Geluidsoverlast

Soms kom ik een mens tegen, die ik niet ken, die mij mateloos weet te irriteren. Meestal kom ik zo iemand tegen in de trein en meestal heeft het te maken met geluid. Zo wil ik nog wel eens van coupé wisselen om hard pratende mensen te ontwijken. Waarom moet zoveel zo hard? Laten we alles wat zachter doen. In New York is het helemaal erg trouwens. Altijd en overal lawaai, vooral in de metrostations, waardoor steeds meer mensen oordopjes dragen om hun gehoor te beschermen en dat is niet onterecht.

Zo zat ik laatst naast iemand die heel hard de krant aan het lezen was. Hard de krant lezen? Ja, dat kan:

Ik zit in de intercity van Amsterdam naar Vlissingen. Schuin tegenover mij, in zo’n zitje voor vier personen, zit een jong meisje van rond de twintig. Heel verlegen lijkt ze mij, de manier waarop ze me telkens heel vluchtig aankijkt.

Er komt een ouder stel aan en ze komen bij ons zitten. Het meisje schuift door naar het raam en zit nu tegenover mij. De man gaat naast mij zitten, de vrouw naast het meisje. We zitten in de stiltecoupé overigens. Leuk idee, zo’n stiltecoupé, maar het werkt voor geen meter. Het stel praat zacht en telkens maar kort. Bovendien zijn het ‘ouderen’, dus ja, je zegt er ook niet zo snel wat van natuurlijk. Dan komt er een hele stapel kranten uit de tas van de man. De zaterdageditie van drie landelijke bladen zo te zien. Dat zijn veel katernen bij elkaar. Het meisje en ik zitten al tegen het raam gedrukt, ik helemaal, want ik ben niet de kleinste en de man naast mij ook niet, en als hij dan ook nog eens breeduit de krant wil lezen… Maar vooruit.

Maar dan: de vrouw slaat telkens met veel geritsel de pagina open en ‘slaat’ ‘m dan uit. Nog even zo’n zweepslag met de krant zodat de pagina rechtop blijft. Dan vouwt ze de krant toch om, zodat ze alleen de pagina voor zich heeft die ze wil lezen. Die strijkt ze nog drie keer met veel lawaai plat. En dat niet één keer. Nee, vaak, want ze kan blijkbaar geen artikel vinden dat ze wil lezen. Ik kijk het meisje ondertussen met een aarrrrgh!-blik aan. Ik zoek een lotgenoot. Een heel klein lachje durft ze me te geven, een mondhoek die heel even richting een glimlach beweegt. Meer is het niet. Dan kijkt ze snel weer weg.

De vrouw vindt nu af en toe een klein artikel dat het lezen waard is, maar heeft een nieuwe manier gevonden om me te irriteren: zodra ze iets gelezen heeft, stoot ze haar man aan (echt niet liefdevol, maar heel venijnig), duwt het artikel onder zijn neus en wijst er met een tikkend vingertje op. Met een korte, zacht uitgesproken samenvatting van het artikel. Laat die man lekker zelf lezen, wil ik haar toebijten, maar ja, dat doe je niet natuurlijk.

Met deze vrouw zou Roald Dahl wel raad weten in zijn kinderboeken. Bleke huid, bleek haar, bleek brilmontuur. Deze hele vrouw is beige. Zuur en ontevreden mondje, en als ze vanachter haar bril haar ogen toeknijpt om op het scherm te lezen waar we zijn, dan slaat de kou je om het hart.

Ik dacht dat lezen een rustige, stille bezigheid was? In de stiltecoupé notabene, maar dat hebben ze blijkbaar niet gelezen.

In ballingschap

Ik ben verbannen thuis. Ik heb mijn laptopje opgepakt en hou ik vandaag kantoor in Restaurant-Gastrobar Post in Dordrecht, gevestigd in het voormalige pand van het postkantoor.

Het doet me denken aan herfst in New York; de bedrijvigheid in Post, het industriële interieur en de grote ramen waardoor het geel-oranje herfstlicht naar binnen valt. De grote gele en bruine bladeren op de stoep en de middenberm van de oude platanen die de route naar de binnenstad begeleiden. De verwaaide mensen die voorbij schuifelen.

Hierbinnen is het groot, maar toch knus en warm. Twee chesterfieldbanken bij het raam. Op de een zitten twee hartsvriendinnen met thee. Op de ander, daar waar net nog een blond gezinnetje met twee kinderen zat, zitten nu twee Tinderaars met een donker bier voor hem en witte wijn voor haar (dat Tinderen verzin ik er zelf bij, dat is 100% projectie.)

De leestafel deel ik met een wisselend publiek. Zakenpartners, interviewers, mensen die koffie komen drinken en de krant lezen, of bloggers en zzp-ers die hier net als ik met een laptop neerstrijken. Misschien zijn ze ook een beetje verbannen.

