Filmbuffet

Ik ben om. Geen geld eigenlijk; negentien euro per maand. Voor dat geld mag ik zo vaak naar de film in Cineville-theaters als ik wil en kan. Ik heb het over de Cinevillepas.

LantarenVenster in Rotterdam is bijvoorbeeld een Cineville-theater, en EYE in Amsterdam. In beide steden ben ik de rest van het jaar wekelijks, dus ik hoop het te kunnen combineren met school op zaterdag bijvoorbeeld. Bovendien is The Movies in Dordrecht een Cineville-theater en daar loop ik dan in m’n badstof huispak naar toe. Bij wijze van spreken natuurlijk. Katoen is veel fijner.

Ik had al eens met een schuin oog naar de Cineville-pas aanbieding gekeken, maar na het zien van ‘Absolutely Fabulous’ vorige week, en de trailers van alle films die ik óók wilde zien, heb ik dan eindelijk de knoop doorgehakt en meteen de volgende dag de pas besteld. Via de email kreeg ik een tijdelijke pas die ik meteen kon gebruiken en dat hebben ze geweten ook.

Inmiddels heb ik al gezien: ‘The Man Who Knew Infinity’ met Jeremy Irons. Hij is een van de twee redenen waarom ik deze film moest zien. Ik ben namelijk heimelijk verliefd op deze acteur sinds ik de vrij erotische film ‘Damage’ heb gezien. Jeremy Irons speelt hierin een statige minister die zich compleet verliest in de verloofde van zijn zoon. De verloofde wordt gespeeld door de o zo sensuele Juliette Binoche. ‘Damage’ heeft twintig jaar geleden een grote indruk op mij gemaakt, met name het moment waarop Juliette Binoche Jeremy Irons aankijkt en zegt: “Damaged people are dangerous. They know they can survive.”

De tweede reden waarom ik ‘The Man Who Knew Infinity’ wilde zien was omdat ik – hoe onwaarschijnlijk dat ook mag klinken – wist wie Srinivasa Ramanujan was vanwege mijn werk bij de academische uitgever. Ik heb in het verleden een marketing campagne opgezet rondom de publicaties van deze Indiase wiskundige.

Mooie film, maar laat Jeremy Irons praten en ik word vanzelf helemaal week. Dat is bijna net zo fijn als de stem van Sean Connery.

De volgende dag ben ik naar ‘The BFG’ gegaan, de Grote Vriendelijke Reus, in 3D. Nee. Jammer. Ik ben een grote fan van Roald Dahl en het lukt filmmakers, zelfs de grote Steven Spielberg, maar heel zelden om een boek goed te verfilmen. Ik irriteer me er aan als de film van het originele verhaal afwijkt. Als ik de Cinevillepas niet had gehad, was ik bij voorbaat niet gegaan omdat ik hier al bang voor was. Sorry Steven.

De dag erna ben ik gaan zitten voor ‘The Red Turtle’, een lange animatiefilm (de lengte is opzienbarend voor dit genre). Een sprookje. Geen gesproken woord. Mooie film en heel verfrissend zo’n verhaal zonder dialogen.

Dan: ‘The Family Fang’ met Nicole Kidman (blijft zonde, de plastische chirurgie), Jason Bateman (Oh, hello hotness, waarom ben je mij nooit eerder opgevallen?! We hebben dezelfde verjaardag, we zijn voor elkaar bestemd, Jason. Bel me.) en Christopher Walken.

Een vermakelijke film, met een apart verhaal waarin Nicole Kidman en Jason Bateman broer en zus spelen. Ze zijn de inmiddels volwassen kinderen van een kunstenaars echtpaar dat bekend staat om hun ‘performance art’ of ‘practical jokes’ waar de kinderen dan deel van uitmaakten. De ouders worden vermist, de vraag is: is dit in scène gezet of is het echt.

Tot zo ver wat ik in korte tijd gezien heb. Op het programma staan nog: ‘Elle’ van Paul Verhoeven, de Zweedse komedie ‘Een man die Ove heet’, ‘Café Society’ van Woody Allen, ‘The Secret Life of Pets’ als ik de Engels gesproken versie kan zien en ‘High Rise’ met… Jeremy Irons!

Het is een all-you-can-see filmbuffet en ik ga me compleet verzadigen deze herfstachtige zomer. Ik vermaak me wel. Samen met mijn museumjaarkaart en mijn pasje voor de sportschool hoeven jullie van mij voorlopig geen kattenkwaad meer te verwachten.

Schrijversvakschool Recycled #3

De derde opdracht in ons eerste jaar aan de Schrijversvakschool was een stukje te schrijven à la Martin Bril. We lazen een van zijn columns in de klas en bespraken hoe observerend hij was, hoe er eigenlijk niets gebeurde in dit verhaal, maar hoe hij een sfeer neerzette. Twee oude mensen op een bankje in een park, en wat voorbijgangers. Heel eenvoudig. Geen gedachten, alleen observaties. Ons huiswerk luidde dan ook: ga naar buiten, observeer, en geef een scène op papier weer.

Ik kocht een bundel, een verzameling columns van Martin Bril, met de titel: De zon schijnt. Het zouden opbeurende columns moeten zijn, maar dat vond ik ze niet allemaal. Waar ik al helemaal niet vrolijk van werd was de tekst op de achterkant: ‘Martin Brill (1959-2009)’. Hij is dood?! Ik woonde in de jaren van zijn ziekte en overlijden nog in New York en ik merk, af en toe, dat er een gat is ontstaan in mijn algemene kennis. Zoals dit, nu. Ik wist het niet. Ik werd er oprecht droevig van. Niet dat ik de man nou zo nauw aan mijn hart had liggen, maar vijftig jaar… verdorie.

