Fly me to the moon, Lars

Nu ik niet meer reis voor mijn werk en mijn leven voornamelijk bestaat uit schrijven en sporten, gebeuren er veel minder gekke dingen waar ik dan weer smakelijk over kan bloggen. De leuke, spannende ontwikkelingen die wél plaatsvinden, daar kan ik niet over schrijven.

Dat mag je invullen zoals je wilt, maar ik bedoel onder andere schrijfopdrachten, boetseeropdrachten, iets met televisie (wat nu weer even van de baan is) en theaterspelen. Om maar wat zaken te noemen.

Gelukkig heb ik een paar lieve vriendinnen die soms voor een beetje spanning zorgen waar ik wel gewoon over kan en mag schrijven.

K., M. en ik kennen elkaar al sinds ons vijftiende / zestiende levensjaar, vanuit het jeugdtheater. K. kwam er een jaar later bij en was (en is) een paar jaar jonger. Daar verbazen M. en ik ons ruim 25 jaar later nog steeds over. ‘Ben je pas 39?’ roepen we dan ongelovig. De tweeëneenhalf /drie jaar leeftijdsverschil wil er maar niet in bij ons.

Twee jaar geleden hebben we een traditie geïntroduceerd; elkaar verrassen met een uitje. Nachtje Amsterdam hebben we gehad, karten, laser gamen en afgelopen zondag was K. aan de beurt om ons te vermaken. M. en ik wisten alleen: 10:30 uur verzamelen, 17:00 uur zijn we terug, gemakkelijke kleding zonder capuchon, platte schoenen met veters.

Na koffie en chocoladetaart bij mij, stapten we in de auto en lieten ons naar het zuiden rijden. Naar Roosendaal zo bleek. En ja hoor, whoohooo, K. parkeerde de auto voor: Indoor Skydive Roosendaal (of hier hun facebook pagina).

In één woord: Wáánzinnig. Altijd al een keer willen doen en nu wil ik weer. Heel verslavend.

‘Jullie hebben er zin in,’ zei de jongen die ons een blauwe overall aanreikte. Overall, oordopjes, haarnetje, helm, bril. Check! We hadden nog wat tijd, dus gingen kijken bij de windtunnel en bestudeerden wat we wel en niet moesten doen.

Wat de gebaren van de instructeur betekenden kregen we te horen tijdens de instructievideo en daar maakten we ook kennis met Lars die ons groepje zou gaan begeleiden. Wij drieën, en nog vier anderen. Om de beurt mochten we een minuut de tunnel in met Lars, de volgorde stond op een scherm. Alles werd gefilmd en konden we later terugzien. K. had voor ons allemaal 3 minuten gekocht, drie losse minuten zijn dat dan, en ter plekke hebben we er nog twee minuten bijgekocht.

Je laat je in de tunnel vallen, Lars vangt je op en houdt je stevig vast tot je stabiel bent. Hij stuurt aan, geef aanwijzingen, laat je in principe los, maar soms grijpt hij je bij je nekvel om je mee de hoogte in te nemen. Of hij pakt je bij je polsen en danst met je in het rond, op en neer op een luchtstroom van zo’n 220 km per uur. Heel intiem en romantisch eigenlijk, vonden M. en ik achteraf, en we vonden ook iets over het indringend oogcontact, de licht obscene gebaren, en de ongekende hoogtepunten, enzo.

Onze K. was minder onder de indruk van de jonge Adonis, maar begreep wel dat wij twee veertigplussers zeer gecharmeerd waren van deze atletische jongeman die ons opving en zo elegant met ons op een orkaan zweefde. ‘Ik snap het wel,’ zei K. droogjes toen we weer terugreden, ‘je bent heel puur en kwetsbaar op zo’n moment.’ Ja, dat klonk al veel minder romantisch. De liefde voor Lars was al snel weer over, maar de liefde voor indoor skydiven daarentegen niet. Pril en vurig.

Nu, ‘the morning after’, moet ik echter gaan nadenken over mijn verrassing voor de dames en het zal niet eenvoudig zijn deze klapper te overtreffen.