Ik dramatiseer natuurlijk: ik verblijf hier in volkomen zelfverkozen ballingschap want ze zijn aan het verbouwen bij mij thuis.

De firma Hak & Co. (geen grapje, Jan Hak heet de aannemer, Habrobouw, aardige vent, goeie aannemer, ik kan hem van harte aanbevelen) heeft mijn vloer eruit gesloopt en is nu onder de vloer de twee buitenmuren aan het doorhakken. In stukjes zodat deze niet inzakt natuurlijk. Lood ertussen, dan weer dichtmetselen. De vier mannen van Habrobouw vechten met hun wapens naar keuze tegen het optrekkende vocht waar veel huizen op ons mooie eiland last van hebben. Zodra mijn muren zijn voorzien van een laagje lood en weer zijn dichtgemetseld, gaat ook een gedeelte van de stuc van de muren want daar zitten mineralen in en die blijven er anders doorheen komen, aldus Jan. Dan komt er nieuwe stuc op de muren en uiteraard gaat de vloer er weer in. Met de kerst moeten alle sporen (lees vooral: stof) van deze ingrijpende operatie wel weer verdwenen zijn, schat ik.

Ondertussen vecht ik persoonlijk tegen bergen huiswerk, maar er komt niets uit mijn handen. Alles wat ik opschrijf, wis ik weer. Is dat wat ze een writers’ block noemen? Of ben ik gewoon teveel bezig met welke laminaatvloer ik er straks in zal leggen, of welke kleur ik op de muren ga smeren als alles straks goed droog is? Ik heb net erg veel tijd doorgebracht op de website van Hornbach.

Buiten bij de bushalte staan drommen kleine kinderen met pietenmutsjes. Aan de overkant is het Sinterklaashuis pas geopend. De goede man is weer in het land. Ik heb de eerste chocoladeletter alweer mogen ontvangen en al opgeschrokt ook. De D van Dikkertje Dap. De D van Dromer…

Huiswerk!

 

 

Lachen

Lachende mensen zijn natuurlijk fijn om naar te luisteren, maar het is ook een verwonderlijk fenomeen. Dan doel ik niet op het sporadisch lachen om een goede grap, maar op het feit dat sommige mensen vrijwel constant lachen. Mensen bij wie elke zin begint of eindigt met een lachje of een giechel.

Ik ken iemand, Cees, die inderdaad elke zin afsluit met een gulle glimlach en een giechel. Aan deze hardnekkige gewoonte heeft hij de verterende bijnaam ‘Ceessie (op z’n Dordts) Giechel’ te danken. Iedereen in de binnenstad van Dordrecht weet meteen over wie je het hebt.

Vroeger deed ik dat trouwens ook, bij elke zin giechelen. Bovendien riep ik na elke uitspraak: ‘Geintje! Geintje!’ Want dan kon ik het meteen weer terugnemen, mocht het nodig blijken. Ik was niet verlegen, maar wel onzeker. Later – nadat ik op mijn hinderlijke stopwoordje was aangesproken – riep ik niet meer dat het een grapje was, maar praatte ik gewoon heel erg zacht. Dan moest ik alles twee keer zeggen, kon ik mijn opmerking eerst even uitproberen en altijd nog zeggen; ‘Nee, laat maar’ als het bij nader inzien toch niet zo noemenswaardig was.

Ik praat helemaal niet zo graag eigenlijk, ik schrijf liever, en nu doet mijn stem het soms helemaal niet meer. Spanning, is mij verteld, dat slaat op de keel. Hard lachen zou dan wel erg goed zijn, want het is ook een manier om spanning kwijt te raken. En zouden al die mensen die lachen na elke zin dat doen omdat ze het eigenlijk heel spannend vinden om iets hardop te zeggen?

Zo zat ik een paar weken geleden in een – voor mij – redelijk spannend gesprek. Direct daarna sprak ik een kennis aan de telefoon en hij zei halverwege: ‘Ik ben vandaag wel heel erg grappig, geloof ik.’ Ik moest inderdaad overdreven lachen, als een verliefde puber giechelde ik om elke opmerking. Heel gênant voor een vrouw van in de veertig, kan ik je vertellen. Het was waarschijnlijk, bedacht ik me later, om de spanning van het gesprek van even daarvoor kwijt te raken. Lachen werkt namelijk erg bevrijdend. Lachtherapie is dan ook echt ‘een ding’. Ik verzin het niet. Een vluchtige zoektocht op Google levert al wat eenvoudige tips op, bijvoorbeeld van Gezondheidsnet, plus een scala aan vermakelijke video’s op YouTube waarvan een van de leukste deze actie van Coca Cola is. Probeer maar eens niet mee te lachen. Lukt je niet.