Het stukje dat ik met jullie wil delen is niet mijn beste werk, maar het café waar het om gaat, het café waarvan ik dacht dat het nooit zou veranderen, is er ook niet meer, en de  scène die ik een jaar geleden heb geschreven, houdt me bezig. Het intrigeert me, zoals ik kan staren naar een foto van vóór een dramatische gebeurtenis. Zagen we het dan niet aankomen? Kan ik aanwijzingen vinden voor wat ik inmiddels weet dat komen gaat?

Dus, als een kleine hommage aan de mensen en de dingen die voorbij gaan, hier mijn vroege poging een moment vast te leggen op papier. Een scène die nooit meer zal kunnen plaatsvinden, maar dat wist ik toen nog niet.

Scène à la Martin Bril

Het is een koude, natte septembermiddag. De herfst is veel te vroeg gekomen, zoals visite die je wel verwacht, maar die een kwartier voor de afgesproken tijd op je stoep staat. Je bent er nog niet klaar voor.

De barman kijkt mistroostig uit het grote raam achter hem, over het plein. Een blad waait voorbij. Voor de man staat de grote, gietijzeren poffertjespan waar hij al honderdduizenden poffertjes op heeft gedraaid. De man staat hier al vijfendertig jaar; zijn hele werkende leven. De poffertjespan staat er nog veel langer.

Aan de leestafel zitten twee oude mannen de krant te lezen. Voor ieder staat een kop koffie, daartussen een stapel katernen. Het nieuws van vandaag op de grote hoop. De een eet zijn meegebrachte boterhammen uit een broodtrommel van vervaald geel plastic, de ander steekt net de laatste hap van een tosti in zijn mond. Kruimels van het witte brood blijven op zijn grijze baard achter.

Er komen mensen binnen, moeder en dochter, de barman groet ze hartelijk bij naam. Het tienermeisje bestelt een portie poffertjes, de moeder een broodje gehaktbal. Samen kijken ze naar een filmpje op de iPhone van de moeder. De twee oude mannen kijken op; het multimediale geluid steekt af tegen de serene stilte in deze bruine kroeg waar niet eens muziek wordt gedraaid. De moderne wereld is hier niet op zijn plaats.

Een hond ligt middenin de zaak. Het is al de zoveelste van hetzelfde ras, middelgroot met haar dat altijd voor de ogen hangt. Ik weet niet hoe deze heet. Het beestje dat luisterde naar de naam Misty is al weer twee honden geleden. Er verandert hier nauwelijks iets en daarom is er nog lang gesproken over het klassieke koffiezetapparaat dat een jaar geleden is vervangen door een monsterlijke machine die op de bar staat en een muur opwerpt tussen de barman en zijn clientèle. Het klassieke, zilverkleurige apparaat is als een kunstwerk aan de muur geschroefd, samen met tientallen foto’s, straatnaamborden, vaandels en kijkkastjes van de kunstenaar Cees die, toen hij nog leefde, hier ook elke dag zijn boterham met ontbijtkoek aan de leestafel kwam eten, op de plek waar nu de man met de broodtrommel zit. Hij heet ook Cees.

De tijd gaat hier trager dan buiten op het plein en als ik hier morgen weer langskom, lijkt er niets veranderd te zijn.

Comfort food

De dames (sorry heren) zullen zich herkennen in de beschamende vreetkick die steevast ‘de dagen van de maand’ aankondigen. Aangewakkerd door hormonen ben ik persoonlijk twee of drie dagen nóg bodemlozer – als het gaat om voedsel – dan alle andere dagen.

Ik bemerk wel dat ik steeds vaker hele specifieke behoeften krijg, misschien heeft dat dan met leeftijd te maken. Laatst was het een Greenfield burger, een bepaald type burger van Iers rundvlees, dat bij Albert Heijn te koop is. Ik had verder geen boodschappen nodig, maar ik moest en zou dat stuk vlees. Nu. Dus op naar de supermarkt.

In het schap liggen alle variaties van de burger – met tomaat, met jalapeño pepers, tandoori – maar geen gewone burger en die wil ik. Niets anders. Die doe ik dan in de grillpan, broodje erbij, en een salade. Ik proef het sappige vlees al, en hoe de sappen eruit lopen als ik een hap neem en het brood verzadigen. Het Ierse rundvlees dat ondanks het label ‘mager’ nog altijd glimt en sijpelt van heerlijkheid.

Ik klamp de eerste vakkenvuller aan. Hij ziet me vanuit zijn ooghoek aankomen, legt zijn verpakkingen met groente neer, zucht onhoorbaar, forceert een vriendelijke glimlach en kijkt mij afwachtend aan. Ik begrijp dat hij van de groente is, niet van het vlees, maar ik zie zo snel even niemand anders. De wanhoop in mijn stem heeft een snaar geraakt bij de scholier, hij komt het schap zelf inspecteren. ‘Achter? Liggen er achter nog?’ probeer ik.

‘Mijn collega is het vlees halen,’ stottert de jongeman. Zo’n vrouw van in de veertig met zo’n prangende behoefte aan vlees wordt hem net iets teveel. Licht raak ik zijn bovenarm aan. ‘Dan kom ik zo nog wel even terug.’ Hij knikt en keert terug naar zijn snoeptomaatjes.

Ik maak een rondje door de supermarkt, ga bij mezelf te rade of een alternatief ook goed is of dat ik werkelijk op de fiets moet stappen om de andere Albert Heijn vestiging te proberen.