Suggesties zijn welkom.

 

To V or not to V

Nog even over eten en koken. Laatst werd ik op de Kalverstraat in Amsterdam staande gehouden door een alleraardigst meisje dat mij een schuldgevoel aan wilde praten over de beestachtige megastallen in de vlees- en pluimveeindustrie. Verschrikkelijk. Ik koop bijna nooit vlees of gevogelte, vertelde ik haar, want ik krijg de beelden van aan hun poten opgehangen kippen die machinaal onthoofd worden (wat vervolgens vaak niet goed gaat) niet uit mijn hoofd. Of, van toen we nog in de Achterhoek woonden, het gillen van de varkens die aan hun poten de vrachtwagen in geslingerd werden.

Ik ben al aan het experimenteren met veganistisch koken (hoe veganistisch kan ik leven?) en toen zag ik van de week een video van een presentatie die ik erg interessant vond en graag wil delen met jullie.

Ik moet hier even vertellen dat ik de link naar deze presentatie al in augustus 2016 van een klasgenoot van de Schrijversvakschool kreeg, maar nu pas heb gekeken. Ken je dat? Van die mailtjes die meer dan een half jaar in je inbox blijven hangen?

Maar goed, de presentatie werd gegeven door Dr Michael Greger van nutritionfacts.org. Zoals mijn klasgenoot het omschreef: De man is geen dieetgoeroe, heeft ook geen eigen, (zogenaamd) nieuwe theorie, maar doorzoekt met een team alle wetenschappelijke artikelen op het gebied van voeding en gezondheid en presenteert de conclusies met veel humor. Wat er uit naar voren komt – en hij legt ook uit waarom – is dat een veganistische levenswijze vele jaren toe kan voegen aan een mensenleven en veel van onze belangrijkste doodsoorzaken kan voorkomen en genezen. Zo was het bloed van veganisten acht maal beter bestand tegen kanker; doodde het acht keer meer kankercellen dan het bloed van omnivoren. Om maar iets te noemen.

Het is niet mijn bedoeling mensen de les te lezen, als je geïnteresseerd bent kun je het hele verhaal hier bekijken, ik wil het alleen maar even gezegd en gedeeld hebben. Dr Michael Greger heeft trouwens ook een podcast waar je je via zijn website op kan abonneren (podcasts zijn gratis).

Helemaal veganist zou ik zelf niet kunnen worden denk ik; ik vind mijn Irish soda bread met karnemelk te lekker en dat klontje boter door mijn puree van groenten is toch wel essentieel om dat overheerlijke, bijna veganistische stamppotje te maken. Bovendien eet ik te vaak buiten de deur om heel strikt te zijn met mijn voeding.

Maar goed, ik heb dan ook geen lichamelijke klachten behalve overgewicht.

Het goede nieuws, het bemoedigende nieuws, als je wel aan een van de te voorkomen aandoeningen lijdt, is dat het veganistische dieet heel snel effect heeft en je niet jarenlang strikt veganist hoeft te zijn om het vege lijf nog te kunnen redden. Of het nu tegen kanker of een depressie is, na drie weken een strikt veganistisch dieet te hebben gevolgd (dus ook geen melk, yoghurt, boter, kaas, eieren of honing) zagen artsen en patiënten al resultaat in de behandeling van vele ziektes en aandoeningen. Dat terwijl antidepressiva medicijnen soms maanden nodig hebben om een effect te laten zien, om van een chemokuur of bestraling maar niet te spreken.

Dr Michael Greger heeft recentelijk al zijn conclusies gebundeld in het boek ‘How not to Die’. Wat een heerlijke titel. (Wederom: ik word niet gesponsord.)

Het meisje op de Kalverstraat had aan mij geen goede dus, maar ik liet haar heel geduldig haar verhaal doen. Een verhaal dat veel te lang duurde en waarvan ze een paar keer de draad kwijt was. Dan keek ze even wazig langs me heen. ‘Ja, daar ben ik weer’, zei ze dan en ging weer verder. Ik luisterde een aantal minuten verwonderd, maar vroeg uiteindelijk toch maar: ‘Lieve schat, wat wil je me nou precies vragen’?