Na een herseninfarct kunnen er vreemde veranderingen plaatsvinden, zo ken ik iemand die bij vlagen – en uit het niets – agressief wordt sinds het infarct, en een ander die heel emotioneel wordt. Maar ik ken ook iemand die mij vertelde dat hij sinds zijn infarct met enige regelmaat de slappe lach krijgt. Zomaar, om vrijwel niets. Alsof het herseninfarct een ontspannings-ventiel forceert, in zijn geval gelukkig niet in de vorm van agressie of tranen, maar van lachtherapie. Met recht een geluk bij een ongeluk.

Schrijversvakschool Recycled #3

De derde opdracht in ons eerste jaar aan de Schrijversvakschool was een stukje te schrijven à la Martin Bril. We lazen een van zijn columns in de klas en bespraken hoe observerend hij was, hoe er eigenlijk niets gebeurde in dit verhaal, maar hoe hij een sfeer neerzette. Twee oude mensen op een bankje in een park, en wat voorbijgangers. Heel eenvoudig. Geen gedachten, alleen observaties. Ons huiswerk luidde dan ook: ga naar buiten, observeer, en geef een scène op papier weer.

Ik kocht een bundel, een verzameling columns van Martin Bril, met de titel: De zon schijnt. Het zouden opbeurende columns moeten zijn, maar dat vond ik ze niet allemaal. Waar ik al helemaal niet vrolijk van werd was de tekst op de achterkant: ‘Martin Brill (1959-2009)’. Hij is dood?! Ik woonde in de jaren van zijn ziekte en overlijden nog in New York en ik merk, af en toe, dat er een gat is ontstaan in mijn algemene kennis. Zoals dit, nu. Ik wist het niet. Ik werd er oprecht droevig van. Niet dat ik de man nou zo nauw aan mijn hart had liggen, maar vijftig jaar… verdorie.

Het stukje dat ik met jullie wil delen is niet mijn beste werk, maar het café waar het om gaat, het café waarvan ik dacht dat het nooit zou veranderen, is er ook niet meer, en de  scène die ik een jaar geleden heb geschreven, houdt me bezig. Het intrigeert me, zoals ik kan staren naar een foto van vóór een dramatische gebeurtenis. Zagen we het dan niet aankomen? Kan ik aanwijzingen vinden voor wat ik inmiddels weet dat komen gaat?

Dus, als een kleine hommage aan de mensen en de dingen die voorbij gaan, hier mijn vroege poging een moment vast te leggen op papier. Een scène die nooit meer zal kunnen plaatsvinden, maar dat wist ik toen nog niet.

Scène à la Martin Bril

Het is een koude, natte septembermiddag. De herfst is veel te vroeg gekomen, zoals visite die je wel verwacht, maar die een kwartier voor de afgesproken tijd op je stoep staat. Je bent er nog niet klaar voor.

De barman kijkt mistroostig uit het grote raam achter hem, over het plein. Een blad waait voorbij. Voor de man staat de grote, gietijzeren poffertjespan waar hij al honderdduizenden poffertjes op heeft gedraaid. De man staat hier al vijfendertig jaar; zijn hele werkende leven. De poffertjespan staat er nog veel langer.

Aan de leestafel zitten twee oude mannen de krant te lezen. Voor ieder staat een kop koffie, daartussen een stapel katernen. Het nieuws van vandaag op de grote hoop. De een eet zijn meegebrachte boterhammen uit een broodtrommel van vervaald geel plastic, de ander steekt net de laatste hap van een tosti in zijn mond. Kruimels van het witte brood blijven op zijn grijze baard achter.

Er komen mensen binnen, moeder en dochter, de barman groet ze hartelijk bij naam. Het tienermeisje bestelt een portie poffertjes, de moeder een broodje gehaktbal. Samen kijken ze naar een filmpje op de iPhone van de moeder. De twee oude mannen kijken op; het multimediale geluid steekt af tegen de serene stilte in deze bruine kroeg waar niet eens muziek wordt gedraaid. De moderne wereld is hier niet op zijn plaats.

Een hond ligt middenin de zaak. Het is al de zoveelste van hetzelfde ras, middelgroot met haar dat altijd voor de ogen hangt. Ik weet niet hoe deze heet. Het beestje dat luisterde naar de naam Misty is al weer twee honden geleden. Er verandert hier nauwelijks iets en daarom is er nog lang gesproken over het klassieke koffiezetapparaat dat een jaar geleden is vervangen door een monsterlijke machine die op de bar staat en een muur opwerpt tussen de barman en zijn clientèle. Het klassieke, zilverkleurige apparaat is als een kunstwerk aan de muur geschroefd, samen met tientallen foto’s, straatnaamborden, vaandels en kijkkastjes van de kunstenaar Cees die, toen hij nog leefde, hier ook elke dag zijn boterham met ontbijtkoek aan de leestafel kwam eten, op de plek waar nu de man met de broodtrommel zit. Hij heet ook Cees.

