Overpeinzingen #3

Ik vraag ik me wel eens af of Koningin Máxima Spaans praat met haar dochters. Dat is natuurlijk fantastisch als je tweetalig kan worden opgevoed, daar kan ik jaloers op zijn.

En als bijna alle jonge meisjes er van dromen om prinsesje te zijn, waar dromen de prinsesjes dan van? En hoe zou het de ex-vriendinnetjes van Willem-Alexander vergaan zijn? Zullen ze een extra sexy-waarde hebben gekregen als “de ex-vriendin van”? Zullen ze inmiddels ook kinderen hebben en zullen ze die kinderen vertellen: ‘Kijk, dat had mama kunnen zijn.’ Een verbroken relatie is natuurlijk altijd jammer, maar met hoeveel weemoed kijk je terug naar je verkering met de Koning?

En hoeveel toegevoegde waarde hebben je exen? Of beter gezegd, hoeveel eigenwaarde ontleen je aan de mensen met wie je het bed gedeeld hebt? Begrijp me niet verkeerd, ik veroordeel het niet, ik maak me er zelf ook schuldig aan, merk ik. Niet aan de grote klok, maar bij een select groepje vrienden wil ik er (bij herhaling) nog wel eens op wijzen dat ik ‘het nog wel eens heb gedaan met hem’ als de ‘hem’ opmerkelijk is.

Toen ik in New York woonde kwam een Nederlandse vriend een dag of tien logeren. Een paar weken voor hij kwam, zei hij: ‘Ik wil ook wel eens daten in New York.’ Hij kende mijn verhalen, hij was vrijgezel en hij schreef zich in op de site die ik hem voorstelde. Hij kreeg contact met een vrouw die niemand minder bleek te zijn dan de ex-vriendin van Richard Gere. Mijn Nederlandse vriend en deze – overigens prachtige – dame zijn twee keer uit eten geweest, maar haar beste kwaliteiten bleek toch dat ze de ex-vriendin van Richard Gere was, want verder werd duidelijk dat ze eigenlijk helemaal niet zo aardig was. Wel had ze een enorm appartement in de Upper East Side, naast dat van Bette Midler, maar wanneer we het verhaal over zijn date vertelden, was de voornaamste boodschap toch eigenlijk dat ze “de ex-vriendin van” was.

Overigens smeekte ik mijn Nederlandse vriend om haar toch te blijven zien, want ze was nog steeds goed bevriend met Richard Gere. Dan zou ik die natuurlijk ook ontmoeten op society feestjes bij haar thuis en als ik het dan ooit nog een keer Richard Gere zou mogen doen, dan zou ik dat – laten we eerlijk zijn – natuurlijk ook te pas en te onpas laten vallen in gezelschap.

Lachen

Lachende mensen zijn natuurlijk fijn om naar te luisteren, maar het is ook een verwonderlijk fenomeen. Dan doel ik niet op het sporadisch lachen om een goede grap, maar op het feit dat sommige mensen vrijwel constant lachen. Mensen bij wie elke zin begint of eindigt met een lachje of een giechel.

Ik ken iemand, Cees, die inderdaad elke zin afsluit met een gulle glimlach en een giechel. Aan deze hardnekkige gewoonte heeft hij de verterende bijnaam ‘Ceessie (op z’n Dordts) Giechel’ te danken. Iedereen in de binnenstad van Dordrecht weet meteen over wie je het hebt.

Vroeger deed ik dat trouwens ook, bij elke zin giechelen. Bovendien riep ik na elke uitspraak: ‘Geintje! Geintje!’ Want dan kon ik het meteen weer terugnemen, mocht het nodig blijken. Ik was niet verlegen, maar wel onzeker. Later – nadat ik op mijn hinderlijke stopwoordje was aangesproken – riep ik niet meer dat het een grapje was, maar praatte ik gewoon heel erg zacht. Dan moest ik alles twee keer zeggen, kon ik mijn opmerking eerst even uitproberen en altijd nog zeggen; ‘Nee, laat maar’ als het bij nader inzien toch niet zo noemenswaardig was.

Ik praat helemaal niet zo graag eigenlijk, ik schrijf liever, en nu doet mijn stem het soms helemaal niet meer. Spanning, is mij verteld, dat slaat op de keel. Hard lachen zou dan wel erg goed zijn, want het is ook een manier om spanning kwijt te raken. En zouden al die mensen die lachen na elke zin dat doen omdat ze het eigenlijk heel spannend vinden om iets hardop te zeggen?