Ze vroeg of ik samen met haar de wereld beter wilde maken. ‘Ik zal doen wat ik kan,’ zei ik tegen haar, ‘maar nu moet ik gaan.’ Ik liet haar daar een beetje verdwaasd achter. Een kalfje met grote glanzende ogen was het, daar op de Kalverstraat. Volgens mij was ze zo stoned als een garnaal.

Heilige stress

Als ik naar het station loop, staan daar standaard twee mensen op de hoek ouderwets zieltjes te winnen voor God. Aangezien ik vaak naar het station loop, herkennen we elkaar en zeggen we vriendelijk gedag. Dat vind ik fijn, hoewel ik ook wel weet dat het het type mensen zijn die tegen iedereen gedag zeggen.

Deze klampen niemand aan met verkooppraatjes, ze staan er gewoon goed ingepakt tegen de kou, achter een rek met brochures. In voor een praatje, bereid om vragen te beantwoorden. Ik draag ze een warm hart toe, deze mensen. Ze zijn niet zoals de gelovigen die mij ooit staande hielden op het plein en dachten mij te moeten vertellen dat ik geen waarachtige Christen zou kunnen zijn – als ik dat zou willen – als ik nog nooit in tongen had gesproken. Ik zal het meisje vast verkeerd begrepen hebben. Maar goed, geen nare vingertjes van de mensen bij het station dus, maar hele vriendelijke, geduldige mensen.

Wel jammer dat het Christendom ons met al die vervelende feestdagen heeft opgezadeld – Paus Gelasius I riep in 496 14 februari uit tot de dag van de Heilige Valentijn, de dag dat de bisschop Valentijn onthoofd werd nota bene – die Hallmark en andere commerciële bedrijven zo gretig uitmelken. De commercie die je steeds verder achtervolgt met hartjes om je mee om de oren te slaan. Was het tien jaar geleden nog alleen zoetsappig daar waar de kaarten werden verkocht, nu word je ook in de Albert Heijn met je neus op je single status gedrukt en ik zag zelfs een leegstaand kantoorpand waar de hele verdieping, waar ook het enorme bord met ‘kantoorruimte te huur’ hing, was afgeplakt met harten. Waarom?!

Ik vind ‘ik hou van jou’ nogal wat, maar er zijn wel een paar mensen die ik een warm hart toedraag. Wat zeg je dan? Wat doe je dan? En als je die dag dan met zo’n ‘it’s-complicated-friend-with-benefits’ afgesproken hebt, geef je dan iets? Het is erg verwarrend voor de polyamoreuze single vandaag de dag. Kunnen we gewoon elke dag elkaar allemaal wat liefde sturen? En af en toe een kaartje? Of wat chocolade? Neemt een hoop stress weg. Van die stress gaat mijn hartje ook sneller kloppen, maar dan niet op de goede manier.

Afval en afvallen

De laatste fase van de laatste verbouwing is de slaapkamer en dat vindt mijn nieuwe fitbit – zo’n stappenteller om je pols die synchroniseert met een app op je telefoon – óók ontzettend fijn. De fitbit app noemde me zelfs een ‘over achiever’. In Amerika vinden ze dat een compliment, in Nederland iets minder. Dan ben je een uitslover, en uitgesloofd heb ik me zeker. Compleet gesloopt ben ik; moe maar voldaan. Gemiddeld 13.000 stappen per dag. Trap op, trap af. De martelapparaten in de sportschool zijn er niets bij.

Het kliklaminaat dat er lag moest eruit. Alsmede de oude IKEA boekenkast en de enorme, werkelijk loeizware kledingkast, gemaakt van dikke MDF platen. Deze laatste moest in stukken gezaagd en dat alles moest allemaal naar beneden, bij het grof vuil dat zou worden opgehaald. Ik had dus een deadline, en dat was maar goed ook want anders ‘komt het nog wel een keer’.

