Mag het licht weer uit?

Wat ik vorige week schreef: verwacht je spanning, dan loopt alles als een zonnetje, maar ga je vervolgens een dagje naar Amsterdam dan kom je in een schitterend avontuur terecht.

Ik had afgelopen vrijdag een afspraak voor een interview met een journaliste van het blad Grazia (het interview komt als het goed gaat in week 15 in de Grazia te staan). Ik stond ’s ochtends nietsvermoedend op het station in Dordrecht toen ik het nieuws hoorde: “Wegens een stroomstoring in Noord-Holland is er geen treinverkeer mogelijk van en naar Schiphol en Amsterdam.” En dan de legendarische woorden: “De NS heeft geen alternatief reisadvies.” Dan weet je dat het écht goed fout zit. Gelukkig had ik een ruime marge op mijn reistijd genomen. Eerst maar eens naar Rotterdam, dan kijken we wel weer verder, dacht ik. Er stond een sprinter van Rotterdam naar Amsterdam in de NS app die nog niet was vervallen. Deze zou via Gouda naar Amsterdam gaan, dus wellicht dat dit een optie zou zijn. De sprinter stond te wachten en inderdaad, met een vertraging van 15 minuten vertrok deze richting Gouda. Mooi. Muziekje in de oren, laptop op tafel. Alles komt goed.

We stonden in Gouda toen – zonder waarschuwing – de eindbestemming van de trein weer in Rotterdam veranderde. Shit! Laptop dicht, snel de sprinter uit. En nu? Naar Utrecht dan maar.

Mijn afspraak liet in de tussentijd weten dat in Haarlem de lichten weer waren aangegaan, dus misschien dat, tegen de tijd dat ik in Utrecht zou zijn, de stroomstoring ook wel weer verholpen zou zijn. Hoe erg kon het zijn?! Maar ook het perron van Utrecht stond nog vol met mensen die een beetje verloren om zich heen stonden te kijken. Ik liep richting de trap. Een zakenman kwam mij tegemoet lopen, we keken elkaar aan en haalden onze schouders op.

“Tja… hoe kom ik nu in Amsterdam?” zei hij.

“Tja… “ zei ik.

“Zullen we een taxi delen?” vroeg hij

“Waar moet je naar toe?”

“Amsterdam Amstel”

“Perfect!” riep ik en stuurde het bericht naar de journaliste dat alles goed zou komen, dat onze afspraak in Dauphine zou kunnen doorgaan als gepland, zij het ietsje later. De zakenman en ik hebben nog even gekeken naar de bus, maar bij het zien van de rijen besloten we dat dat ook geen optie was. Dan maar even de portemonnee trekken. We hadden genoeg om over te praten onderweg, de taxi was luxe en comfortabel. Het kostte een paar tientjes, maar ze waren goed besteed en voor Amsterdam Amstel hebben de zakenman en ik onze gegevens uitgewisseld.

Na het interview reden de treinen nog steeds niet naar behoren. Dan maar even de stad in, naar Hoppe voor een borrel en een portie overheerlijke bitterballen. Er schuilt een heerlijke berusting in ‘overmacht’.

“Beschaafd biertje,” zei ik tegen de man naast me aan de bar die het populaire brouwsel uit een cola glaasje dronk. Hij was op stap met een goede vriend en na een aantal glazen aan de bar bij Hoppe moest ik toch echt even mee naar ’t Doktertje, de kleinste kroeg van Amsterdam, aldus de heren. Toen ik uiteindelijk ’s avonds om half negen – en vier whisky’s later – op het station kwam, reden de treinen nog steeds niet volgens schema, maar ik ben zonder al te veel vertraging toch nog thuisgekomen.

Ik heb me kostelijk vermaakt vrijdag. Ik heb nieuwe vrienden gemaakt en nieuwe zaken ontdekt. Creëer maar wat vaker chaos in Nederland, wat mij betreft, het brengt mensen dichter bij elkaar. Zoals iemand in de kroeg terecht opmerkte: “Ik ben benieuwd hoeveel baby’s er over negen maanden geboren worden.”