Ik draal wat bij de olijven en de kaas als de jongen van het vlees aan komt lopen. Ik stap op hem af en vraag of hij toevallig ook Greenfields burgers in die stapels zwarte kratten heeft zitten. ‘Sorry mevrouw, alleen kip en worstjes.’

Grrr… Als alternatief ga ik dan maar voor het broodje maar met gegrild gehakt. En melk. Melk moet ik ook. Geitenmelk.

Ik ben altijd weer blij als ik dan eindelijk ongesteld ben, dan is het ‘moeten’ er weer af, want die vreemde obsessie met specifiek eten is vermoeiend. Een kleine demonstratie van hoe een zwangere vrouw zich moet voelen, die vreemde voedselfixatie waar altijd maar lacherig over gedaan wordt. Het voelt hetzelfde als afkicken van een verslaving. Toen ik stopte met roken voelde het ook zo, die manie, die dwanggedachte: ik moet roken, ik moet nu een sigaret. En soms liep ik dan inderdaad midden in de nacht naar de nachtwinkel om sigaretten te gaan halen. Wist je dat liefdesverdriet trouwens precies hetzelfde werkt als een verslaving? Alleen ben je niet geobsedeerd door iets, maar door iemand. Of in ieder geval door het idee aan iemand.

Een vriendin van mij in New York raakte zwanger. Ze is Brits. Ze vertelde me over haar bezetenheid voor voedsel. ‘Maar,’ zei ze, ‘ik heb een onstilbare honger naar dingen uit mijn jeugd. Britse gerechten.’ Comfort food heet dat zo mooi in het Engels. Ik ben er sindsdien eens op gaan letten, waar ik dan trek in krijg en wat dat gerecht dan voor me betekent. Zo kan ik ineens een ontzettende trek krijgen in melk en ontbijtkoek. De ontbijtkoek in de melk dopen tot de koek verzadigd is en dan in je mond steken. Dat brengt mij terug naar mijn tienerjaren. Of een krentenbol met roomboter zoals mijn oma ze voor me maakte. Dat vond ik als kind het allerlekkerste op de hele wereld.

De burger snak ik naar uit biologisch oogpunt, heb ik geconcludeerd. Mijn lichaam wil dit zo nu en dan. Vlees. Aansterken voor ik ga afzwakken. Ik kan tenminste geen warme, troostende herinnering oproepen bij Iers rundvlees.

Tien nummers

Aanstaande zaterdag ben ik te gast bij het radioprogramma Studio De Witt (naar de gebroeders De Witt) van de lokale zender Drechtstad FM. Twee uur lang ‘gast aan tafel’. Sidekick baby! Leuk!

Nou vroegen ze of ik tien nummers wilde aandragen. Muzieknummers waar ik misschien een klein verhaaltje bij kan vertellen. Ha! Hm.

Ik heb geloof ik vijfduizend nummers in mijn iTunes bibliotheek staan, ik heb namelijk al lang geleden al mijn CD’s omgezet naar MP3 bestanden en sindsdien diverse albums via iTunes aangeschaft. De nummers die ik niet leuk vind, heb ik er al uitgehaald. Daarom zit ik vrijwel nooit op Spotify; ik heb veel tijd gestoken in het uitzoeken van mijn muziek, ik hoef niet overladen te worden met meer ongefilterde muziek. Spotify is natuurlijk wel goed voor het ontdekken van ‘soortgelijke’ muziek.

Met enige trots kan ik zeggen dat ik regelmatig complimenten krijg over de muziek die ik op heb staan, tijdens een etentje bijvoorbeeld. Vrienden vragen ook wel of ik nog tips heb, artiesten die ik goed vind. Ik ga nergens naar toe zonder mijn iPod Touch. Ik ben dus echt wel een muziekliefhebber. Maar uit al die pareltjes moet ik dus tien nummers zoeken? Poeh.

Sterker nog, tien nummers, waar ik een verhaaltje bij kan vertellen. Dat maakt het misschien wel wat makkelijker om te filteren. Waar zit een leuk verhaal achter?

Muziek heeft op mij een extra grote impact tijdens perioden van liefdesverdriet, en liefdesverdriet kan ik je vertellen, heb ik bovengemiddeld vaak gehad. ‘Bend Till I Break’ van Maria Mena is zo’n nummer dat ik dan urenlang op repeat kan zetten, of ‘L.A. Song’ van Beth Hart. Zo kan ik nog wel even doorgaan want zwelgen kan ik als geen ander.

Maar deze nummers kan ik de luisteraar toch niet aandoen? Dan gaan we allemaal met weemoed het weekend in, verlangend naar… ja, naar wat eigenlijk. We weten het niet eens. Nee, vrolijke, zonnige nummers moeten het zijn, met een leuk verhaal.

Wat komen er veel beelden boven als je op deze manier naar je muziek kijkt. Bijvoorbeeld hoe we vijftien jaar geleden in de Pyreneeën reden. Ad achter het stuur. ‘Better Things’ van Massive Attack stond keihard aan. Het was pikdonker, de weg was gevaarlijk, slingerde langs de afgrond en Ad had een flinke borrel op, ik ook. Ik was zo tevreden en volkomen gelukkig dat ik dacht: als we nu het ravijn instorten, dan is het niet erg. Een beetje van dat volmaakte geluk, voel ik nog als ik het nummer hoor.

Hoe ik ging joggen in Prospect Park in Brooklyn met ‘Before he cheats’ van Carrie Underwood in mijn oren, zo’n lekker venijnig nummer waar je lekker je agressie in kwijt kunt, waar je de boze energie uit put om die klote heuvel op te rennen.