Zo zat ik een paar weken geleden in een – voor mij – redelijk spannend gesprek. Direct daarna sprak ik een kennis aan de telefoon en hij zei halverwege: ‘Ik ben vandaag wel heel erg grappig, geloof ik.’ Ik moest inderdaad overdreven lachen, als een verliefde puber giechelde ik om elke opmerking. Heel gênant voor een vrouw van in de veertig, kan ik je vertellen. Het was waarschijnlijk, bedacht ik me later, om de spanning van het gesprek van even daarvoor kwijt te raken. Lachen werkt namelijk erg bevrijdend. Lachtherapie is dan ook echt ‘een ding’. Ik verzin het niet. Een vluchtige zoektocht op Google levert al wat eenvoudige tips op, bijvoorbeeld van Gezondheidsnet, plus een scala aan vermakelijke video’s op YouTube waarvan een van de leukste deze actie van Coca Cola is. Probeer maar eens niet mee te lachen. Lukt je niet.

Na een herseninfarct kunnen er vreemde veranderingen plaatsvinden, zo ken ik iemand die bij vlagen – en uit het niets – agressief wordt sinds het infarct, en een ander die heel emotioneel wordt. Maar ik ken ook iemand die mij vertelde dat hij sinds zijn infarct met enige regelmaat de slappe lach krijgt. Zomaar, om vrijwel niets. Alsof het herseninfarct een ontspannings-ventiel forceert, in zijn geval gelukkig niet in de vorm van agressie of tranen, maar van lachtherapie. Met recht een geluk bij een ongeluk.

Zal aan je denken

Leuk hoor, die spaaracties van Albert Heijn. De moestuintjes waren dan wel niet aan mij besteed, maar met de Dinokaartjes kon ik helemaal de blits maken. Bij de uitgang stond er altijd wel een kind bij het bord “Hier mag je om Dino plaatjes vragen”. Daar liep ik dan met een grote grijns op af, de plaatjes nog even aan het zicht onttrokken, en dan: ‘Tadaa, kijk ‘s?!’

De grote ogen van een kind dat niet kan geloven dat iemand ze inderdaad Dinoplaatjes geeft, gewoon zomaar, omdat hij of zij bij dat bord staat. Heerlijk.

Van de restaurantzegels kan ik ook erg genieten. Ik spaar ze niet, maar ik vraag standaard aan de persoon achter mij: ‘spaart ú misschien restaurantzegels?’

Soms krijg je geen sjoege, maar vaker is het aanleiding tot een klein praatje. Heel soms tot een heel verhaal over dat ze laatst uit eten zijn geweest en dat ze de zegels hebben ingeruild, waar dat was, wat ze hebben gegeten en hoe lekker dat wel niet was… [adem]… maar meestal krijg ik een blij verraste blik.

‘Nou, ja, eigenlijk wel. Dank je wel.’ De kassière geeft de zegels door, de persoon in kwestie houdt ze omhoog en zegt: ‘Zal aan je denken!’

Leuk toch? Dan loop ik met een glimlach de supermarkt uit.

Ik heb ook lol in het zien van de lichte verbazing van mensen over het feit dat 1) iemand ze spontaan aanspreekt en 2) iemand er aan denkt dat zij misschien wel de zegels, plaatjes of moestuintjes zouden willen hebben.

Van de week stond ik weer af te rekenen en keek al met een schuin oog naar de vrouw achter mij.

‘Spaart u vershoudzegels?’ vraagt de jongen achter de kassa. Pepijn staat er op zijn naamplaatje.

‘De wat?’ vraag ik.

‘Vershoudzegels.’

Ik slik, kijk nogmaals naar de vrouw achter mij. ‘Spaart ú misschien vershoudzegels?’ we kijken elkaar aan.

‘Pardon?’ vraagt ze.

‘Vershoudzegels,’ antwoordt Pepijn.

De vrouw schudt langzaam haar hoofd.

Ik sla deze actie even over denk ik.

 

 

Filmbuffet

Ik ben om. Geen geld eigenlijk; negentien euro per maand. Voor dat geld mag ik zo vaak naar de film in Cineville-theaters als ik wil en kan. Ik heb het over de Cinevillepas.

LantarenVenster in Rotterdam is bijvoorbeeld een Cineville-theater, en EYE in Amsterdam. In beide steden ben ik de rest van het jaar wekelijks, dus ik hoop het te kunnen combineren met school op zaterdag bijvoorbeeld. Bovendien is The Movies in Dordrecht een Cineville-theater en daar loop ik dan in m’n badstof huispak naar toe. Bij wijze van spreken natuurlijk. Katoen is veel fijner.

Ik had al eens met een schuin oog naar de Cineville-pas aanbieding gekeken, maar na het zien van ‘Absolutely Fabulous’ vorige week, en de trailers van alle films die ik óók wilde zien, heb ik dan eindelijk de knoop doorgehakt en meteen de volgende dag de pas besteld. Via de email kreeg ik een tijdelijke pas die ik meteen kon gebruiken en dat hebben ze geweten ook.