De tijd gaat hier trager dan buiten op het plein en als ik hier morgen weer langskom, lijkt er niets veranderd te zijn.

Sportschool typetjes

Sportschool typetjes. Heerlijk. Herkenbaar voor eenieder die naar de sportschool gaat, een lopend buffet voor elke antropoloog.

Voor de goede orde: minstens negentig procent van de leden bij mij op de sportschool zijn “gewoon” mensen, in allerlei prachtige variaties, tussen de 14 en de 88 jaar die het belangrijk vinden om te bewegen. Sommige vinden het oprecht fijn om te sporten, andere hebben er oprecht een hekel aan en het is vaak niet moeilijk te zien wie tot welke categorie behoort.

Maar er zijn een paar types die er uitspringen en dat is voor een schrijver echt smullen.

Zo hebben wij bijvoorbeeld The Bag Lady: Een vrouw die met grote regelmaat binnen schuifelt – sloft is misschien een beter woord – in een veel te grote grijze joggingbroek en compleet afgetrapte namaak-Ugg laarsjes. Een veel te grote trui hangt om haar lijf. Alles hangt, ook haar schouders. In haar hand heeft ze minstens drie zeer verkreukelde, veelvuldig gebruikte plastic tassen geklemd. Geen sporttas. Haar ogen zijn op de vloer gericht en zo schuifelt ze door de kleedkamer, naar de zaal, een tijdje op de loopband, en weer terug naar de kleedkamer. In mijn levendige fantasie is deze mevrouw stinkend rijk. Miljonair. Minstens. Misschien nog wel met een adellijke titel ook, gewoon omdat het mijn fantasie is en alles kan en omdat het me zo leuk lijkt.

De Spring-in-‘t-Veld is een mevrouw van niet-Nederlandse afkomst. Ik durf niet met zekerheid te zeggen wat haar geboorteland dan wel zou moeten zijn. Mongolië denk ik (ik bedoel echt Mongolië, dit is geen misplaatste grap). De vrouw is zo ontzettend hyper en vrolijk dat ze mij persoonlijk ma-te-loos irriteert! Mensen kunnen ook té vrolijk zijn, zeker op de sportschool. Ze staat te dansen op de crosstrainer en op de lopende band, te zingen en met haar armen te zwaaien. Ze slingert kirrend aan apparaten waar ze aan kan hangen. Ze springt, danst en zingt door de zaal. Ik heb begrepen dat ze een paar keer kanker overleefd heeft, dus ze heeft natuurlijk alle reden om zo uitbundig te genieten en de dood uit te lachen, maar het is af en toe wel erg vermoeiend om naar te kijken en te luisteren.

De Kreuner: Er zijn bodybuilders die met veel lawaai oefeningen doen waar de rest van ons helemaal niet zoveel lawaai bij hoeft te maken. Tot op zekere hoogte is daar helemaal niets mis mee; grote krachtsinspanningen, dan ontglipt je wel eens een kreet, ik begrijp het. Maar er zijn mannen die overdrijven, mannen waarbij een paar eenvoudige sit-ups mij al aan Oost-Europese porno doen denken. Ik heb begrepen dat de grootste kreuner inmiddels vriendelijk verzocht is zijn lidmaatschap op te zeggen. Sorry, maar daar moet ik erg hard om lachen.

We hebben De Prater waar ik persoonlijk altijd met een boogje omheen loop. Een aardige man die ik vanuit de verte begroet en vervolgens zo veel mogelijk ontwijk omdat hij vooral voor de gezelligheid lijkt te komen. Soms zie ik hem tegen een apparaat geleund staan, in gesprek met iemand. Als ik twintig minuten later van de loopband afstap, staat hij er nog. Deze keer gelukkig met een vrouw die precies hetzelfde doet bij andere mensen (lees: anderen mensen van het sporten afhouden). Ze hebben elkaar gevonden.

Dan hebben we het Voor de Sier type dat alleen maar voor de vorm naar de sportschool komt, lijkt het wel. Ik denk aan een mevrouw die verbaal erg aanwezig is een bepaalde les, maar halverwege weggaat (met veel doei-dag-ik-ga-gebaren naar de instructeur). Verder zie ik haar alleen in de ontspanningsruimte met koffie en een tijdschrift. Ja, dat telt natuurlijk niet.