Tel Aviv

Vorig jaar mei, toen ik naar Tel Aviv vloog, had ik twee uur nodig voor het inchecken bij El Al. Voorbij de muur van jonge mensen met machinegeweren, in een gedeelte van Schiphol dat ik nog nooit had gezien, kreeg ik een half uur durend kruisverhoor van een streng kijkende jongedame. Na een aantal vragen liep ze weg met mijn paspoort. Ze kwam terug en vroeg me precies dezelfde vragen een tweede keer. Controlevragen. Maar ze was nog niet tevreden: ik had teveel vreemde visa en stempels in mijn paspoort van landen die Israël niet liggen, ik kreeg een gele sticker en dat betekende dat ik een kelder in moest. De kelder waar overigens alle ingecheckte bagage voor Tel Aviv ook wordt gescand en wordt geopend. Daar moest ik werkelijk alles afgeven aan een andere strenge jongedame. Mijn paspoort, mijn telefoon, alles. Alleen de kleren aan mijn lijf mocht ik aanhouden. Ik werd in een wachtkamer gezet terwijl zij God weet wat met mijn spullen kon doen. Ze vertrouwden mij niet, maar ik moest er maar op vertrouwen dat mijn spullen veilig waren bij haar.

Ik zat in de wachtruimte met een handjevol andere mensen, we durfden elkaar nauwelijks aan te kijken, laat staan te praten. We keken allemaal maar een beetje naar onze voeten. Af en toe wisselden een vrouw en ik een voorzichtige, veelzeggende blik: we vonden het allemaal maar een beetje vreemd en een beetje eng. Uiteindelijk fluisterde ze:

‘Ik heb m’n benen maar geschoren vanochtend, want ik heb gehoord dat je je tot je ondergoed moet uitkleden.’ Zachtjes gniffelden we hier samen om. Eenmaal in Tel Aviv hebben we samen een taxi genomen en heb ik haar afgezet bij haar hotel. Ze ging backpacken met een Duits meisje wat ze nog niet kende, maar hier zou gaan ontmoeten. Dat vond ik wel heel stoer.

Afgelopen zaterdag vloog ik weer naar Tel Aviv. Handenwrijvend vertrok ik al vroeg naar Schiphol. Ik zou weer inspiratie op gaan doen voor een nieuwe blogpost. Ik vloog deze keer met KLM.

‘Hoe laat zal ik naar de gate gaan?’ vroeg ik aan het meisje achter de incheckbalie. We zouden om 20.50 uur vertrekken.

‘Nou,’ zei ze, terwijl ze automatisch op haar horloge keek, ‘het is zes minuten lopen vanuit de KLM Lounge, ik zou om 20.15 de lounge verlaten.’ Ik keek haar met grote ogen aan. Ze wist duidelijk niet waar ze het over had, ze had het kruisverhoor natuurlijk nooit aan den lijven ondervonden.

Kwart voor acht stond ik bij de gate en dat vond ik al heel dapper van mezelf dat ik nog zo lang in de lounge was blijven zitten.

Niemand. Geen geweren, geen kelders. Een hele vriendelijke meneer die me een aantal vragen vroeg over mijn bagage, me even diep in de ogen keek en knikte. Zelfs de body scan lichtte groen op en zei ‘OK’ terwijl ik al in de spreidstand stond. Nou moe.

‘Ik vlieg alleen nog maar met KLM naar Tel Aviv,’ schreef ik mijn collega in het land van melk en honing.

‘Ja,’ antwoordde hij, ‘maar het zal je niet helpen om het land weer uit te komen.’

En dat is waar. Israël in komen is nog niets vergeleken bij het land weer uit komen.

‘Waarom is dat toch?’ vroeg ik hem nadat ik daar vorig jaar drie uur over gedaan had. Je zou denken, met zo’n welkom, dat ze graag weer van je af zijn.

‘Als er een vliegtuig dat vanuit Tel Aviv vertrekt en bijvoorbeeld wordt gekaapt, dan is het onze schuld, onze verantwoordelijkheid,’ legde hij me uit.

Ja, zo had ik het nog niet bekeken. Maar goed, dat is voor later zorg. Het land in viel me deze keer in ieder geval reuze mee. Verwacht je een keer spanning onderweg en dan loopt alles als een zonnetje!