Ik vind het wel jammer dat we tegenwoordig een afspraak moeten maken voor het grof vuil trouwens. Ik mis de maandelijkse ophaaldag. ’s Avonds laat door de stad snuffelen tussen de spullen die een ander niet meer hoeft, maar die in mijn studentenkamer destijds goed van pas kwamen of het leuk aankleedden. Samen met verwante zielen op de vooravond van de ophaaldag door de stad struinen. Schimmige figuren in het donker. Kraag omhoog, handen in de zakken, zogenaamd onderweg naar iets, maar de tred was altijd nèt te langzaam om een andere doel te hebben dan ‘een blokje om’.

In New York, of in ieder geval in Brooklyn, zetten mensen ook hun oude spullen op straat, gewoon bij het afval dat twee keer per week werd opgehaald. De spullen werden vaak al heel snel weer geadopteerd door mensen uit de buurt. Het scheelt afval, gaat de verspilzucht tegen, stimuleert de creativiteit en mensen die het minder breed hebben zijn er vaak echt mee geholpen. Zelf heb ik er in Brooklyn een kastje, een schilderij, een kruk en een schattig tafeltje dat ik als bureau gebruikte aan overgehouden. Het enige wat je nooit mee moest nemen was iets van stof, zoals een matras of een bank met kussens, want New York had met enige regelmaat last van ‘bed bugs’ – bedwants in het Nederlands – die hele hotels of theaters plat konden leggen.

Kunnen we de maandelijkse ophaaldag weer invoeren? Ik mis het. In Dordrecht hebben we de weggeefkast, voor de kleinere dingen. Volgens mij wordt er goed gebruik van gemaakt. Ik breng er regelmatig spullen naar toe. Ik zie anderen het ook doen en met dezelfde vaart is de kast ook weer leeg. Hetzelfde gebeurt met de openbare boekenkastjes die je steeds vaker ziet, waar mensen de boeken in zetten die ze niet meer hoeven. Een ander kan ze meenemen. Geweldig toch? We gooien allemaal maar weg, zo zonde, dat wat jij niet meer hoeft, wil iemand anders graag een tweede leven geven.

Ik ben trouwens twee kilo kwijtgeraakt door al dat gesjouw.

‘Geen zorgen,’ zei een vriend mij, ‘ik heb ze gevonden.’

Tja…

Podcasts

Te vaak, als ik vraag ‘luister je podcasts?’, krijg ik als antwoord dat mensen niet weten wat podcasts zijn. Potverdorie mensen, podcasts zijn gratis en ze zijn een geweldige bron van informatie! Wil je het (internationale) nieuws volgen, een taal leren, verhalen luisteren, je yoga oefeningen voorgezegd krijgen, of wetenswaardigheden oppikken tijdens je uur in de file, dan zijn podcasts echt iets voor jou. Denk aan een soort radioprogramma dat je kunt downloaden en in je eigen tijd kunt beluisteren.

Zelf abonneer (nogmaals: gratis!) ik me op een podcast via iTunes, maar je vind je ze ook op andere platformen zoals Google Play en Stitcher.

Wat achtergrondinformatie, een beetje van mezelf en een beetje van Wikipedia: Een podcast is een audiobestand – vaak een aflevering in een serie uitzendingen – dat wordt aangeboden via het internet. Podcasting als vorm van uitzenden werd al snel populair onder radioamateurs omdat ze niet meer afhankelijk waren van zendtijd op de radio en omdat iedereen het programma, dankzij de draagbare mp3-spelers zoals de iPod, op elk gewenst moment kon beluisteren. De term ‘podcast’ is dan ook een samentrekking van iPod en broadcast en dook voor het eerst op in 2004 in een beschrijving van de nieuwe uitzendtechniek door journalist Ben Hammersley en mede door Adam Curry werd podcasten steeds meer bekend.

In Amerika zijn podcasts veel populairder dan in Nederland, en daar, in New York, ben ik er zelf mee in aanraking gekomen. Als ik ging joggen luisterde ik uiteindelijk liever naar gesproken tekst om mijn aandacht af te leiden van het fysieke ongemak, dan naar muzieknummers die maar al te vaak liefdesverdriet beschrijven en liefdesverdrietig zijn is niet goed voor mijn hardloopmotivatie kwam ik achter.