Inmiddels heb ik al gezien: ‘The Man Who Knew Infinity’ met Jeremy Irons. Hij is een van de twee redenen waarom ik deze film moest zien. Ik ben namelijk heimelijk verliefd op deze acteur sinds ik de vrij erotische film ‘Damage’ heb gezien. Jeremy Irons speelt hierin een statige minister die zich compleet verliest in de verloofde van zijn zoon. De verloofde wordt gespeeld door de o zo sensuele Juliette Binoche. ‘Damage’ heeft twintig jaar geleden een grote indruk op mij gemaakt, met name het moment waarop Juliette Binoche Jeremy Irons aankijkt en zegt: “Damaged people are dangerous. They know they can survive.”

De tweede reden waarom ik ‘The Man Who Knew Infinity’ wilde zien was omdat ik – hoe onwaarschijnlijk dat ook mag klinken – wist wie Srinivasa Ramanujan was vanwege mijn werk bij de academische uitgever. Ik heb in het verleden een marketing campagne opgezet rondom de publicaties van deze Indiase wiskundige.

Mooie film, maar laat Jeremy Irons praten en ik word vanzelf helemaal week. Dat is bijna net zo fijn als de stem van Sean Connery.

De volgende dag ben ik naar ‘The BFG’ gegaan, de Grote Vriendelijke Reus, in 3D. Nee. Jammer. Ik ben een grote fan van Roald Dahl en het lukt filmmakers, zelfs de grote Steven Spielberg, maar heel zelden om een boek goed te verfilmen. Ik irriteer me er aan als de film van het originele verhaal afwijkt. Als ik de Cinevillepas niet had gehad, was ik bij voorbaat niet gegaan omdat ik hier al bang voor was. Sorry Steven.

De dag erna ben ik gaan zitten voor ‘The Red Turtle’, een lange animatiefilm (de lengte is opzienbarend voor dit genre). Een sprookje. Geen gesproken woord. Mooie film en heel verfrissend zo’n verhaal zonder dialogen.

Dan: ‘The Family Fang’ met Nicole Kidman (blijft zonde, de plastische chirurgie), Jason Bateman (Oh, hello hotness, waarom ben je mij nooit eerder opgevallen?! We hebben dezelfde verjaardag, we zijn voor elkaar bestemd, Jason. Bel me.) en Christopher Walken.

Een vermakelijke film, met een apart verhaal waarin Nicole Kidman en Jason Bateman broer en zus spelen. Ze zijn de inmiddels volwassen kinderen van een kunstenaars echtpaar dat bekend staat om hun ‘performance art’ of ‘practical jokes’ waar de kinderen dan deel van uitmaakten. De ouders worden vermist, de vraag is: is dit in scène gezet of is het echt.

Tot zo ver wat ik in korte tijd gezien heb. Op het programma staan nog: ‘Elle’ van Paul Verhoeven, de Zweedse komedie ‘Een man die Ove heet’, ‘Café Society’ van Woody Allen, ‘The Secret Life of Pets’ als ik de Engels gesproken versie kan zien en ‘High Rise’ met… Jeremy Irons!

Het is een all-you-can-see filmbuffet en ik ga me compleet verzadigen deze herfstachtige zomer. Ik vermaak me wel. Samen met mijn museumjaarkaart en mijn pasje voor de sportschool hoeven jullie van mij voorlopig geen kattenkwaad meer te verwachten.

Comfort food

De dames (sorry heren) zullen zich herkennen in de beschamende vreetkick die steevast ‘de dagen van de maand’ aankondigen. Aangewakkerd door hormonen ben ik persoonlijk twee of drie dagen nóg bodemlozer – als het gaat om voedsel – dan alle andere dagen.

Ik bemerk wel dat ik steeds vaker hele specifieke behoeften krijg, misschien heeft dat dan met leeftijd te maken. Laatst was het een Greenfield burger, een bepaald type burger van Iers rundvlees, dat bij Albert Heijn te koop is. Ik had verder geen boodschappen nodig, maar ik moest en zou dat stuk vlees. Nu. Dus op naar de supermarkt.

In het schap liggen alle variaties van de burger – met tomaat, met jalapeño pepers, tandoori – maar geen gewone burger en die wil ik. Niets anders. Die doe ik dan in de grillpan, broodje erbij, en een salade. Ik proef het sappige vlees al, en hoe de sappen eruit lopen als ik een hap neem en het brood verzadigen. Het Ierse rundvlees dat ondanks het label ‘mager’ nog altijd glimt en sijpelt van heerlijkheid.

Ik klamp de eerste vakkenvuller aan. Hij ziet me vanuit zijn ooghoek aankomen, legt zijn verpakkingen met groente neer, zucht onhoorbaar, forceert een vriendelijke glimlach en kijkt mij afwachtend aan. Ik begrijp dat hij van de groente is, niet van het vlees, maar ik zie zo snel even niemand anders. De wanhoop in mijn stem heeft een snaar geraakt bij de scholier, hij komt het schap zelf inspecteren. ‘Achter? Liggen er achter nog?’ probeer ik.