De Phone Addicts irriteren mij (en veel anderen) behoorlijk; mensen die hun telefoon niet even een uurtje in de kleedkamer kunnen laten liggen. Mensen die op de loopband moeten bellen, of op de apparaten zitten te whatsappen terwijl de rest van ons ook graag dat apparaat zou willen gebruiken.

Verder kan ik me kostelijk vermaken met De Hork, een man die motorisch niet zo begaafd is. Dat wil zeggen; ik kan me vermaken met het kijken naar de mensen die naar hem kijken. Wanneer de man zijn oefeningen doet, krijgen de mensen om hem heen een pijnlijke grimas op hun gezicht. De manier waarop De Hork met veel overgave de apparaten bedient, moet zijn lichaam meer kwaad dan goed doen.

Maar hé! Alle beweging is beter dan op de bank zitten (met uitzondering misschien van die motorisch minder bedeelde meneer), dus typetje of niet; we zijn allemaal toch maar gewoon te vinden op de sportschool, dus: thumbs up!

 

Ons kent ons

Interessant eigenlijk, dat mensen hun – laten we zeggen – eigen soort direct kunnen herkennen. Daar bedoel ik mee dat ik bijvoorbeeld, waar ook ter wereld, een Nederlander er vrijwel feilloos uit kan pikken, zonder de persoon in kwestie te horen spreken. Ik vind het fascinerend dat ik in de meeste gevallen een Nederlander prima van een Duitser of een Belg kan onderscheiden, maar waarom dat is, dat weet ik niet. Engelse vrouwen herken ik van veraf aan de hoeveelheid make-up die zij gebruiken. Spaanse vrouwen zien er altijd erg goedverzorgd uit, maar zijn ingetogener dan bijvoorbeeld Italiaanse vrouwen die toch ook veel zorg aan hun uiterlijk besteden en in de basis toch veel overeenkomen met de Spanjaarden.

Herkenning en onderlinge onderscheiding van Europeanen is voor mij vanzelfsprekend, maar iets wat een Amerikaan nooit zou lukken. Deze zou je echter op een afstand al kunnen vertellen of iemand uit Texas, Los Angeles of New York komt; een wezenlijk verschil. Zo zal het voor iemand van het Afrikaanse continent vreemd voorkomen dat ik mensen uit Kenia of Gambia niet uit elkaar kan houden, en hoewel ik inmiddels Chinezen van Japanners prima van elkaar kan onderscheiden, moet ik bekennen dat ik Koreanen niet direct in Korea plaats.

Buiten de taal, dialecten en accenten om, wat is het dat de een van de ander onderscheidt? Dat er zelfs verschil waarneembaar is tussen een Rotterdammer en een Amsterdammer? Tussen een Fransman en een Portugees ?

Is het kleding? Maar kleding is toch universeel? De ketens zijn overal te vinden, elke stad waar ik ben geweest, kwam ik weer hetzelfde handjevol kledingmerken tegen waardoor winkelen (wat ik toch al niet leuk vond) al helemaal een onzinnige bezigheid werd; ik kan dezelfde spullen immers ook in mijn eigen stad kopen.

Haardracht? Het merendeel van de 50+ vrouwen in Nederland en Duitsland houden het kapsel het liefst kort, lekker makkelijk, terwijl Spaanse vrouwen nog zo lang mogelijk lang haar houden en het vaak, ook op latere leeftijd, niet korter dragen dan een zogenaamd bob-model.

Chinezen hebben een ander soort gezicht dan Japanners, een andere huid ook. Dat ik dat verschil eindelijk zie, vind ik al erg knap van mezelf, maar het verschil tussen Chinezen uit Beijing en Shanghai blijft een mysterie.

Het antwoord kan ik niet geven, ik weet niet of er onderzoek naar gedaan is, maar dat is wat ik me afvraag als ik Poolse jongemannen bij mij in de buurt tegenkom; waarom weet ik instinctief dat het Poolse mannen zijn? Of als ik door het centrum van Amsterdam loop en de wind mij de verschillende talen brengt. Vooral Spanjaarden herken ik zonder ze te horen, misschien omdat ik er een tijd gewoond heb. En natuurlijk Amerikanen, maar kom op, met die eeuwige witte gympen, spijkerbroek en baseball petjes, zijn dat echt antropologische inkoppertjes.

De OV-chipkaart

Ergens vind ik het wel jammer, dat de zuilen voor de OV-chipkaart op stations worden vervangen door de poortjes. Het voordeel is natuurlijk dat je niet snel meer zult vergeten uit te checken, maar ik zal de opa’s, oma’s en andersoortige geliefden missen die op het perron staan terwijl de vertrekkende mensen zich nestelen in een plekje bij het raam.