Of hoe we met z’n vieren terugkwamen van een etentje in een chique restaurant in Antwerpen. We reden binnendoor op een zwoele zomeravond, met het raam van de auto een beetje open. We hadden ‘Desert Rose’ van Sting loeihard op staan. ‘Stop! Stop!’ riep ik. Hoe we de auto langs de kant hebben gezet, uit zijn gestapt en vervolgens midden in de nacht hebben staan dansen op een verlaten landweggetje, in onze nette kleding.

Je ziet, ik verlies me gemakkelijk in mijn muziek en mijn herinneringen, maar goed, ik heb mijn tien nummers aangedragen. Elf eigenlijk, ik kon niet kiezen. Geen voor de hand liggende muziek denk ik, ik hoop de luisteraar kennis te laten maken met een paar nieuwe nummers en ariesten. Over het algemeen oppeppende nummers en sommigen met een verhaaltje, zoals de keer dat John Mayer onverwacht kwam jammen in The Village UndergroundDJ / sidekick for a day, ik heb er zin in!

Kill your darlings: Met de Franse slag

De veertiende juli, le Quatorze Juillet voor de Fransen, Bastille Day voor de niet Fransen, is de perfecte dag om deze laatste Kill your darlings te publiceren. That’s it, meer heb ik er niet, tenminste, niet meer verhalen die ik kan of wil delen.

Voor de nieuwkomers: er zijn een aantal verhalen (van dates) die het boek New York in 40 dates niet hebben gehaald. Schrijven is schrappen. Kill your darlings. Vandaag dus de laatste die ik alsnog met je wil delen.


Met de Franse slag

New York, juli 2009

Bob is niet mijn type, maar hij is een aardige man en vooral aanhoudend, dus ik stem toe hem te ontmoeten, een date kan je altijd aangenaam verrassen. Hij reist veel en is Frans aan het leren omdat hij vaak in Parijs is. Deze globetrotter mentaliteit kan ik erg waarderen. Bob heeft vrienden gemaakt over de hele wereld en het is zijn hobby om te reizen, vrienden te bezoeken, op huizen van mensen te passen en aan appartementenruil te doen (zelf heeft hij een klein appartement in Hell’s Kitchen). Een leuke en relatief voordelige manier om de wereld te zien. Hij is fotograaf, een vak dat hij overal kan beoefenen, en daarnaast doet hij de distributie en reparaties voor Apple.

Bob nodigt mij uit bij een Frans restaurant genaamd Flea Market (inmiddels gesloten) op Avenue A, in de zuidoostelijke wijk op Manhattan die ze Alphabet City noemen. Een wijk waar je vijftien, twintig jaar geleden absoluut niet moest komen, levensgevaarlijk. Nu is het ontzettend hip.

We eten en praten en kunnen het erg goed vinden samen, alsof we elkaar al jaren kennen. Ik voel echter geen chemie voor hem.

Na koffie en een gedeeld nagerecht zeg ik dat ik moet gaan. Hij loopt met me mee naar de ingang van het metro station, 2nd Avenue. Hij kust me op de mond, laat een goedkeurend ‘hmm’ horen, gaat er goed voor staan en drukt zijn lippen nogmaals op de mijne, maar ik houd mijn lippen op elkaar. Fascinerend toch hoe een heel gesprek zonder woorden, maar in lichaamstaal, zich kan afspelen in een enkele seconde.

Tijdens het eten hebben we het gehad over een aankomend feest in Brooklyn, in de Frans georiënteerde buurt (door de vele Franse bistro’s) Boerum Hill. Hier vieren ze namelijk de 14de juli, Bastille Day. Niet op de dag zelf want het is natuurlijk geen nationale vrije dag in Amerika, maar op de zondag er voor. Ik stel hem voor dat hij ook naar Brooklyn komt en hij accepteert, dus we hebben al een tweede date voordat de eerste is afgelopen.

Op de zondag van onze tweede afspraak in Boerum Hill is Bob veertig minuten te laat, zonder excuses en zonder me een reden te geven. Iets wat ik nou niet bepaald kan waarderen. We gaan brunchen in een zaak aan de straat – Smith Street – waar de festiviteiten plaatsvinden. Denk bij festiviteiten vooral aan gemoedelijke competities in Jeux des Boules, Petanque of Bacci zoals ze het hier noemen, en marktkraampjes.

De zaak waar we brunchen heeft een ruime tuin aan de achterzijde, met picknick tafels en lampionnen. Voor de brunch heeft Bob een vriendin, Kim, uitgenodigd die hij ook via de datingwebsite heeft leren kennen. Een leuke vrouw en erg interessant om een andere dame van de site te ontmoeten. Onze gelijkenis is echter een beetje angstaanjagend. Bob heeft duidelijk ‘een type’.

In de loop van de dag schuiven steeds meer mensen aan; Bob’s vriend Richard, ook fotograaf, een paar mensen van zijn Franse les die uiteraard zijn aangetrokken tot de viering van deze nationale Franse feestdag, en ook een vriendin van mij, Dorothy, die niet ver hiervandaan woont. Het wordt een heerlijke luie zondagmiddag, aan een grote tafel, in een tuin in Brooklyn, met drank, eten en gezelligheid, kortom met een perfecte middag die niet zou misstaan op het Franse platteland. Een middag met de ongedwongen Franse slag.

.

Het wordt mij vaak gevraagd: heb je nog contact met deze mensen? En ja, met veel van mijn dates heb ik nog steeds contact. Bob (die niet echt Bob heet maar die ik uit privacy overwegingen hier zo noem) is zelfs nog op bezoek geweest in Nederland, heeft op een van zijn rondreizen door Europa nog een paar dagen bij me gelogeerd.