Eerst Napels zien…

Amsterdam is een erg populaire stad, vooral als weekendbestemming voor onze jonge, wilde mede-Europeanen. Dat is natuurlijk fijn voor de economie en de werkgelegenheid, maar niet zo fijn als je – zoals ik vorige week – een nacht op een hotelkamer aan het Damrak door moet brengen. Maar dat is een ander verhaal.

Een paar weken geleden moest ik op een maandag naar Napels. Er was maar één directe vlucht die maandagmorgen en dat was een Transavia vlucht. We stonden om 11 uur op de planning en ik was ruim op tijd op Schiphol. Gelukkig maar, want ik heb nog nooit zo’n lange rij voor de security gezien. De rij stond bijna tot aan de incheckbalies. Maandagochtend tussen 9 en 10 is blijkbaar spitsuur op Schiphol.

Eenmaal in het vliegtuig keek ik eens om mij heen en moest concluderen dat bijna iedereen op deze vlucht was wezen feesten in Amsterdam en dat waarschijnlijk een kwart van hen nog steeds dronken en/of stoned was. De drie heren aan de andere kant van het gangpad in ieder geval wel, die kwamen zo te zien (en zo te ruiken) zo uit de binnenstad van Amsterdam rollen.

Iedereen zat op z’n plek, alle bagage was met veel pijn en moeite opgeborgen en stewardessen liepen heen en weer met tellers. Onze vertrektijd kwam en ging. Rond kwart over elf vertelde de piloot dat we een kleine vertraging hadden omdat er een instrument stuk was, maar dat dat nu vervangen was. Dat vind ik nooit zo’n geruststellende boodschap, maar goed, liever een nieuw instrument dan een kapot instrument natuurlijk.

‘Maar,’ ging de piloot verder, ‘het probleem is dat op de passagierslijst staat dat we 135 mensen en 2 baby’s aan boord moeten hebben en we hebben 136 mensen en 2 baby’s aan boord’.

Nou, dat wilde ik al helemáál niet horen! Is het een verdwaalde toerist of een terrorist? De spanning in het toestel was te snijden. Gelukkig was het mysterie snel opgelost: er stonden twee mensen met dezelfde naam op de lijst.

We konden vertrekken. Alles bij elkaar hadden we maar een vertraging van hooguit 20 minuten. Niet slecht.

We vlogen hoog over Europa, ik had een koptelefoon op, muziekje aan en ik zat vrolijk weg te tikken op mijn laptop tot ik gefluit, geroep en gegil achter me hoorde. Het hele middengedeelte van het vliegtuig was in rep en roer want iemand was flauw gevallen in het gangpad. Stewardessen waren vervolgens druk in de weer met een zuurstofmasker en een EHBO kit. Het bleek om een jongeman te gaan die er verder uitzag alsof hij in de bloei van zijn leven was, het was dus aannemelijk dat hij iets te hard gefeest had dit weekend. Een vrouw van middelbare leeftijd – zijn moeder of een Italiaanse cougar met moederlijke gevoelens – heeft zich de rest van de vlucht over hem ontfermd en een vochtig doekje tegen zijn voorhoofd gehouden.

We zijn uiteindelijk zonder verdere calamiteiten in Napels aangekomen, en ook Napels hebben we overleefd. Maar, mocht je zelf op een stedentrip binnen Europa gaan, vertrek dan niet op een maandagochtend uit Amsterdam maar pak een vlucht op woensdag bijvoorbeeld, en ga op een maandag terug naar Amsterdam.

Drie dagen in Baku – Dag 3

Op mijn derde dag in Baku geven Osman en ik de presentaties waar we voor gekomen zijn en sluiten ons bezoek af met een late lunch met een paar van onze klanten in een aparte kamer in een restaurant. Na de lunch leidt een van onze contactpersonen ons door de stad, te beginnen met een wandeling langs de kade want Baku is een havenstad aan de Kaspische Zee. Er is een landtong, een pier, met aan het einde Crystal Hall waar in 2012 het Eurovisie songfestival werd gehouden.