Ik luister naar podcasts als ik aan het schoonmaken of aan het klussen ben, aan het strijken of het koken. Als ik mediteer, als ik fiets, als ik wandel.

Ik verzeker je, er is voor ieder wat wils, ik raad je sterk aan om eens in de iTunes store te snuffelen. De internationaal meest populaire podcast tot nu toe is Serial en gaat over een waargebeurd, Amerikaans moordmysterie.

Zelf luister ik in ieder geval naar:

Stuff You Should Know – Al sinds het begin ben ik een trouwe luisteraar van Josh en Chuck. Ik heb ze persoonlijk mogen ontmoeten in New York, op hun eerste public event in Brooklyn. We hebben even staan praten, ik heb een biertje voor ze gehaald want ze kwamen maar niet door de mensenmassa heen in de bar. Twee hele sympathieke jongens die overrompeld waren door alle aandacht die ze middels hun podcast kregen. Twee keer per week behandelen ze uiteenlopende onderwerpen als ‘How Dictators Work’, ‘How a Flea Circus Works’, ‘Should Advertising to Kids be Banned?’, et cetera. Je pikt er allerlei wetenswaardigheden op en het is nog goed voor je Engels ook.

The New Yorker: Fiction – Het tijdschrift The New Yorker publiceert sinds mensenheugenis ook korte verhalen. In deze podcast kiest een schrijver een gepubliceerd verhaal van een andere schrijver, leest het voor en bespreekt het met de redacteur van The New Yorker.

Selected Shorts – Ook een podcast waarin Engelstalige korte verhalen worden voorgedragen.

Meditation Oasis – verschillende ‘Guided meditation’ afleveringen waarin de zwoele stem van Mary Maddux me vertelt dat ik al mijn gedachten los moet laten. Heerlijk.

De roltrap

De sportschool waar ik de koekjes en de taartjes en de chocolade teniet probeer te doen, is een vestiging van David Lloyd. Onze sportschool zit op de eerste verdieping, boven een Albert Heijn, een Aldi, een Runnersworld en een Gall & Gall. Om boven te komen kan men kiezen tussen een lift of een roltrap. Er is geen gewone trap.

Ik herinner mij een spottend bedoelde foto van een sportschool in Amerika. Voor het pand waren brede trappen en aan de zijkant was een escalator. Een dame die duidelijk wel wat beweging kon gebruiken – en die dat, te zien aan de sportkleding die ze droeg, inderdaad van plan was te gaan doen op de sportschool –, nam niet de trap maar stond op de roltrap te kijken naar de grote grijze parkeerplaats waar een aantal auto’s zo dicht mogelijk bij de ingang geparkeerd stonden. Dat beeld is me altijd bijgebleven; we gaan naar de sportschool om energie te verbruiken, maar de voor de hand liggende beweging laten we aan ons voorbij gaan.

Laatst kwam ik de sportschool uit en waren twee kinderen, een jongen en een meisje van een jaar of vijf of zes, aan het spelen op de roltrap. Mijn eerste gedachte was: ‘Waar zijn de ouders?! Wat als hun vingertjes…’ maar ik liet het los. De kinderen hadden zo ontzettend veel schik in het naar boven en beneden gaan met de roltrap, dat ik niet anders kon dan glimlachen om dit eenvoudige geluk. Het jongetje stond een paar traptreden voor mij en ging mee naar beneden, het meisje kwam juist omhoog en toen ze elkaar schaterlachend passeerden zwaaiden ze uitbundig naar elkaar. Dit was de allerleukste uitvinding ooit. Dat was duidelijk.

Wie verzint er dan zoiets? Wie zit er zuchtend naar een trap te kijken en denkt “pfff… moet ik heel die trap op? Kan die trap niet bewegen, dat ik dan stil kan blijven staan?”

Nou, dat was Charles Seeberger. Tenminste, hij heeft de eerste roltrap gemaakt als attractie op Coney Island in New York in 1896. De Amerikaan Nathan Ames vroeg al in 1859 patent aan voor zijn ‘roterende trap’ maar heeft het idee nooit uitgevoerd.