De vertrekkers praten vaak nog tegen de persoon op het perron door het drie-dubbeldikke veiligheidsglas, op een speciaal voor deze gelegenheid, gedempte toon omdat ze ook wel weten dat de achterblijvers ze niet kunnen horen, maar hopen dat deze kunnen liplezen. Mensen zwaaien naar elkaar, werpen handkusjes, de persoon op het perron kijkt opzij om te zien of de deuren nu eindelijk dicht gaan. Nog een keer zwaaien. ‘Nou, dag! Dag!’ Dat gaat dus niet meer. Nu moet men afscheid gaan nemen bij de poortjes, net als bij de douane op Schiphol.

Ook zal ik de wonderlijke choreografie missen van de mensen die tegen de zuilen aan staan te rijden omdat de portemonnee met OV-chipkaart in een broekzak of jaszak zit. De zuilen hebben heel wat kruisen/kruizen (mag allebei) en billen gepresenteerd gekregen, maar ook dit zal niet vaak meer gebeuren helaas.

De OV-chipkaart is in 2005 voor het eerst geïntroduceerd in Rotterdam, maar heeft pas in 2011 de strippenkaarten in heel Nederland vervangen. In de jaren 2007 tot en met 2010 zat ik in New York en ik weet nog dat ik het allemaal maar lastig vond als ik in Nederland op bezoek was, zo zonder OV-chipkaart. Het heeft ook erg lang geduurd voor ik een kaart op naam heb aangevraagd toen ik weer in Nederland woonde, daar moest ik eerst een anonieme kaart met nog 75 euro tegoed voor verliezen trouwens, ik hoop dat iemand die dit hard kon gebruiken hem gevonden heeft.

Nog steeds vind ik het huidige systeem een obstakel voor toeristen en dat vind ik jammer; andere wereldsteden lijken dat toch beter geregeld te hebben. De anonieme kaart die eenieder gewoon bij de automaat kan kopen, zou een prima oplossing kunnen zijn voor toeristen, ware het niet dat, om deze te kunnen gebruiken voor de NS, er minimaal 20 euro op moet staan. Dat vind ik nogal wat, want als je na je weekendje Amsterdam de trein naar Schiphol wilt pakken, eindig je dus met zo’n 16 euro op je kaart waar je niets meer aan hebt. Dus kun je beter losse treinkaartjes kopen, maar word je afgestraft als je alleen met creditcard kunt betalen of als je in de lange rij gaat staan voor het loket, want bij beide betaal je 50 cent extra als ik het mij goed herinner. Dat is toch niet aardig?

Overigens, op station Dordrecht kun je óf naar beneden – via de spoortunnel – naar de uitgang, óf je kunt de trap op en dan via een loopbrug boven de sporen langs naar buiten. Afgelopen januari waren de zuilen op de loopbrug net vervangen door poortjes. Ik kwam laat terug uit Amsterdam toen ik ze voor het eerst zag en heb er hartelijk om staan lachen: twee van de drie poortjes waren voor rolstoelgebruikers, één voor ARRIVA en één voor de NS. Heel attent, ware het niet dat er geen lift was en er dus nooit een rolstoelgebruiker gebruik zou gaan maken van de spoorwegovergang.

Van de week nam ik weer de spoorwegovergang en ik zag dat de poortjes inmiddels waren vervangen door drie ‘standaard’ poortjes. Wat had ik graag de gezichten willen zien van de mensen die hier over gaan, op het moment dat ze zich de vergissing realiseerden…

Alzheimer

Jan Jansen is een van de meest flamboyante figuren van Dordrecht. Jean Jacques, zoals hij zichzelf graag met veel flair voorstelt. Een energieke man, charmeur eerste klas. Sikje, dasje, wilde grijze krullen. Hij is slank en niet erg groot. Hij zal inmiddels dik in de zeventig zijn, maar is moeilijk in te schatten.

Wat hij doet of deed heb ik nooit goed begrepen, iets met kunst. Ik kwam hem vroeger vaak in de trein tegen, naar Rotterdam, toen ik nog in Rotterdam studeerde. Dan keken we elkaar alleen maar aan, in de rookcoupé. Hij glimlachte schalks naar me.

‘Als jij binnenkomt,’ vertrouwde Jean Jacques mij ooit een keer toe na een paar glaasjes port in het lokale café, ‘dan kom jij binnen!’ Hij maakte zich groot, zwaaide met zijn armen in het rond.

Altijd stond hij midden op de dansvloer bij de Dordtse Jazz Sociëteit, draaide telkens weer een andere dame zwierig in het rond, was altijd zo trots als een pauw. Hij hield van ons allemaal, alle vrouwen.

Vanochtend kom ik hem tegen. Hij is met een jongere man – het zou zijn zoon kunnen zijn – die iets weg wil gooien in de prullenbak aan de overkant en voor hem uitsnelt. Halverwege de straat kruisen Jan en ik elkaar.