Vlammentorens in Baku, gezien vanaf de promenade
Vlammentorens in Baku, gezien vanaf de promenade

Wat ik al in een eerdere blogpost schreef: Baku is een mix tussen erg oud en erg modern. De meest opzienbarende architectuur kun je in Baku vinden, zoals drie torens die ’s avonds zo verlicht worden dat ze er uitzien als bewegende vlammen. Dit is een mooi symbool als je je bedenkt dat Azerbeidzjan letterlijk ‘Land van het vuur’ betekent.

Niet ver van de vlammentorens vind je de Laan van Martelaren, een begraafplaats en herdenkingsmonument aan Zwarte Januari of het Januaribloedbad: een militaire actie van de Sovjettroepen in de nacht voorafgaand aan 20 januari 1990 om een anti-Sovjet-opstand te onderdrukken. Het is confronterend om de rijen zwarte grafstenen te zien met op elke steen een gravure van de persoon die er begraven ligt, sommige slachtoffers waren nog geen twintig jaar oud.

Blog 03 - Laan van Martelaren in Baku 01        Blog 04 - Laan van Martelaren in Baku 02

We bezoeken ook het eeuwenoude, ommuurde stadscentrum, wat eeuwenlang een centraal punt op de Zijderoute was. We slenteren langs winkeltjes en drinken koffie in een klein, geïmproviseerd, plastic koffiezaakje en dan is het tijd voor ons om naar het vliegveld te gaan.

Om je (na mijn achteruitrijdende taxi) nog een idee te geven van het verkeer in Baku: Op weg naar het vliegveld zien we een bus op de snelweg stoppen en een paar mensen uitlaten. Ze klimmen over de vangrail en rennen richting hun bestemming aan de andere kant van de driebaansweg. Zo gaat dat.

Osman en ik zitten in een cafetaria te wachten tot we kunnen boarden als de stroom op het vliegveld uitvalt. Geen geruststellende ervaring. Ik vlieg via Moskou terug naar Amsterdam met Aeroflot – wat een drama. Krakkemikkig vliegtuig, geen alcohol aan boord, mensen die alvast hun koffer gaan pakken als we nog aan het landen zijn. Achter mij gaat een telefoon als we bijna bij de grond zijn en de man neemt de telefoon nog op ook. Het overstappen op Moskou zelf is ook geen prettige ervaring waar ik verder niet te veel woorden aan vuil wil maken, maar ik raad iedereen af om via Moskou te vliegen.

Ik zak opgelucht in mijn stoel in het KLM vliegtuig dat mij van Moskou naar Amsterdam brengt. Als ik opkijk zie ik vanuit mijn ooghoek een oud-collega in de stoel schuin achter me zitten. Wat is het toch een kleine wereld.

Saoedi-Arabië

Koning Abdullah van Saoedi-Arabië is vorige week overleden, dat las ik in het financieel dagblad en daarom wil ik deze week een klein verhaaltje over Saoedi-Arabië met jullie delen.

Het financieel dagblad schreef onder andere het volgende:

Koning Abdullah bin Abdul Aziz al-Saud was negentig en kampte al langer met gezondheidsproblemen […] Koning Abdullah nam in 2005 de troon over, maar was toen feitelijk al tien jaar aan de macht omdat zijn halfbroer koning Fahd was geveld door een beroerte. Abdullah werd gezien als een voorzichtige hervormer die tegen de wens van religieuze conservatieven de rol van vrouwen geleidelijk probeerde te verbeteren. Ook streefde hij ernaar de economie minder afhankelijk te maken van olie-opbrengsten.

Dit laatste was belangrijk: Koning Abdullah wilde een fundering leggen voor een economie gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en omdat ik bij een wetenschappelijke uitgever werk, mocht ik deel uitmaken van een delegatie die in 2011 naar Saoedi-Arabië vertrok om presentaties te geven aan drie verschillende universiteiten. De delegatie bestond uit drie vrouwen en drie mannen en de presentaties gingen over het publiceren van wetenschappelijke artikelen.

Een bezoek aan Saoedi-Arabië was een bijzondere ervaring, zeker omdat je het koninkrijk als toerist niet binnenkomt. Er worden alleen zakelijke visa afgegeven. Als vrouw moet je een abaya dragen (dat is een wijde jurk of jas over je kleding en een hoofddoek). Haren en hals mogen niet zichtbaar zijn, maar het gezicht wel.