Overpeinzingen #2

Gelukkig vragen mensen zich dingen af. Dat houdt ons scherp, dat zorgt ervoor dat er onderzoek wordt gedaan, dat we vooruit gaan. Of vooruitgang per definitie beter is, daar heb ik het nu niet over, maar we staan in ieder geval niet stil. Elk antwoord roept weer drie nieuwe vragen op. Bij kinderen is dat meestal maar één vraag: ‘Waarom?’

Een van de kinderen in mijn straat zit in die fase, dan hoor ik een hoog kinderstemmetje, gedragen door de vroege herfstwind, mijn werkkamer inwaaien:

‘Waarom?’

‘Nou, omdat…’ (diepe vaderstem)

‘Maar, waarom?’

Afijn, u kent het wel.

Ik ben op een leeftijd dat ik niet meer elke andere volwassene zomaar lastig kan vallen met elke vraag die in me opkomt (hoewel een vriendin van mij dit wel degelijk doet tot ik er horendol van word). Nee, ik zal het af en toe ook zelf moeten uitzoeken en dan vraag ik het Google, de grote alwetende wolk. Tenminste, meestal vraag ik het me alleen maar af en dan draai ik me weer om, maar deze keer wilde ik het toch eens weten:

‘Hoe komt het dat muggen malaria overbrengen, maar geen HIV?’

Nou, ik ben duidelijk niet de eerste die zich dat afvraagt (niet dat ik dat verwacht had), en een stukje in de rubriek ‘next question’ van het NRC, legt het me uit:

… Een vrouwtjesmug (mannetjes steken niet) kan wel geïnfecteerd bloed opzuigen, legt entomoloog Bart Knols van de Wageningen Universiteit uit. Maar dat bloed gaat naar haar muggenmaag en komt er niet meer uit als zij een ander steekt.

Hoe raken mensen dan besmet door een malariamug? Via biologische transmissie, zegt Knols. „Als het besmette bloed lang in het lichaam van de mug blijft, kan de malariaparasiet via de buikwand in de speekselklieren komen. Een mug injecteert altijd speeksel voordat zij bloed gaat zuigen en zo wordt malaria dan overgedragen.”

Hiv kan op deze manier echter niet worden overdragen, omdat muggen koudbloedig zijn; het virus sterft af voordat het de kans krijgt om in het speeksel terecht te komen…

Mijn volgende vraag is dan:

Wat als we mensen met HIV aan een apparaat leggen dat al hun bloed even aan dergelijke condities (kou, gesteriliseerde opvang buiten het lichaam) blootstelt en het dan weer terugpompt?

Ik ben plasmadonor bij de bloedbank, dat betekent dat er bloed wordt afgenomen, het plasma via een kleine centrifuge afgescheiden wordt, en dat ik de rode bloedcellen weer terugkrijg. Theoretisch zou dit dus het HIV virus moeten vernietigen want dat kan buiten het lichaam niet lang bestaan. Of denk aan mensen die een nierdialyse moeten ondergaan? Wordt het bloed dan ook niet gezuiverd door een kunstnier? Het kan dus wel.

Of kunnen we geen Cryotherapie – het toepassen van (extreme) kou als medische behandeling voor uiteenlopende klachten – inzetten? Ik weet dat met deze therapie al geëxperimenteerd wordt. Kan dit het virus niet doden? Muggen zijn koudbloedig, daarom overleeft het HIV virus niet. We hoeven de patiënt niet te bevriezen, alleen tijdelijk te onderkoelen… Het is maar een idee.

Nou ja, ik zal niet de eerste zijn die dit verzint, er zullen hele goede redenen voor zijn dat deze behandelingen niet kunnen worden toegepast bij patiënten met het HIV virus, maar dat vraag ik me dan toch af. Gelukkig zijn er mensen die het antwoord op deze vragen nog veel belangrijker vinden dan ik. Mensen die zich niet nog een keer omdraaien in bed, die het niet na twee pagina’s zoekresultaten in Google weer opgeven. Gelukkig zijn er heel erg nieuwsgierige mensen op de wereld.

Waar zouden we zijn als we niet zo nieuwsgierig waren? Of als we onze interesse kwijt zouden raken?

 

Sportschool typetjes

Sportschool typetjes. Heerlijk. Herkenbaar voor eenieder die naar de sportschool gaat, een lopend buffet voor elke antropoloog.

Voor de goede orde: minstens negentig procent van de leden bij mij op de sportschool zijn “gewoon” mensen, in allerlei prachtige variaties, tussen de 14 en de 88 jaar die het belangrijk vinden om te bewegen. Sommige vinden het oprecht fijn om te sporten, andere hebben er oprecht een hekel aan en het is vaak niet moeilijk te zien wie tot welke categorie behoort.

Maar er zijn een paar types die er uitspringen en dat is voor een schrijver echt smullen.

Zo hebben wij bijvoorbeeld The Bag Lady: Een vrouw die met grote regelmaat binnen schuifelt – sloft is misschien een beter woord – in een veel te grote grijze joggingbroek en compleet afgetrapte namaak-Ugg laarsjes. Een veel te grote trui hangt om haar lijf. Alles hangt, ook haar schouders. In haar hand heeft ze minstens drie zeer verkreukelde, veelvuldig gebruikte plastic tassen geklemd. Geen sporttas. Haar ogen zijn op de vloer gericht en zo schuifelt ze door de kleedkamer, naar de zaal, een tijdje op de loopband, en weer terug naar de kleedkamer. In mijn levendige fantasie is deze mevrouw stinkend rijk. Miljonair. Minstens. Misschien nog wel met een adellijke titel ook, gewoon omdat het mijn fantasie is en alles kan en omdat het me zo leuk lijkt.