‘Mijn collega is het vlees halen,’ stottert de jongeman. Zo’n vrouw van in de veertig met zo’n prangende behoefte aan vlees wordt hem net iets teveel. Licht raak ik zijn bovenarm aan. ‘Dan kom ik zo nog wel even terug.’ Hij knikt en keert terug naar zijn snoeptomaatjes.

Ik maak een rondje door de supermarkt, ga bij mezelf te rade of een alternatief ook goed is of dat ik werkelijk op de fiets moet stappen om de andere Albert Heijn vestiging te proberen.

Ik draal wat bij de olijven en de kaas als de jongen van het vlees aan komt lopen. Ik stap op hem af en vraag of hij toevallig ook Greenfields burgers in die stapels zwarte kratten heeft zitten. ‘Sorry mevrouw, alleen kip en worstjes.’

Grrr… Als alternatief ga ik dan maar voor het broodje maar met gegrild gehakt. En melk. Melk moet ik ook. Geitenmelk.

Ik ben altijd weer blij als ik dan eindelijk ongesteld ben, dan is het ‘moeten’ er weer af, want die vreemde obsessie met specifiek eten is vermoeiend. Een kleine demonstratie van hoe een zwangere vrouw zich moet voelen, die vreemde voedselfixatie waar altijd maar lacherig over gedaan wordt. Het voelt hetzelfde als afkicken van een verslaving. Toen ik stopte met roken voelde het ook zo, die manie, die dwanggedachte: ik moet roken, ik moet nu een sigaret. En soms liep ik dan inderdaad midden in de nacht naar de nachtwinkel om sigaretten te gaan halen. Wist je dat liefdesverdriet trouwens precies hetzelfde werkt als een verslaving? Alleen ben je niet geobsedeerd door iets, maar door iemand. Of in ieder geval door het idee aan iemand.

Een vriendin van mij in New York raakte zwanger. Ze is Brits. Ze vertelde me over haar bezetenheid voor voedsel. ‘Maar,’ zei ze, ‘ik heb een onstilbare honger naar dingen uit mijn jeugd. Britse gerechten.’ Comfort food heet dat zo mooi in het Engels. Ik ben er sindsdien eens op gaan letten, waar ik dan trek in krijg en wat dat gerecht dan voor me betekent. Zo kan ik ineens een ontzettende trek krijgen in melk en ontbijtkoek. De ontbijtkoek in de melk dopen tot de koek verzadigd is en dan in je mond steken. Dat brengt mij terug naar mijn tienerjaren. Of een krentenbol met roomboter zoals mijn oma ze voor me maakte. Dat vond ik als kind het allerlekkerste op de hele wereld.

De burger snak ik naar uit biologisch oogpunt, heb ik geconcludeerd. Mijn lichaam wil dit zo nu en dan. Vlees. Aansterken voor ik ga afzwakken. Ik kan tenminste geen warme, troostende herinnering oproepen bij Iers rundvlees.

Tien nummers

Aanstaande zaterdag ben ik te gast bij het radioprogramma Studio De Witt (naar de gebroeders De Witt) van de lokale zender Drechtstad FM. Twee uur lang ‘gast aan tafel’. Sidekick baby! Leuk!

Nou vroegen ze of ik tien nummers wilde aandragen. Muzieknummers waar ik misschien een klein verhaaltje bij kan vertellen. Ha! Hm.

Ik heb geloof ik vijfduizend nummers in mijn iTunes bibliotheek staan, ik heb namelijk al lang geleden al mijn CD’s omgezet naar MP3 bestanden en sindsdien diverse albums via iTunes aangeschaft. De nummers die ik niet leuk vind, heb ik er al uitgehaald. Daarom zit ik vrijwel nooit op Spotify; ik heb veel tijd gestoken in het uitzoeken van mijn muziek, ik hoef niet overladen te worden met meer ongefilterde muziek. Spotify is natuurlijk wel goed voor het ontdekken van ‘soortgelijke’ muziek.

Met enige trots kan ik zeggen dat ik regelmatig complimenten krijg over de muziek die ik op heb staan, tijdens een etentje bijvoorbeeld. Vrienden vragen ook wel of ik nog tips heb, artiesten die ik goed vind. Ik ga nergens naar toe zonder mijn iPod Touch. Ik ben dus echt wel een muziekliefhebber. Maar uit al die pareltjes moet ik dus tien nummers zoeken? Poeh.

Sterker nog, tien nummers, waar ik een verhaaltje bij kan vertellen. Dat maakt het misschien wel wat makkelijker om te filteren. Waar zit een leuk verhaal achter?

Muziek heeft op mij een extra grote impact tijdens perioden van liefdesverdriet, en liefdesverdriet kan ik je vertellen, heb ik bovengemiddeld vaak gehad. ‘Bend Till I Break’ van Maria Mena is zo’n nummer dat ik dan urenlang op repeat kan zetten, of ‘L.A. Song’ van Beth Hart. Zo kan ik nog wel even doorgaan want zwelgen kan ik als geen ander.