Het is maart 2011 en we zijn in Jeddah. Het is vrijdagavond, wat gelijk staat aan onze zondagavond want het weekend in Saoedi-Arabië was op dat moment nog donderdag en vrijdag (inmiddels is het vastgesteld op vrijdag en zaterdag). We zijn uit eten geweest in een restaurant, wat nog niet zo vanzelfsprekend is als je misschien zou denken: vrouwen mogen niet overal naar binnen dus we moeten een restaurant vinden met een familieruimte.

De volgende dag, zaterdag, zouden we onze eerste presentatie geven, zondag zouden we naar Riyadh reizen waar we dan op maandag onze tweede presentatie zouden geven.

Die vrijdagavond, na het eten, nemen we taxi’s terug naar ons hotel en verbazen ons over de feeststemming die heerst op straat. Chauffeurs toeteren en mannen hangen uit rijdende auto’s met de nationale vlag in hun handen. Het lijkt erop alsof Saoedi-Arabië het WK voetbal gewonnen heeft.

Wanneer we terugkomen in het hotel, wacht onze plaatselijke contactpersoon ons op en legt uit wat er is gebeurd: de koning heeft een toespraak gehouden vanavond. In de buurlanden gaat het slecht en daar heerst ontevredenheid. De koning wil zijn mensen tevreden houden en heeft daarom nieuwe investeringen in het onderwijs en in de gezondheidszorg aangekondigd. Alle huishoudens zullen hier direct baat bij hebben. “Bovendien,” heeft hij in zijn toespraak gezegd, “verklaar ik morgen tot een nationale vrije dag.”

Boem. Het hele land morgen vrij omdat de koning dat zegt. Ongelooflijk!

Zo zal ik mij Koning Abdullah van Saoedi-Arabië altijd blijven herinneren: als de koning die op ‘zondag’ iedereen de volgende dag vrijgeeft.

@Koning Willem-Alexander: misschien ook een leuke stunt voor de Oranjes?

Overigens, na wat telefoontjes is de presentatie een dag opgeschoven en ons reisschema aangepast, dat gaat allemaal vrij soepel.

Saoedi-Arabië 01De volgende dag huren we een auto en gaan de bergen in. Onderweg neem ik deze foto vanuit de auto en die wilde ik jullie niet onthouden.

Drie dagen in Baku – Dag 2

Dag twee komt mijn collega uit Istanbul aan in Baku (omwille van zijn privacy noem ik mijn collega hier Osman), hij heeft een ander (lees: duurder) hotel geboekt dan ik. We hebben een eetafspraak. Ik wacht op Osman in de goed gevulde bar van zijn hotel en bewonder de levendige lobby met haar glazen liften en constante stroom mensen. Dit is wel wat anders dan mijn hotel. Het is hier groter, moderner, drukker.

“Heb je nootjes of iets dergelijks?” vraag ik aan de aantrekkelijke barman die goed Engels spreekt. Ik heb trek, en meer nog dan dat: ik zit verlegen om een praatje. Ik heb al bijna 24 uur niemand gezien of gesproken, in ieder geval niet iemand met genoeg kennis van de Engelse taal om een gesprek mee te kunnen voeren.

“Nee, geen nootjes,” antwoordt hij, “maar… wacht!” Hij heeft een idee en steekt er ook daadwerkelijk een vinger bij in de lucht. Hij komt terug met een Granny Smith appel. Ok, denk ik, ook lekker, maar ik krijg de appel niet zomaar overhandigd: hij neemt een groot keukenmes en snijdt de appel met grote zorgvuldigheid in steeds kleinere partjes. Hij verdwijnt en komt terug met een schoteltje. Als een ware chef-kok tilt hij de partjes met het mes van de snijplank en stalt ze uit op het schoteltje. Wauw, ok. Nog nooit heb ik een appel met zoveel zorg gepresenteerd gekregen. Maar hij is nog niet klaar. Hij loopt weg en komt terug met een zoutmolen. Zout?! Over mijn appel?! Mijn mond valt open. Ik ben stomverbaasd, maar het is lekker. Een zure appel met zout: weer wat nieuws geleerd. Een hotelkamer mag hier dan 400 EUR per nacht kosten, maar als ze zoveel aandacht besteden aan een appel, dan ben ik erg benieuwd naar de kamers.