‘Hallo!’ zeg ik monter.

‘Halloooo!’ Hij staat stil, recht zijn rug. Zijn ogen worden groot, ogen die hun glans nooit hebben verloren. Hij kijkt mij stralend aan. ‘Kent u mij dus?’

Ouch!

Ik lach onbeholpen, ben van mijn stuk gebracht. ‘Ja. Ha ha.’ Maar het voelt als een stomp in mijn maag.

Ah nee! Alzheimer?! Echt?! Jean Jacques ook al?! Sh*t!

Het is opvallend hoeveel mensen in mijn omgeving het laatste half jaar te maken hebben gekregen met alzheimer, zij het zijzelf of hun ouders. Het lijkt wel een virus. Kanker, hersenbloeding of alzheimer. Schering en inslag.

Een beetje educatie, geleend van wikipedia: In 1901 beschreef de Duitse psychiater neuropatholoog Alois Alzheimer voor de eerste keer de ziekte. De patiënt was een 50-jarige vrouw met de naam Auguste Deter, die in dat jaar opgenomen was in de psychiatrische inrichting. Alois Alzheimer begeleidde de vrouw tijdens haar ziekenhuisopname en was geïnteresseerd in de zaak. Na haar dood in 1906 deed hij een autopsie op haar hersenen en beschreef eiwitophopingen – amyloïde plaques – aan de buitenkant en rondom de hersencellen. Binnenin de hersencellen bemerkte hij de aanwezigheid van kluwen vezels, de neurofibrillaire kluwen.

Er is nu geen enkel geneesmiddel dat de ziekte van Alzheimer kan genezen. Voorgeschreven middelen bestrijden voornamelijk de symptomen en of vertragen het ziekteverloop. Er wordt volop onderzoek gedaan naar een medicijn voor Alzheimer.

In Nederland hebben ruim 270.000 mensen dementie (januari 2016). Als je meer over dementie en alzheimer in Nederland wil weten, kijk dan op de site van Alzheimer Nederland.

Hier vind je een factsheet, cijfers rond dementie in Nederland. Heel interessant.

Om dit zeer droevige onderwerp toch op een vrolijke noot te eindigen: Het magazine voor donateurs van Alzheimer Nederland heet “Alz…”

Dan moet ik tegen beter weten in toch lachen. Dat vind ik humor. Briljant.

 

Aan de bar bij Hoppe #1

‘Zo, dus jullie hebben elkaar gevonden,’ zegt de oude man.

Bas en ik kijken elkaar aan. Ik begrijp waar de man het over heeft, maar Bas heeft werkelijk geen idee. Ik knijp mijn ogen toe en laat Bas weten dat hij deze aan mij over kan laten.

‘Ja,’ antwoord ik. Opgelost.

Ik heb helemaal geen zin om de beste man uit te leggen dat ik Bas tot anderhalve minuut geleden helemaal niet kende, en dat ik helemaal niet op zoek was naar Bas.

‘Jahaa,’ zegt hij tegen Bas, die hem nu aankijkt, ‘ik zag haar wel kijken hoor. Maar jullie hebben elkaar gevonden. Fijn.’

Bas draait zich terug naar mij en kijkt mij met grote ogen aan. Waar gáát dit over, zie ik hem denken.

Twee minuten geleden kwam ik via de zijingang het Amsterdamse café Hoppe binnen. De zijingang zit aan de Heisteeg, de hoofdingang zit aan de Spuistraat, of aan ’t Spui eigenlijk. Ik heb afgesproken met Esther en scan de zaak of ik haar al zie. Vanuit mijn ooghoek zie ik de oude man zitten en mij aandachtig opnemen. Ik heb hem wel gezien, ook al doe ik net alsof dat niet zo is, want hij heeft zijn mond al geopend om iets te zeggen, al weet hij zelf nog niet wat.

Ik loop door daar voren, naar de hoofdingang en wring me in een plekje aan de bar. Ronald, achter de bar, geeft me drie zoenen en vraagt wat ik wil drinken. Chardonnay vandaag. Ik stuur Esther een whatsapp berichtje dat ik voorin sta.

‘Zo,’ begint de lange man naast mij zodra ik de telefoon weer in mijn zak stop, ‘ook tijd aan het overbruggen?’ Ik kijk hem vragend aan. ‘Omdat je hier alleen bent,’ voegt hij er aan toe.

‘Ik wacht op iemand, ja.’ Dat kwam er misschien iets onvriendelijker uit dan ik bedoelde. Ik corrigeer mijn toon: ‘Jij bent ook tijd aan het overbruggen dus?’

‘Ja.’

‘Van wat naar wat dan?’ vraag ik.

‘Ik kom net van kantoor, hier om de hoek. Ik ga zo maar ergens wat eten denk ik.’