Maar deze nummers kan ik de luisteraar toch niet aandoen? Dan gaan we allemaal met weemoed het weekend in, verlangend naar… ja, naar wat eigenlijk. We weten het niet eens. Nee, vrolijke, zonnige nummers moeten het zijn, met een leuk verhaal.

Wat komen er veel beelden boven als je op deze manier naar je muziek kijkt. Bijvoorbeeld hoe we vijftien jaar geleden in de Pyreneeën reden. Ad achter het stuur. ‘Better Things’ van Massive Attack stond keihard aan. Het was pikdonker, de weg was gevaarlijk, slingerde langs de afgrond en Ad had een flinke borrel op, ik ook. Ik was zo tevreden en volkomen gelukkig dat ik dacht: als we nu het ravijn instorten, dan is het niet erg. Een beetje van dat volmaakte geluk, voel ik nog als ik het nummer hoor.

Hoe ik ging joggen in Prospect Park in Brooklyn met ‘Before he cheats’ van Carrie Underwood in mijn oren, zo’n lekker venijnig nummer waar je lekker je agressie in kwijt kunt, waar je de boze energie uit put om die klote heuvel op te rennen.

Of hoe we met z’n vieren terugkwamen van een etentje in een chique restaurant in Antwerpen. We reden binnendoor op een zwoele zomeravond, met het raam van de auto een beetje open. We hadden ‘Desert Rose’ van Sting loeihard op staan. ‘Stop! Stop!’ riep ik. Hoe we de auto langs de kant hebben gezet, uit zijn gestapt en vervolgens midden in de nacht hebben staan dansen op een verlaten landweggetje, in onze nette kleding.

Je ziet, ik verlies me gemakkelijk in mijn muziek en mijn herinneringen, maar goed, ik heb mijn tien nummers aangedragen. Elf eigenlijk, ik kon niet kiezen. Geen voor de hand liggende muziek denk ik, ik hoop de luisteraar kennis te laten maken met een paar nieuwe nummers en ariesten. Over het algemeen oppeppende nummers en sommigen met een verhaaltje, zoals de keer dat John Mayer onverwacht kwam jammen in The Village UndergroundDJ / sidekick for a day, ik heb er zin in!

Overpeinzingen #2

Gelukkig vragen mensen zich dingen af. Dat houdt ons scherp, dat zorgt ervoor dat er onderzoek wordt gedaan, dat we vooruit gaan. Of vooruitgang per definitie beter is, daar heb ik het nu niet over, maar we staan in ieder geval niet stil. Elk antwoord roept weer drie nieuwe vragen op. Bij kinderen is dat meestal maar één vraag: ‘Waarom?’

Een van de kinderen in mijn straat zit in die fase, dan hoor ik een hoog kinderstemmetje, gedragen door de vroege herfstwind, mijn werkkamer inwaaien:

‘Waarom?’

‘Nou, omdat…’ (diepe vaderstem)

‘Maar, waarom?’

Afijn, u kent het wel.

Ik ben op een leeftijd dat ik niet meer elke andere volwassene zomaar lastig kan vallen met elke vraag die in me opkomt (hoewel een vriendin van mij dit wel degelijk doet tot ik er horendol van word). Nee, ik zal het af en toe ook zelf moeten uitzoeken en dan vraag ik het Google, de grote alwetende wolk. Tenminste, meestal vraag ik het me alleen maar af en dan draai ik me weer om, maar deze keer wilde ik het toch eens weten:

‘Hoe komt het dat muggen malaria overbrengen, maar geen HIV?’

Nou, ik ben duidelijk niet de eerste die zich dat afvraagt (niet dat ik dat verwacht had), en een stukje in de rubriek ‘next question’ van het NRC, legt het me uit:

… Een vrouwtjesmug (mannetjes steken niet) kan wel geïnfecteerd bloed opzuigen, legt entomoloog Bart Knols van de Wageningen Universiteit uit. Maar dat bloed gaat naar haar muggenmaag en komt er niet meer uit als zij een ander steekt.

Hoe raken mensen dan besmet door een malariamug? Via biologische transmissie, zegt Knols. „Als het besmette bloed lang in het lichaam van de mug blijft, kan de malariaparasiet via de buikwand in de speekselklieren komen. Een mug injecteert altijd speeksel voordat zij bloed gaat zuigen en zo wordt malaria dan overgedragen.”

Hiv kan op deze manier echter niet worden overdragen, omdat muggen koudbloedig zijn; het virus sterft af voordat het de kans krijgt om in het speeksel terecht te komen…

Mijn volgende vraag is dan:

Wat als we mensen met HIV aan een apparaat leggen dat al hun bloed even aan dergelijke condities (kou, gesteriliseerde opvang buiten het lichaam) blootstelt en het dan weer terugpompt?