Osman en ik gaan eten en komen daarna weer terug bij zijn hotel. Vanaf daar laten we een taxi mij weer terug naar mijn hotel brengen. De taxichauffeur spreekt geen Engels. Ik zie hem kijken en zoeken. Hij rijdt een paar keer een doodlopende weg in en keert weer om. Kortom, de beste man weet niet precies waar mijn hotel is of hoe hij daar moet komen. Hij belt iemand – ik vermoed een collega om aanwijzingen aan te vragen – en voert een uitermate geagiteerd gesprek met deze persoon.

Het is niet aangenaam om achterin een oude, rammelende auto te zitten met iemand die te geïrriteerd is om veilig te rijden. Iemand die je herhaaldelijk een straat inrijdt die lijkt op de straten in films waar mensen altijd vermoord worden of in ieder geval klappen krijgen.

We rijden inmiddels op een soort provinciale weg. Een driebaansweg, waar mensen ergens rond de 90 km/h rijden. Mijn chauffeur heeft een afslag gemist. Hij schreeuwt nu nog harder in de telefoon en remt af. Hij houdt de meest rechtse baan aan en rijdt vervolgens achteruit (!!) terug naar de afrit.

Als de chauffeur zijn arm over de leuning van de bijrijder stoel legt en langs mij heen door de achterruit kijkt terwijl hij achteruit rijdt, kan ik de drang om óók te kijken simpelweg niet weerstaan. Dus kijk ik achterom. Dat had ik beter niet doen. Ik kan een angstkreet bijna niet onderdrukken bij het zien van het aankomend verkeer. Ik draai me vliegensvlug weer om en doe een schietgebedje. Moet ik nog een bericht op mijn telefoon achterlaten voor mijn familie en vrienden? Heb ik daar nog tijd voor? Wat zal ik zeggen? Welke woorden van troost kan ik voor mijn moeder achterlaten? Dat het goed is? Het is niet goed! Ik wil nog niet dood!

Tegen de tijd dat ik deze gedachten heb geformuleerd en mijn leven aan me voorbij is geflitst, is het alweer voorbij en rijden we de afrit op, richting mijn hotel. Eenmaal op mijn kamer sms ik – nog stijf onder de adrenaline – iedereen die me dierbaar is.

Drie dagen in Baku – Dag 1

Hij houdt een vel papier omhoog met mijn naam er op. Ik knik kort naar hem en zigzag tussen de andere – opdringerige – mannen door die mij mee willen nemen.

“Diana?” vraagt hij voor de zekerheid.

“Ja”. Ik steek mijn hand uit. Hij schudt hem. Misschien had ik dat niet moeten doen, misschien is dat ongepast in deze cultuur, maar dat bedenk ik me te laat. Hij lijkt me niet ontzet. Sterker nog; hij lacht vriendelijk en oprecht. Het is een korte man van in de vijftig met een zonverweerde en -gebruinde huid die zijn tanden witter doen lijken dan dat ze in werkelijkheid zijn. Hij heeft kort grijs haar. Hij neemt de rolkoffer van me over en ik bedank hem als een dame: met zowel aangename verrassing als opluchting in mijn stem.

“Eerste keer in Baku?” vraagt hij.

“Ja”.

“Baku, hele mooie stad”, zegt hij trots. Ik ben niet erg spraakzaam. Er gebeurde veel bij de douane, ik ben de indrukken nog aan het verwerken. Voor mij ging de paspoortcontrole vrij vlot omdat een collega mijn visum in Nederland al had geregeld, maar er stonden lange rijen mensen achter dranghekken, mensen die het visum ter plekke zouden regelen. Een douanebeambte liep langs de mensen heen en weer. Hem werd hier en daar wat in zijn hand gestopt door mensen voor wie het proces vervolgens een stuk sneller ging.

De chauffeur betaalt zijn parkeerticket en zet er vervolgens flink de pas in. Hoewel ik een stuk langer ben, heb ik moeite hem bij te houden. Hij zigzagt tussen de auto’s door, maar staat dan ineens stil. Hij kijkt om zich heen en grijpt naar zijn kin.