Ik wil hem zeggen dat dat geen overbruggen is, want overbruggen doe je van de ene afspraak naar de andere afspraak. Niet van een afspraak naar geen afspraak. Maar goed, ik houd mijn gedachten voor me, want ze klinken erg betweterig en mierenneukerig.

‘Oh,’ zeg ik dus alleen maar. Voor ik kan vragen wat hij voor werk doet, want het is zaterdagmiddag, en dat zijn geen kantoortijden, worden we onderbroken door de oude man. Hij steunt op zijn wandelstok wanneer hij voorbij loopt en ons laat weten hoe fijn hij het vindt dat twee (relatief) jonge mensen elkaar gevonden hebben. Achter de man loopt een mooie oudere dame. Statig, keurig gekleed en keurig opgemaakt, met een vage glimlach om haar mond en een beleefd afwezige blik. Een vrouw die al minstens vijftig jaar deze glimlach opzet als haar man vreemden aanspreekt, met dergelijke goedbedoelde maar nietszeggende opmerkingen. Die twee hebben elkaar ook gevonden.

Hè, fijn.

 

Pensioneren

Veel mensen zijn jaloers op mijn baan, en zeker in een tijd dat zo veel mensen geen baan hebben, mag ik natuurlijk in mijn handjes knijpen, want laten we wel wezen: terwijl Nederland na één dag lente van schrik meteen weer natgeregend wordt, zit ik lekker met mijn aanzienlijke achterwerk op een bankje langs de haven van Faro, Portugal. Met gemak 23 graden in het zonnetje.

Daar staat dan wel tegenover dat ik in mijn eentje op dat bankje zit, alleen achter een glas wijn, alleen aan het avondeten en alleen aan het ontbijt. Dat is heus niet altijd leuk. Nou ja, boehoe, ik wil alleen maar even aangeven dat het ook echt geen vakantie is.

Ik had een directe vlucht vanaf Rotterdam The Hague Airport naar Faro, dat is ontzettend fijn! Met Transavia, dat is dan een beetje jammer. Hele vriendelijke bemanning, geen verkeerd woord daarover, maar het is wel een beetje proppen in zo’n vliegtuig. En erg streng met de bagage natuurlijk, maar dat weten we. Het meisje doet ook maar gewoon haar werk en uiteindelijk heeft ze me toch weer gematst, dus nogmaals: geen verkeerd woord over de mensen van Transavia. Ik ben gewoon te groot voor de Transavia vluchten. Zal ik het zo stellen?

Op de vlucht naar Faro ben ik in ieder geval een van de jongste. Vergrijsd Nederland trekt massaal de Algarve in, en geef ze eens ongelijk: zon, zee, hartelijke mensen, lekker eten, en goedkoop! Vriendelijke heren van in de zestig en in de zeventig nemen mij gemoedelijk op, een knipoog hier en daar. De vrouwen pakken boterhammen uit, lezen tijdschriften of spelen Candy Crush. Het stel dat naast mij in het vliegtuig zit, koopt een wijntje bij hun broodje zalm. Weer een knipoog.

Nadat ik, eenmaal in het prachtige, lieflijke Faro, een rondje heb gelopen en even het zonnetje heb meegepikt, haal ik wat te eten en te drinken bij de supermarkt. Er staat wel ‘supermercado’ op de gevel, maar ik overdrijf niet als ik zeg dat 90% van het oppervlak van de winkel is gevuld met drank. Het is dus een slijterij die ook wat kaas en nootjes verkoopt. De eigenaar van de winkel ontkurkt de fles witte wijn voor me, want een kurkentrekken heb ik niet bij me. Ik werk die avond, ik word erg productief van hotelkamers. Er is weinig anders te doen en TV kijken interesseert me niet.

’s Ochtends aan het ontbijt is het rustiger dan ik had verwacht. Ik ben natuurlijk zakentijden gewend, geen pensionado-tijden. Of misschien zijn ze al geweest en zijn ze weer even terug in bed gekropen. Heerlijk lijkt me dat, pensioneren.

De mannen die er zijn aan het ontbijt eten met concentratie, de vrouwen spelen Candy Crush op de tablet. Hetzelfde als thuis, denk ik dan, maar dan met betere temperaturen en een veel beter uitzicht. Een Engelse vrouw van eind zestig praat hard en met volle mond tegen haar man. Het is een onsmakelijk gezicht en gehoor, je hoort dat de broodkruimels in het rond vliegen.

Ik ga maar eens aan het werk. Nog 26 jaar tot aan mijn pensioen. Hoe zou het er hier dan uitzien? Dan zijn we met 9 miljard mensen op de planeet. Waar gaan we dan heen voor onze rust? De maan?