De Spring-in-‘t-Veld is een mevrouw van niet-Nederlandse afkomst. Ik durf niet met zekerheid te zeggen wat haar geboorteland dan wel zou moeten zijn. Mongolië denk ik (ik bedoel echt Mongolië, dit is geen misplaatste grap). De vrouw is zo ontzettend hyper en vrolijk dat ze mij persoonlijk ma-te-loos irriteert! Mensen kunnen ook té vrolijk zijn, zeker op de sportschool. Ze staat te dansen op de crosstrainer en op de lopende band, te zingen en met haar armen te zwaaien. Ze slingert kirrend aan apparaten waar ze aan kan hangen. Ze springt, danst en zingt door de zaal. Ik heb begrepen dat ze een paar keer kanker overleefd heeft, dus ze heeft natuurlijk alle reden om zo uitbundig te genieten en de dood uit te lachen, maar het is af en toe wel erg vermoeiend om naar te kijken en te luisteren.

De Kreuner: Er zijn bodybuilders die met veel lawaai oefeningen doen waar de rest van ons helemaal niet zoveel lawaai bij hoeft te maken. Tot op zekere hoogte is daar helemaal niets mis mee; grote krachtsinspanningen, dan ontglipt je wel eens een kreet, ik begrijp het. Maar er zijn mannen die overdrijven, mannen waarbij een paar eenvoudige sit-ups mij al aan Oost-Europese porno doen denken. Ik heb begrepen dat de grootste kreuner inmiddels vriendelijk verzocht is zijn lidmaatschap op te zeggen. Sorry, maar daar moet ik erg hard om lachen.

We hebben De Prater waar ik persoonlijk altijd met een boogje omheen loop. Een aardige man die ik vanuit de verte begroet en vervolgens zo veel mogelijk ontwijk omdat hij vooral voor de gezelligheid lijkt te komen. Soms zie ik hem tegen een apparaat geleund staan, in gesprek met iemand. Als ik twintig minuten later van de loopband afstap, staat hij er nog. Deze keer gelukkig met een vrouw die precies hetzelfde doet bij andere mensen (lees: anderen mensen van het sporten afhouden). Ze hebben elkaar gevonden.

Dan hebben we het Voor de Sier type dat alleen maar voor de vorm naar de sportschool komt, lijkt het wel. Ik denk aan een mevrouw die verbaal erg aanwezig is een bepaalde les, maar halverwege weggaat (met veel doei-dag-ik-ga-gebaren naar de instructeur). Verder zie ik haar alleen in de ontspanningsruimte met koffie en een tijdschrift. Ja, dat telt natuurlijk niet.

De Phone Addicts irriteren mij (en veel anderen) behoorlijk; mensen die hun telefoon niet even een uurtje in de kleedkamer kunnen laten liggen. Mensen die op de loopband moeten bellen, of op de apparaten zitten te whatsappen terwijl de rest van ons ook graag dat apparaat zou willen gebruiken.

Verder kan ik me kostelijk vermaken met De Hork, een man die motorisch niet zo begaafd is. Dat wil zeggen; ik kan me vermaken met het kijken naar de mensen die naar hem kijken. Wanneer de man zijn oefeningen doet, krijgen de mensen om hem heen een pijnlijke grimas op hun gezicht. De manier waarop De Hork met veel overgave de apparaten bedient, moet zijn lichaam meer kwaad dan goed doen.

Maar hé! Alle beweging is beter dan op de bank zitten (met uitzondering misschien van die motorisch minder bedeelde meneer), dus typetje of niet; we zijn allemaal toch maar gewoon te vinden op de sportschool, dus: thumbs up!

 

I put a spell on you

Het is gênant.

Ik zal het maar gewoon bekennen.

Ik heb iets met Harry Potter.

Ik ga elke avond met hem naar bed, en eigenlijk wil ik me overdag ook niet van hem losmaken. Het begint een probleem te worden want ik had mij voorgenomen van alles te gaan doen deze zomer: minstens 500 woorden per dag schrijven, minstens een uur bewegen, klusjes in en rond mijn huis, maar liever lig ik dus in bed met Harry.

Vandaag bereikte ik een nieuw dieptepunt: ik overwoog serieus om geen boodschappen te gaan doen (Had ik het echt vandáág nodig? Hoe lang kon ik nog overleven met wat ik in huis had?), en om niet naar Yoga te gaan. Het snode plan was om in plaats daarvan stilletjes met Harry op de bank te kruipen en de boel de boel te laten. Het is om me voor te schamen, ik weet het. Het zijn kinderboeken, ik weet het. Maar ik kan ze gewoon niet wegleggen, ik wil ze uitlezen en dat terwijl ik allang weet hoe ze eindigen want dit is de derde of vierde keer dat ik ze lees. En alle films heb ik ook al meerdere malen gezien (laat ik nu alles maar op tafel gooien).

In mijn verweer: ik lees ze in het Engels. En het is niet zo dat ik nu naar dat Harry Potter pretpark wil, of dat ik toverstafnijd heb. Ik kan de boeken gewoon niet wegleggen.

Wat is het toch dat maakt dat deze boeken mij zo kunnen betoveren? Dat ik ze voor de derde of de vierde keer wil lezen en ze weer niet weg kan leggen?

Misschien is het, zoals ik nu op de Schrijversvakschool leer, dat je de meest vergezochte fictie kunt opschrijven zolang je de fictieve wereld geloofwaardig kunt maken. Dat weet iedere lezer wel – onbewust misschien – maar nu, op school, leren we het analyseren en toepassen.