“Hmm..” laat hij zich ontsnappen. Ik begrijp hieruit dat hij niet meer weet waar hij zijn auto heeft gelaten.

“Wacht, alstublieft”, zegt hij en ondersteunt het verzoek met een universeel gebaar – met beide handen – voor wachten.

Hij begint over de parkeerplaats te draven op zoek naar zijn auto, en daar sta ik dan: in Baku, in Azerbeidzjan op een koele avond in december. Alleen op een parkeerplaats. Mijn koffer heeft hij ook meegenomen, dus op hoop van zegen dan maar weer.

Gelukkig hoef ik niet lang te wachten.

“Hoe heet je?” vraag ik hem als we eenmaal in de auto zitten. Hij trekt een grimas. Zijn Engels is niet erg goed en dan is een onverwachte vraag heel vervelend.

“Ik heet Diana”, zeg ik terwijl ik naar mijzelf wijs. “En jij?” Zo klassiek, dit trucje. We passen het volgens mij al toe sinds de toren van Babel. Hij glimlacht weer. Gelukkig.

“Allahverdu”, antwoordt hij. Ik probeer het te herhalen. “Nee, Al-lah-ver-du”. Zo gaat de naam nog een paar keer over en weer.

“Dat betekent Allah geeft. God geeft.” zegt hij.

“Oh! Zoals Theodorus! Een geschenk van God”, roep ik enthousiast, maar dat is teveel Engels in een te rap tempo, dus ik herhaal alleen: “Geschenk van God” en glimlach dat ik hem begrijp.

“Geschenk van God.” Hij knikt.

We komen langs hypermoderne gebouwen. Baku is een fascinerende mix tussen heel oud en heel erg nieuw. Een oude moskee, naast de meest moderne architectuur die ik ooit heb gezien.

“Pardon,” begint hij steeds, “kijk! Nieuw congres centrum. Heel mooi.”

“Ja, heel mooi” zeg ik terwijl ik met oprechte interesse links en rechts kijk.

“Pardon, kijk. Nieuw gebouw. Heel mooi.” Wat voor een gebouw het is, vertelt hij er niet meer bij. “Baku, hele mooie stad” zegt hij keer op keer.

“Pardon, kijk! Nieuw gebouw. Heel mooi.” Ik beaam het elke keer weer en dat is de hele breedte en diepte van ons gesprek tijdens onze rit die 20 minuten duurt.

Allahverdu zet me af bij mijn hotel en we nemen afscheid. Vriendelijke man. Het hotel is ook nieuw, maar vooral niet hypermodern. Het ligt in een gebied buiten de stad wat nog ontwikkeld moet gaan worden. Zonder taxi kom ik nergens en het gebied nodigt absoluut niet uit voor een wandelingetje, maar het is hier goedkoop (ca 150 EUR per nacht in plaats van 400 EUR) en ik begrijp nu waarom.

Wanneer ik ben ingecheckt in mijn kamer hoop ik nog iets te kunnen eten. Het hotel lijkt uitgestorven en het restaurant is dat zeker. Er is niemand te zien en er is geen muziek. Omdat er stemmen uit de keuken komen – en omdat ik het bij de receptie gevraagd heb – ga ik er vanuit dat ze nog open zijn. Ik bekijk de kaart en kies een gerecht met kip. De ober vraagt wat ik wil drinken.

“Witte wijn”, zeg ik. Hij kijkt me niet begrijpend aan. “Wijn?” vraag ik minstens net zo verbaasd. Hoe kun je me nou niet begrijpen?! Universeel drankje, toch? Maar nee, geen herkenning op het gezicht van de jonge ober te bespeuren. “Wijn? .. Witte wijn? .. Rode wijn?” probeer ik… Nope. Ik blader door het menu en kijk of ik het zie staan, maar nee. Wel bier, cola, vodka, cognac, whisky, maar geen wijn. Nou moe. Dan bekijk ik de plaatjes en zie een fles en een wijnglas. Ik wijs het hoopvol aan. “Wijn!”

“Cognac!” zegt hij.

“Nee.. wijn!”