Zo, weet je dat ook weer.

You give me fever

Zal ik gaan, zal ik niet gaan? Ken je het dilemma? Je bent een beetje koortsig, vage hoofdpijn, lusteloos en soms een heel klein beetje misselijk als je er goed over nadenkt, maar ja, ook weer niet zo ziek dat je echt op bed moet blijven liggen. Je wilt toch zeker geen watje zijn.

Dat het griepvirus het zo goed doet komt door twee dingen, denk ik.

Eén: Wat veel mensen niet weten is dat je het griepvirus overdraagt voordat je goed en wel in de gaten hebt dat je ziek bent. Daarom kan een epidemie een epidemie worden, omdat je niet weet dat je een wandelend massavernietigingswapen bent dat een half bedrijf plat kan leggen.

Twee: Mentaliteit en/of cultuur. Ik voelde me in het verleden, in het Nederlandse bedrijfsleven, altijd té schuldig om me ziek te melden als ik niet kotsend over de rand van de pot hing. Maar sinds mijn jaren in niet New York niet meer! Collega’s aldaar nemen het je namelijk ontzettend kwalijk als je naar kantoor komt.

‘WTF?! Laat je bacillen thuis!’

We krijgen in Amerika (afhankelijk van het bedrijf volgens mij) 5 ziekdagen (en 10 vakantiedagen. Jaja, echt waar). Als je langer dan die vijf dagen ziek bent, word je niet doorbetaald. Het is dus erg egoïstisch als je ziek naar kantoor komt.

‘Neem je ziekdagen op voordat het ons allemaal onze ziekdagen kost.’

Zo had ik er in Nederland nooit over nagedacht, maar het klinkt wel logisch, toch?

Dus ja, dat ik vandaag de hele dag in bed heb gelegen met een kop kamillethee met honing en een goed boek, dat heb ik voor jullie gedaan!

You’re welcome.

Groepsapp etiquette

Hé! Wat is dit? Oh, weer een groepsapp erbij. In het begin vond ik ze onzettend irritant (en ja, notificaties voor ongeacht welke groepsapp heb ik allang uitgezet), maar inmiddels moet ik toegeven dat de WhatsApp groepen best handig kunnen zijn. Maar zeker niet voor alles, voor sommige doeleinden is de groepsapp gewoon niet efficient. Ik denk aan een eenmalige mededeling of een uitnodiging, alles waar geen onderling overleg of regelmatig uitwisselen van informatie plaatsvindt. In zo’n geval wil ik er uit. Maar wat is de groepsapp etiquette vraag ik me dan af? Wanneer mag ik de conversatie met goed fatsoen verlaten? Ik voel me ook niet geroepen mijn response op de mededeling of uitnodiging, die alleen voor de admin interessant is, te delen met een groep waarvan ik de anderen niet ken.

Voor de groepsapp met bestaansrecht, de nuttige groepsapp, vraag ik me af: is dit het nieuwe social medium? Gaan we, in plaats van facebook, ons leven delen in verschillende kleine groepjes? Groepjes waar we toe behoren om wat voor reden dan ook: familie-groepsapp, theater-groepsapp, vriendinnen-groepsapp, vriendinnen-subgroep-groepsapp, buren-groepsapp, voetbalclub-groepsapp, ouders-van-kinderen-bij-mijn-kind-in-de-klas-groepsapp, enzovoort.

De groepsapp doet me een beetje denken aan de chatrooms in de jonge jaren van het internet. Wat was het, 1997? 1998? Ik zat op de HEAO in Breda en daar ontdekte ik de chatroom. Yahoo chat geloof ik. Je ging een kamer binnen en daar verschenen in rap tempo zinnen op je scherm.

‘Hallo?’

‘Hallo?

‘Hoe gaat het?’

‘Hi, ik ben Mike’

‘Wie vraag je dat?’

‘Hallo?’

‘Is hier iemand?’

‘Hallo! Hoe gaat het?

‘Hi Mike!’

Ben heeft de kamer verlaten

‘Hallo allemaal.’