Ik ben plasmadonor bij de bloedbank, dat betekent dat er bloed wordt afgenomen, het plasma via een kleine centrifuge afgescheiden wordt, en dat ik de rode bloedcellen weer terugkrijg. Theoretisch zou dit dus het HIV virus moeten vernietigen want dat kan buiten het lichaam niet lang bestaan. Of denk aan mensen die een nierdialyse moeten ondergaan? Wordt het bloed dan ook niet gezuiverd door een kunstnier? Het kan dus wel.

Of kunnen we geen Cryotherapie – het toepassen van (extreme) kou als medische behandeling voor uiteenlopende klachten – inzetten? Ik weet dat met deze therapie al geëxperimenteerd wordt. Kan dit het virus niet doden? Muggen zijn koudbloedig, daarom overleeft het HIV virus niet. We hoeven de patiënt niet te bevriezen, alleen tijdelijk te onderkoelen… Het is maar een idee.

Nou ja, ik zal niet de eerste zijn die dit verzint, er zullen hele goede redenen voor zijn dat deze behandelingen niet kunnen worden toegepast bij patiënten met het HIV virus, maar dat vraag ik me dan toch af. Gelukkig zijn er mensen die het antwoord op deze vragen nog veel belangrijker vinden dan ik. Mensen die zich niet nog een keer omdraaien in bed, die het niet na twee pagina’s zoekresultaten in Google weer opgeven. Gelukkig zijn er heel erg nieuwsgierige mensen op de wereld.

Waar zouden we zijn als we niet zo nieuwsgierig waren? Of als we onze interesse kwijt zouden raken?

 

Sportschool typetjes

Sportschool typetjes. Heerlijk. Herkenbaar voor eenieder die naar de sportschool gaat, een lopend buffet voor elke antropoloog.

Voor de goede orde: minstens negentig procent van de leden bij mij op de sportschool zijn “gewoon” mensen, in allerlei prachtige variaties, tussen de 14 en de 88 jaar die het belangrijk vinden om te bewegen. Sommige vinden het oprecht fijn om te sporten, andere hebben er oprecht een hekel aan en het is vaak niet moeilijk te zien wie tot welke categorie behoort.

Maar er zijn een paar types die er uitspringen en dat is voor een schrijver echt smullen.

Zo hebben wij bijvoorbeeld The Bag Lady: Een vrouw die met grote regelmaat binnen schuifelt – sloft is misschien een beter woord – in een veel te grote grijze joggingbroek en compleet afgetrapte namaak-Ugg laarsjes. Een veel te grote trui hangt om haar lijf. Alles hangt, ook haar schouders. In haar hand heeft ze minstens drie zeer verkreukelde, veelvuldig gebruikte plastic tassen geklemd. Geen sporttas. Haar ogen zijn op de vloer gericht en zo schuifelt ze door de kleedkamer, naar de zaal, een tijdje op de loopband, en weer terug naar de kleedkamer. In mijn levendige fantasie is deze mevrouw stinkend rijk. Miljonair. Minstens. Misschien nog wel met een adellijke titel ook, gewoon omdat het mijn fantasie is en alles kan en omdat het me zo leuk lijkt.

De Spring-in-‘t-Veld is een mevrouw van niet-Nederlandse afkomst. Ik durf niet met zekerheid te zeggen wat haar geboorteland dan wel zou moeten zijn. Mongolië denk ik (ik bedoel echt Mongolië, dit is geen misplaatste grap). De vrouw is zo ontzettend hyper en vrolijk dat ze mij persoonlijk ma-te-loos irriteert! Mensen kunnen ook té vrolijk zijn, zeker op de sportschool. Ze staat te dansen op de crosstrainer en op de lopende band, te zingen en met haar armen te zwaaien. Ze slingert kirrend aan apparaten waar ze aan kan hangen. Ze springt, danst en zingt door de zaal. Ik heb begrepen dat ze een paar keer kanker overleefd heeft, dus ze heeft natuurlijk alle reden om zo uitbundig te genieten en de dood uit te lachen, maar het is af en toe wel erg vermoeiend om naar te kijken en te luisteren.

De Kreuner: Er zijn bodybuilders die met veel lawaai oefeningen doen waar de rest van ons helemaal niet zoveel lawaai bij hoeft te maken. Tot op zekere hoogte is daar helemaal niets mis mee; grote krachtsinspanningen, dan ontglipt je wel eens een kreet, ik begrijp het. Maar er zijn mannen die overdrijven, mannen waarbij een paar eenvoudige sit-ups mij al aan Oost-Europese porno doen denken. Ik heb begrepen dat de grootste kreuner inmiddels vriendelijk verzocht is zijn lidmaatschap op te zeggen. Sorry, maar daar moet ik erg hard om lachen.