Chocolate in BakuHij knikt, maar ik ben nog niet overtuigd dat we elkaar begrijpen. Hij draait zich om en verdwijnt de keuken in. Op hoop van zegen dan maar weer. Toch komt hij terug met een hele fles witte wijn. Ik lach dankbaar en knik blij. Ja! Ja! Hij zet de fles op tafel. Een glas was ook goed geweest, maar kom maar op met die fles, ik ben er wel aan toe. Ook zet hij een schoteltje met stukken bittere chocolade neer. “Dank je wel..” zeg ik en kijk er  fronsend naar. Ik vind bittere chocolade heerlijk, maar als borrelhapje?!

Ik hoor ze praten in de keuken. Het schatje van de bediening is aan het oefenen met zijn collega: “Wilt .. u..  brood? Wilt u .. brood?” hoor ik hem telkens zeggen. Ik zit stilletjes te giechelen met mijn fles wijn en mijn schoteltje bittere chocolade.

Ssst, komt ie.

“Wilt u brood?” zegt hij in opperste concentratie. Ik kijk hem breed lachend aan.

“Ja. Heel graag.”

Schatje.

Na de maaltijd neem ik de rest van de wijn maar mee naar mijn kamer. Ik heb die avond geslapen als een Hollandse tulpenbol. Too much excitement for one day, zoals ze in Amerika plegen te zeggen.

De verkeerd bezorgde knipoog

We kennen het allemaal; iemand zwaait of lacht naar je of roept: ‘hé, hoi!’

Je weet niet zeker wie het is, maar automatisch zwaai je of lach je terug. ‘Hoi!’ zeg je oprecht een beetje verbaasd.

Dan besef je dat het niet voor jou bedoeld is, maar voor de persoon achter je.

Ik zit in een vergadering in Londen en krijg een goed bedoelde knipoog van een collega. We zitten de hele dag in deze bijeenkomst waar we luisteren naar presentaties en discussies. De groep – een man of dertig – zit in een ongedwongen opstelling aan verschillende grote, ronde tafels. Cabaret opstelling noemen ze dat. Er is een handvol collega’s aanwezig, verspreidt over de ruimte, maar de rest van de mensen zijn zakenrelaties.

De zaal heeft een hoog plafond, een houten vloer en door hoge ramen schijnt de najaarszon een honinggeel licht op onze problematiek.

De collegiale knipoog was wel degelijk voor mij bedoeld, geen twijfel over mogelijk. Ik geef een glimlach en een knipoog terug, maar deze glimlach met bonus komt verkeerd aan. Een Engelse meneer (een zakenrelatie) die naast de rechtmatige ontvanger (mijn collega) zit, onderschept ze.

De Engelse man veert op, houdt zijn hoofd een beetje schuin en glimlacht schalks naar me.

Oh oh.

Hij haalt zijn vingers door zijn iets te lange, iets te blonde haar en gaat verzitten. Iets rechterop nu, iets alerter.

‘Oh nee’ kreun ik binnensmonds. Het is een vriendelijke man en er is helemaal niets mis met hem, maar deze flirt is wel degelijk een misverstand. De man vat de knipoog duidelijk als een avance van mijn kant op (wat zijn die Nederlandse vrouwen toch vrijgevochten!).

Ik probeer niet naar hem te kijken met als gevolg dat mijn ogen elke paar seconden zijn kant op dwalen en dat is natuurlijk een bevestiging voor hem. Hij glimlacht wanneer onze ogen elkaar ontmoeten, zijn wenkbrauwen veren vragend op. Hij heeft zijn rechterbeen over zijn linkerbeen gegooid en zijn rechtervoet beweegt op denkbeeldige muziek (pom-tidom-tidom). Hij groeit met de minuut. Deze non-verbale miscommunicatie gaat van kwaad tot erger.

Uiteindelijk kom ik er met een sisser vanaf: nog voor het einde van de vergadering, moet hij weg om een trein te halen. Pfew. Nou ja, ik hoop dat hij een leuke middag heeft gehad. Ik zal in ieder geval een volgende keer iets voorzichtiger zijn wanneer ik een knipoog de ruimte in schiet. Er kan zich een onschuldig slachtoffer ‘in the line of fire’ bevinden.