Veel fantasy verhalen, of science fiction, vind ik moeilijk om in te komen. Lord of the Rings bijvoorbeeld, daar kom ik dus niet doorheen.

J.K. Rowling brengt, met haar levendige details en zintuiglijke beschrijvingen, een wereld tot leven die je als lezer volkomen bereid bent te geloven. Ik tenminste wel. En wat heel slim gedaan is: je ontdekt deze nieuwe wereld samen met Harry, je valt er niet als buitenstaander midden in. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor ‘Alice in Wonderland’. Als je even veel of even weinig weet als de hoofdpersoon, dan schept dat een band met dit personage en wil je weten wat er op de volgende bladzijde gebeurt. Je leeft mee. Je zit aan de grote eettafels met de personages en krijgt trek van al het eten dat je van de pagina’s ruikt, proeft en ziet. Je hoort de stemmen van de honderden studenten om je heen. Je kijkt op en ziet de docenten aan de lange tafel zitten. Ik vind het meesterlijk.

Over de Schrijversvakschool gesproken trouwens; ik heb voor alle vakken een positief advies gekregen om door te gaan naar het volgende jaar, van alle zeven docenten. Dit betekent dat ik mag kiezen welke twee vakken ik wil gaan volgen. Welke twee dat worden, ben ik nog niet helemaal uit. Wat wel uit mijn beoordeling naar voren kwam, is dat mijn gebruik van de Nederlandse taal erg conventioneel is, erg oppervlakkig, weinig poëtisch en dat is niet zo vreemd: ik leef al bijna twintig jaar volkomen tweetalig (Nederlands en Engels). Ik lees en schrijf in beide talen minstens evenveel, ik denk zelfs dat ik meer in het Engels lees en schrijf, dan in het Nederlands.

Toen mijn boek zo’n twee jaar geleden voor het eerst door de uitgever werd beoordeeld, zei ze dat ze inderdaad kon zien dat ik veel Engels las en/of schreef. Sindsdien ben ik bewust Nederlandse schrijvers gaan lezen. Vandaar ook de Literaire Juweeltjes, om te proeven van verschillende Nederlandse schrijvers. Maar een fictieve wereld die mij zo compleet kan absorberen als de wereld van Harry Potter ben ik nog niet tegengekomen in de Nederlandse literatuur.

Harry Potter lees ik voor mijn plezier, net als Roald Dahl. Het is een absolute traktatie als een fictieve wereld, in boekvorm of in de vorm van een film of een serie, mij zo kan opslorpen dat ik de echte wereld even kan vergeten. Dan is dat een beetje vakantie. En dat is natuurlijk wat een goed boek voor je zou moeten zijn: een kleine vakantie voor je hersenen.

Schrijversvakschool Recycled #2

Op zaterdagen zit ik op de Schrijversvakschool in Amsterdam. Dat wil zeggen: zat. Afgelopen zaterdag hadden we onze laatste les voor dit jaar. Aanstaande zaterdag hebben we de beoordelingsgesprekken en horen we of we door mogen naar het tweede jaar.

Dit was een schrijfopdracht voor onze lessen Schrijftraining. Voor wie het ook wil proberen, de opdracht was: Schrijf een dialoog tussen twee personen. Er moet iets op het spel staan, persoon A wil bijvoorbeeld iets gedaan krijgen van persoon B. Stoffeer de dialoog met handelingen, waarnemingen en gedachten. Gebruik directe en indirecte reden. Denk aan het gebruik van subtekst (dat wat bedoeld wordt, maar niet gezegd).

Met het oog op Vaderdag aanstaande zondag; hier een dialog tussen twee mensen die misschien niets van elkaar gedaan willen krijgen, maar elkaar wel op de kast proberen te jagen.


Dialoog

‘Ben je lesbisch?’ vraagt hij. Ik kijk hem aan. Zijn blauwe ogen lijken lichter geworden met de jaren, of het komt omdat zijn pupillen klein zijn en het blauw daardoor beter uitkomt.

‘Nee, Pa, ik ben niet lesbisch.’

‘Waarom heb je dan geen vriend?’

Ik zwijg en haal diep adem. Het ruikt hier naar bouillon. Ik kijk rond. Er praten maar weinig mensen met elkaar. Iedereen wacht, sommigen met een wit plastic slabbetje om. Knokige handen draaien messen om. De schuifpui naar een keurig verzorgde binnentuin staat open; het is een warme dag voor de eerste week van april. Een uurtje nog. Wat is nou een uur op een mensenleven. Ik heb in ieder geval mijn best gedaan.

‘Hoe oud ben je nu? Tweeënveertig?’ vraagt hij.

‘Zesendertig.’

‘En wanneer was je ook al weer jarig?’

Met het puntje van mijn tong ga ik langzaam langs mijn tanden en kiezen. ‘Januari.’

‘Oh ja. Ik dacht dat het februari was,’ zegt hij. ‘Kun je het voor me opschrijven? Je verjaardag? En je telefoonnummer.’

Ik pak mijn tas van de vloer, pak er een blauwe Pilot pen uit en scheur een vel van het notitieblokje dat ik bij me heb. Ik schrijf mijn naam, mijn geboortedatum en mobiele nummer in grote, duidelijke letters voor hem op. Ik schuif het over de tafel naar hem toe.

‘Alsjeblieft.’

‘Dank je.’ Hij vouwt het twee keer dubbel en stopt het in de borstzak van zijn flanellen shirt. Hij zal me niet bellen. Elk jaar schrijf ik mijn volledige adres en telefoonnummer op de kerstkaart. Hij belt me nooit. Hij stuurt nooit een kaartje naar mijn adres.