We hebben De Prater waar ik persoonlijk altijd met een boogje omheen loop. Een aardige man die ik vanuit de verte begroet en vervolgens zo veel mogelijk ontwijk omdat hij vooral voor de gezelligheid lijkt te komen. Soms zie ik hem tegen een apparaat geleund staan, in gesprek met iemand. Als ik twintig minuten later van de loopband afstap, staat hij er nog. Deze keer gelukkig met een vrouw die precies hetzelfde doet bij andere mensen (lees: anderen mensen van het sporten afhouden). Ze hebben elkaar gevonden.

Dan hebben we het Voor de Sier type dat alleen maar voor de vorm naar de sportschool komt, lijkt het wel. Ik denk aan een mevrouw die verbaal erg aanwezig is een bepaalde les, maar halverwege weggaat (met veel doei-dag-ik-ga-gebaren naar de instructeur). Verder zie ik haar alleen in de ontspanningsruimte met koffie en een tijdschrift. Ja, dat telt natuurlijk niet.

De Phone Addicts irriteren mij (en veel anderen) behoorlijk; mensen die hun telefoon niet even een uurtje in de kleedkamer kunnen laten liggen. Mensen die op de loopband moeten bellen, of op de apparaten zitten te whatsappen terwijl de rest van ons ook graag dat apparaat zou willen gebruiken.

Verder kan ik me kostelijk vermaken met De Hork, een man die motorisch niet zo begaafd is. Dat wil zeggen; ik kan me vermaken met het kijken naar de mensen die naar hem kijken. Wanneer de man zijn oefeningen doet, krijgen de mensen om hem heen een pijnlijke grimas op hun gezicht. De manier waarop De Hork met veel overgave de apparaten bedient, moet zijn lichaam meer kwaad dan goed doen.

Maar hé! Alle beweging is beter dan op de bank zitten (met uitzondering misschien van die motorisch minder bedeelde meneer), dus typetje of niet; we zijn allemaal toch maar gewoon te vinden op de sportschool, dus: thumbs up!

 

I put a spell on you

Het is gênant.

Ik zal het maar gewoon bekennen.

Ik heb iets met Harry Potter.

Ik ga elke avond met hem naar bed, en eigenlijk wil ik me overdag ook niet van hem losmaken. Het begint een probleem te worden want ik had mij voorgenomen van alles te gaan doen deze zomer: minstens 500 woorden per dag schrijven, minstens een uur bewegen, klusjes in en rond mijn huis, maar liever lig ik dus in bed met Harry.

Vandaag bereikte ik een nieuw dieptepunt: ik overwoog serieus om geen boodschappen te gaan doen (Had ik het echt vandáág nodig? Hoe lang kon ik nog overleven met wat ik in huis had?), en om niet naar Yoga te gaan. Het snode plan was om in plaats daarvan stilletjes met Harry op de bank te kruipen en de boel de boel te laten. Het is om me voor te schamen, ik weet het. Het zijn kinderboeken, ik weet het. Maar ik kan ze gewoon niet wegleggen, ik wil ze uitlezen en dat terwijl ik allang weet hoe ze eindigen want dit is de derde of vierde keer dat ik ze lees. En alle films heb ik ook al meerdere malen gezien (laat ik nu alles maar op tafel gooien).

In mijn verweer: ik lees ze in het Engels. En het is niet zo dat ik nu naar dat Harry Potter pretpark wil, of dat ik toverstafnijd heb. Ik kan de boeken gewoon niet wegleggen.

Wat is het toch dat maakt dat deze boeken mij zo kunnen betoveren? Dat ik ze voor de derde of de vierde keer wil lezen en ze weer niet weg kan leggen?

Misschien is het, zoals ik nu op de Schrijversvakschool leer, dat je de meest vergezochte fictie kunt opschrijven zolang je de fictieve wereld geloofwaardig kunt maken. Dat weet iedere lezer wel – onbewust misschien – maar nu, op school, leren we het analyseren en toepassen.

Veel fantasy verhalen, of science fiction, vind ik moeilijk om in te komen. Lord of the Rings bijvoorbeeld, daar kom ik dus niet doorheen.

J.K. Rowling brengt, met haar levendige details en zintuiglijke beschrijvingen, een wereld tot leven die je als lezer volkomen bereid bent te geloven. Ik tenminste wel. En wat heel slim gedaan is: je ontdekt deze nieuwe wereld samen met Harry, je valt er niet als buitenstaander midden in. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor ‘Alice in Wonderland’. Als je even veel of even weinig weet als de hoofdpersoon, dan schept dat een band met dit personage en wil je weten wat er op de volgende bladzijde gebeurt. Je leeft mee. Je zit aan de grote eettafels met de personages en krijgt trek van al het eten dat je van de pagina’s ruikt, proeft en ziet. Je hoort de stemmen van de honderden studenten om je heen. Je kijkt op en ziet de docenten aan de lange tafel zitten. Ik vind het meesterlijk.

