg ik de ingeving van de waterbus.

Het duurt even, via het water (een uur ongeveer), maar het is in ieder geval een aangename rit, ongetwijfeld prettiger dan de eerste stampvolle treinen die rond zes uur gingen rijden.

Ik was om half vijf thuis en dacht: dit verzin je toch niet?!

Maar leef je nu even in in de persoon die de deur open heeft laten staan: Het is twaalf uur, schafttijd. Je gaat naar de kantine van ProRail, pakt je broodtrommel uit je rugzak. Met twee grote happen steek je de helft van je donkerbruine boterham met jonge kaas in je mond. Slok automaatkoffie erbij en dan hoor je dat de tunnel is volgelopen met schuim. Oh oh. Daar kom je net vandaan.

Als je ’s avonds met je pilsje en je iPad op de bank zit, zie je op nu.nl de beelden van duizenden gestrande reizigers. In het begeleidende artikel staat dat de storing komt omdat er een deur openstond en alleen jij weet wie die deur niet achter zich dicht heeft gedaan…

Dan voel je je toch knap lullig, of niet dan?

 

Lekker behandelbaar

Maandag lag ik op de stoel bij de tandarts voor mijn halfjaarlijkse controle. Niet dat er nog veel te doen viel want recentelijk heeft hij, Ton de Tandarts, al mijn vullingen vervangen. Ik kan er voorlopig wel weer even tegen en ik stond dan ook binnen twee minuten weer buiten.

‘Goed gedaan,’ zei hij.

‘Ja, nee, jij!’

‘Ach,’ zei hij.

‘Teamwork,’ zei ik uiteindelijk en wenste hem vast fijne feestdagen.

Ik vind het niet erg om naar de tandarts te gaan. Sterker nog, ik ga liever naar de tandarts dan naar de huisarts, want wat bij de tandarts slecht nieuws is, valt meestal nog wel te repareren. Slecht nieuws bij de huisarts heeft meestal een langer staartje. Bovendien heb ik ook altijd hele leuke tandartsen gehad en dat scheelt natuurlijk ook.

Ik begon als tiener, na een aantal verhuizingen, bij Paul. Hij had een kunstwerk aan het plafond, boven de stoel, en hij vierde zijn veertigste verjaardag in de horecazaak waar ik destijds werkte, samen met twee bevriende tandartsen die ook veertig werden dat jaar. Sindsdien zei hij, wanneer ik binnenkwam, heel nadrukkelijk en zangerig “Die-A-na”, waarop ik hem vorsend aankeek en antwoordde met een veelbetekenende “Paul…” Het was een wild feestje geweest.

Ooit lag ik in zijn stoel, zwijgend controleerde hij mijn gebit. Uit de radio klonk een interview waarin het belang van geur in de aantrekkingskracht ter sprake werd gebracht. Paul stopte met waar hij mee bezig was en snuffelde aan me, zonder een woord te zeggen. Zo’n geval van perfecte timing.

In New York had ik een tandarts, Shaun, die wel wat weg had van Arnold Schwarzenegger, maar dan met flaporen en werkelijk stralend witte tanden. Deze tandarts was, net als Schwarzenegger, heel erg gespierd maar wilde mij niet in een donker steegje tegenkomen, zei hij. Shaun vond mij namelijk een heel stoer wijf omdat ik nooit verdoving wilde. Als hij ging boren en ik ook maar een pink bewoog, stopte hij meteen. “Gaat het?” vroeg hij dan gespannen, terwijl ik heel ontspannen in de stoel lag, ogen gesloten, handen gevouwen op mijn buik.

“Jahaa, doe nou maar,” zei ik dan. Ik heb nog nooit verdoving gekregen of gevraagd bij de tandarts en daar snapte Shaun helemaal niets van.

Toen ik terugkwam uit Amerika was Pauls praktijk flink gegroeid. Hij liep tussen drie of vier behandelkamers, kwam even gedag zeggen, keek even, maar verder deed een jongedame met een Spaans accent het meeste werk. Daar was ik op een dag klaar mee. Om precies te zijn op de dag dat hij, na ons begroetingsritueel, zich over me heen boog en zei: ‘Ja, dat moet allemaal vervangen worden.’ Hij had wel gelijk, maar ik vond het erg onpersoonlijk geworden en dus ben ik overgestapt naar Ton. Die was het wel met Paul eens dat de vullingen vervangen moest worden, maar Ton zou dat in ieder geval zelf gaan doen.

Ton de Tandarts is heel persoonlijk en van de oude stempel en daar hou ik van. Een lange, aantrekkelijke man. Zijn leeftijd durf ik niet te schatten, maar hij gaat al even mee. Hij gebruikt, voor zover ik weet, geen mondkapje en dat vind ik persoonlijk wel zo prettig. Uiteraard ben ik een groot voorstander van schoon en fris, maar het hoeft niet steriel te zijn. Ik ben niet vies van de mensen die ik aardig vind. Iemand wel of niet mogen, wordt voor mij ook heel erg bepaald door lichamelijke chemie, maar dat terzijde. Dat is weer een heel verhaal op zich. Ik voel me in ieder geval erg op mijn gemak bij mijn tandarts en dat is wel belangrijk. Zeker bij de mijne.

In vier keer heeft hij de vullingen vervangen. Linksonder, rechtsonder, linksboven en rechtsboven. Ton is niet zachtzinnig en trekt me stevig tegen zijn buik aan als hij aan het werk is. Hij lijkt te vergeten dat het gebit in een levend hoofd zit, dat het hoofd aan een mens zit, maar ik lig gedwee in de stoel, vertrouw de man en geef me graag aan hem over. Ik vind het eerlijk gezegd wel prettig, iemand die je stevig vasthoudt als hij je pijn dreigt te doen. Het werkt troostend. Zouden ze bij de bloedbank ook moeten doen; een stevige knuffel als ze die dikke naald erin zetten.

Eerder dit jaar, na de laatste vervanging, liet hij me dan eindelijk los.

‘Zo,’ zei hij tevreden. ‘Dat ging goed.’

‘Nou, fijn,’ zei ik, alsof we deze exercitie voor hem deden en niet voor mij.

‘Je bent ook zo lekker behandelbaar.’

Ik schoot in de lach.

Toen ik even later bij mijn fiets stond, moest ik iemand appen en dit heuglijke feit delen; ik was er eigenlijk wel een beetje trots op. Ik ben lekker behandelbaar. Nou, die kan ik mooi in m’n zak steken.