Een vrijwilligster komt van achter mij vandaan aanlopen met de borden. Mijn vader kijkt mij aan en werpt dan een opzettelijke blik op de enorme borsten van de vrouw. Hij kijkt weer terug naar mij alsof hij wil zeggen: heb je die memmen gezien?! Als de vrouw achter hem staat en een bord voor mijn vader neerzet, knikt hij nog een paar keer opzij voor het geval ik de boodschap nog niet begrepen had. Ik negeer hem en glimlach verontschuldigend naar de vrouw. Ik bedank haar voor het eten. Misschien wil mijn vader ‘maatjes’ zijn, maar hij deelt altijd de verkeerde dingen met me. Zo heeft hij me ooit verteld dat hij nog maagd was geweest toen hij met mijn moeder trouwde. ‘Ik bedoel,’ had hij erbij gezegd, ‘ik had wel meisjes aangeraakt…’ Hij had zijn hand in de lucht gestoken en zijn vingers bewogen.

 

We eten onze varkensfilet met aardappelen, boontjes en appelmoes in stilte. Mijn vader kauwt nauwelijks. Ik probeer me voor te stellen hoe hij op een dag in zijn kist zal liggen. Wat zal ik voelen? Spijt? Verdriet? Niets?

‘Wat wil je eigenlijk, als je doodgaat?’ vraag ik, ‘begraven of gecremeerd?’

Hij deinst een beetje achteruit. ‘Begraven natuurlijk. Ik ben christelijk.’

‘Oh ja, natuurlijk. De wederopstanding,’ zeg ik. ‘En waar wil je begraven worden?’ Hij haalt zijn schouder op. ‘In Friesland? Bij je ouders?’

‘Nee,’ zegt hij. Zijn felheid verbaast me. ‘Niet bij mijn ouders.’

‘Oké,’ zeg ik. ‘En waar liggen je papieren?’

‘In het wandmeubel.’ Hij kijkt naar beneden en wrijft met zijn vlakke hand over het formica tafelblad.

Ik bekijk hem aandachtig, bijt zachtjes op de binnenkant van mijn onderlip en zucht. ‘Wil je koffie?’ vraag ik.

Kill your darlings: John Lindenhurst

Voor de nieuwkomers: er zijn een aantal verhalen (van dates) die het boek New York in 40 dates niet hebben gehaald. Schrijven is schrappen. Kill your darlings. Ik wil hier een paar van deze verhalen alsnog met je delen.


John Lindenhurst

New York, januari 2009

John woont op Long Island, onderdeel van de staat van New York, het ziet er uit als de staart van New York City, maar het is geen onderdeel meer van de stad. Als je de stad New York voor je ziet, met rechts Brooklyn en daarboven Queens, dan gaat er nog een grote streep land de Atlantische Oceaan in en dat is Long Island. Duizenden mensen reizen dagelijks vanuit Long Island om in New York City te werken.

John woont in het dorpje Lindenhurst, dus zo gaat hij bij mij de geschiedenis in: als John Lindenhurst. Klinkt best goed eigenlijk. We ontmoeten elkaar op een zaterdag aan het eind van de middag. Hij heeft ’s avonds een verjaardag in de stad en ik toevallig ook. Ik dacht praktisch te zijn en het voor hem te combineren, het is namelijk nogal eind vanuit Long Island om alleen maar voor een afspraakje te komen. Dan heb ik het gevoel dat ik het de moeite waard moet maken. Onzin natuurlijk, maar zo ik voel het nou eenmaal.

John is achterin in de dertig, is weer gaan studeren (ik ben vergeten wat) en heeft inderdaad een beetje een studentikoos, jongensachtig voorkomen. En dat bedoel ik positief. Daarnaast is hij basketbalcoach en verdient geld bij door te handelen in toegangskaarten voor sportwedstrijden. Sport is een zeer belangrijk onderdeel van het Amerikaanse leven en ja, ook om het zelf te beoefenen (zeker in New York), maar vooral om te kijken, ‘live’ of via de televisie.

John en ik eten wat in een vegetarisch restaurant – in het Meatpacking District ironisch genoeg – en drinken nog wat in een kroeg.

Er is iets met John zijn onderlip. Een litteken. Tijdens onze date blijft het mijn aandacht trekken, maar het was mij op zijn foto’s ook opgevallen. Hij mist een stukje van zijn onderlip waardoor het lijkt alsof hij constant op zijn onderlip bijt. Eigenlijk ziet het er best sexy uit. Als een leuke, jonge meid dit zou hebben, zou het er ongetwijfeld ontzettend geil uitzien.

Eindelijk heb voldoende moed verzameld en vraag hem wat er gebeurd is: Drie jaar geleden is John aangevallen door een pitbull en in zijn gezicht gebeten. Niet sexy. De plastische chirurgen hebben hem weer heel netjes opgelapt, behalve dat hij dus nog een stukje van zijn onderlip mist. Verder is er inderdaad niets aan hem te zien. En het is een hele leuke man om te zien trouwens; stijl, donker haar dat wat langer is dan gemiddeld. Hij heeft donkere ogen en brede kaken. Sportief gebouwd en een comfortabel stuk langer dan ik. Verder is hij aardig, vriendelijk, meegaand. Er springen geen vonken over. We hebben samen wat gegeten, wat gedronken, wat gewandeld, verhalen uitgewisseld en nu gaan we beiden naar een verjaardag in de stad en zullen elkaar nooit meer zien of spreken, en daar is helemaal niets mis mee.