Over de Schrijversvakschool gesproken trouwens; ik heb voor alle vakken een positief advies gekregen om door te gaan naar het volgende jaar, van alle zeven docenten. Dit betekent dat ik mag kiezen welke twee vakken ik wil gaan volgen. Welke twee dat worden, ben ik nog niet helemaal uit. Wat wel uit mijn beoordeling naar voren kwam, is dat mijn gebruik van de Nederlandse taal erg conventioneel is, erg oppervlakkig, weinig poëtisch en dat is niet zo vreemd: ik leef al bijna twintig jaar volkomen tweetalig (Nederlands en Engels). Ik lees en schrijf in beide talen minstens evenveel, ik denk zelfs dat ik meer in het Engels lees en schrijf, dan in het Nederlands.

Toen mijn boek zo’n twee jaar geleden voor het eerst door de uitgever werd beoordeeld, zei ze dat ze inderdaad kon zien dat ik veel Engels las en/of schreef. Sindsdien ben ik bewust Nederlandse schrijvers gaan lezen. Vandaar ook de Literaire Juweeltjes, om te proeven van verschillende Nederlandse schrijvers. Maar een fictieve wereld die mij zo compleet kan absorberen als de wereld van Harry Potter ben ik nog niet tegengekomen in de Nederlandse literatuur.

Harry Potter lees ik voor mijn plezier, net als Roald Dahl. Het is een absolute traktatie als een fictieve wereld, in boekvorm of in de vorm van een film of een serie, mij zo kan opslorpen dat ik de echte wereld even kan vergeten. Dan is dat een beetje vakantie. En dat is natuurlijk wat een goed boek voor je zou moeten zijn: een kleine vakantie voor je hersenen.

Ons kent ons

Interessant eigenlijk, dat mensen hun – laten we zeggen – eigen soort direct kunnen herkennen. Daar bedoel ik mee dat ik bijvoorbeeld, waar ook ter wereld, een Nederlander er vrijwel feilloos uit kan pikken, zonder de persoon in kwestie te horen spreken. Ik vind het fascinerend dat ik in de meeste gevallen een Nederlander prima van een Duitser of een Belg kan onderscheiden, maar waarom dat is, dat weet ik niet. Engelse vrouwen herken ik van veraf aan de hoeveelheid make-up die zij gebruiken. Spaanse vrouwen zien er altijd erg goedverzorgd uit, maar zijn ingetogener dan bijvoorbeeld Italiaanse vrouwen die toch ook veel zorg aan hun uiterlijk besteden en in de basis toch veel overeenkomen met de Spanjaarden.

Herkenning en onderlinge onderscheiding van Europeanen is voor mij vanzelfsprekend, maar iets wat een Amerikaan nooit zou lukken. Deze zou je echter op een afstand al kunnen vertellen of iemand uit Texas, Los Angeles of New York komt; een wezenlijk verschil. Zo zal het voor iemand van het Afrikaanse continent vreemd voorkomen dat ik mensen uit Kenia of Gambia niet uit elkaar kan houden, en hoewel ik inmiddels Chinezen van Japanners prima van elkaar kan onderscheiden, moet ik bekennen dat ik Koreanen niet direct in Korea plaats.

Buiten de taal, dialecten en accenten om, wat is het dat de een van de ander onderscheidt? Dat er zelfs verschil waarneembaar is tussen een Rotterdammer en een Amsterdammer? Tussen een Fransman en een Portugees ?

Is het kleding? Maar kleding is toch universeel? De ketens zijn overal te vinden, elke stad waar ik ben geweest, kwam ik weer hetzelfde handjevol kledingmerken tegen waardoor winkelen (wat ik toch al niet leuk vond) al helemaal een onzinnige bezigheid werd; ik kan dezelfde spullen immers ook in mijn eigen stad kopen.

Haardracht? Het merendeel van de 50+ vrouwen in Nederland en Duitsland houden het kapsel het liefst kort, lekker makkelijk, terwijl Spaanse vrouwen nog zo lang mogelijk lang haar houden en het vaak, ook op latere leeftijd, niet korter dragen dan een zogenaamd bob-model.

Chinezen hebben een ander soort gezicht dan Japanners, een andere huid ook. Dat ik dat verschil eindelijk zie, vind ik al erg knap van mezelf, maar het verschil tussen Chinezen uit Beijing en Shanghai blijft een mysterie.

Het antwoord kan ik niet geven, ik weet niet of er onderzoek naar gedaan is, maar dat is wat ik me afvraag als ik Poolse jongemannen bij mij in de buurt tegenkom; waarom weet ik instinctief dat het Poolse mannen zijn? Of als ik door het centrum van Amsterdam loop en de wind mij de verschillende talen brengt. Vooral Spanjaarden herken ik zonder ze te horen, misschien omdat ik er een tijd gewoond heb. En natuurlijk Amerikanen, maar kom op, met die eeuwige witte gympen, spijkerbroek en baseball petjes, zijn dat echt antropologische inkoppertjes.