Nou ja, kortom, een kakofonie van mensen die door elkaar praatten. Heel verwarrend. Soms werd je direct aangesproken en dan zocht je een rustiger hoekje van het internet uit. Ik heb in die tijd lange tijd gechat en later gemaild met een verpleger uit New York. Hij werkte op de spoedeisende hulp. Wauw! Ik kon live communiceren met iemand die op de spoedeisende hulp middenin New York werkte. Ik stelde me een man in blauw verplegersuniform voor, net als op de televisie. De wereld werd ineens enorm groot en kwam tegelijkertijd binnen handbereik. Voor wat betreft de verpleger: toen ik tien jaar later zelf naar New York ging had ik zijn gegevens allang niet meer, anders had ik hem zeker opgezocht.

Nu vinden we het allemaal maar normaal, instant contact met iedereen. Foto’s, video’s, links en voice-appjes uitwisselen, internationaal bellen. Ik sprak van de week nog een vriendin in New York. Ik stuurde een WhatsApp berichtje: ‘Even bellen?’ vroeg ik, en zij zei: ‘Even een snack pakken.’ Want ze moet altijd iets eten als ze mij spreekt, of misschien wel altijd als ze aan de telefoon zit, dat weet ik niet.

‘Hallo?’

‘Hallo?’

‘Hoor je mij?’

‘Ja, ik hoor je, maar je beeld is bevroren. Hoor je mij?’

Toen het ene medium niet goed werkte, pakten we een ander. We konden kiezen tussen videobellen met WhatsApp, facetime of skype. Fantastisch toch? Ik vind het allemaal prachtig, die vooruitgang. Het vraagt alleen wel aanpassingsvermogen van ons. Aanpassing aan telkens weer nieuwe omgangsvormen en ongeschreven regels voor elk nieuw medium. Zoals: is het erg asociaal als ik nu de groep verlaat?

To-do-lijstje. Check!

De allerbeste wensen voor 2017! Ik wens je een goede gezondheid, veel liefde en een beetje geluk (teveel geluk is saai, iets bereiken door je eigen inzet geeft meer voldoening) .

Laat ik traditiegetrouw het jaar beginnen met een motiverend blogbericht. To-do-lijstjes deze keer. Doe je daaraan? Ik wel. Behoorlijk fanatiek om eerlijk te zijn. Heerlijk vind ik ze, heel stimulerend. Ta-da-lijstjes noemde iemand ze op twitter, voor als je iets kunt afstrepen. Ta-daaaa!

Voor mij is het to-do-lijstje hét medicijn tegen procrastinatie (zo’n prachtig woord, maar een klaaglijke ziekte) en ik ben er mee begonnen, met de lijstjes, na een tweedaagse cursus Time Management aan de AMA, American Management Association in New York, in de jaren dat ik in New York woonde. Ik heb een paar inzichten en gewoonten aan de cursus overgehouden waar ik nog steeds veel profijt van heb, waaronder dus de to-do-lijstjes. Ik maak ze heus niet elke dag, alleen als ik het druk heb of als ik mezelf aan de gang probeer te krijgen.

In het kader van het nieuwe jaar en eventuele goede voornemens van mensen, bij deze een paar persoonlijke tips voor efficiënte to-do-lijstjes:

  • Bepaal je prioriteiten. Je kunt niet alles tegelijk doen, wat is nu het belangrijkste? Wat kan later, wat kan een ander doen? Wat hoeft eigenlijk niet te gebeuren?
  • Overschat je tijd niet, wees realistisch. Zet er niet te veel dingen op, laat ruimte voor de onverwachte dingen die het leven nu eenmaal voor je in petto heeft en houd er rekening mee dat het project langer kan duren dan je denkt. Geef jezelf ook de ruimte voor ontspanning wanneer je je taken af hebt. Je hoeft alles niet nu meteen te doen, dit is een langeafstandloop. Kleine stapjes, rustig aan, dan kom je er vanzelf. Liever twee taken afronden en daar een tevreden gevoel aan overhouden, dan vijf taken beginnen, niet afronden en gefrustreerd raken. Als je keer op keer teveel van jezelf verlangt met te lange lijsten, krijg je telkens het gevoel dat je ‘faalt’ of tijd tekort komt en dat werkt absoluut averechts.
  • Breek grote projecten op in kleine stappen en die stappen zet je op je lijstje, niet het hele project. Als ik op mijn lijst zet: ‘werkkamer opknappen’ (wat ik dus van plan ben), dan komt er niets van terecht. Zet ik erop: ‘woensdag: werkkamer leegruimen.’ Dan lukt mij dat. ‘Donderdag: oude laminaat eruit slopen. Grof vuil bellen.’ Geen probleem. Kan ik. Check.
  • Maak je lijstje de avond ervoor. Ga er aan het eind van de (werk)dag even voor zitten en plan je volgende dag. Als je een baan of leven hebt waarin je moeilijk kunt plannen maar moet reageren op wat er binnen komt die dag, dan kun je daar rekening mee houden. Een kwestie van jezelf veel marge gunnen voor ‘onvoorziene omstandigheden’. Mijn lijstje voor de dag ligt te wachten op mijn bureau wanneer ik weer vol frisse moed aan een nieuwe dag begin.
  • Ik heb gemerkt dat to-do-lijstjes bij mij alleen werken als ik ze daadwerkelijk op papier zet. Digitaal werkt bij mij niet. Bij de AMA werd ook uitgelegd dat het daadwerkelijk doorstrepen van een taak (ta-da!) erg motiverend werkt en dat ervaar ik zelf ook zo.

Hoe kom ik hier nu zo op? In de afgelopen weken met het regelen van de uitvaart van mijn vader, het leegruimen van zijn kamer, de afwikkeling van zijn administratie en dergelijke, kwamen de lijstjes mij weer zeer goed van pas om het overzicht te bewaren.

Op mijn lijstje voor woensdag staat steevast: blog klaarzetten. Nou. Ta-daaa! Check.Kàto Vierbergen Ta-Da-lijst: voor alles wat je lekker afgestreept hebt!

Ter afsluiting

En dan zit je op een woensdagavond in een hotelkamer in Lochem, op de begane grond. Ik ruik de open haard. Ik hoor de mannen biljarten. Buiten is het de hele dag al mistig. Het zou hier best idyllisch zijn, ware het niet dat ik een tekst moet opstellen voor de uitvaart van mijn vader morgen.

Dat de beste man is heengegaan, heb ik vrede mee. Hij is 83 jaar geworden en een zachtere dood als de zijne bestaat er volgens mij niet, tenzij hij ‘s avonds naar bed was gegaan en niet meer wakker geworden was, maar alles wijst erop dat hij ongeveer op soortgelijke wijze is ingedommeld. Prachtig. Geen pijn, geen lijden. So far, so good dus. Als je moet gaan, dan alsjeblieft zo.

Maar in de dagen erna voer je als nabestaanden gesprekken die je nooit van je leven dacht te zullen voeren. Over het graf bijvoorbeeld.

‘Een enkel of een dubbeldiep graf?’ vraagt Harold de uitvaartverzorger aan ons terwijl hij met de gemeente aan de telefoon zit. Mijn broer en ik kijken elkaar aan.

‘Enkel,’ antwoorden we in koor.

‘Het is dezelfde prijs,’ zegt Harold. Hij haalt zijn schouder op. Deze informatie krijgt hij ook net via zijn rechteroor binnen.

‘Doe dan maar dubbel.’

De volgende dag heb ik afgesproken met meneer Kok van de gemeente om de toegewezen plaats te bekijken. Ik had er niet op gerekend dat meneer Kok de beheerder van de begraafplaats was. Ik dacht aan een ambtenaar in een klein verantwoord autootje, met een jasje en een dasje. Niet een man in overall met een spade in de hand. Even slikken.

Ik mag binnenkomen in zijn kantoor. Het is meer een soort tuinschuur. Er staat een verrijdbare baar waar de kist mee de begraafplaats op gereden kan worden, een plastic tafel met drie plastic stoelen, een goedgevulde broodtrommel. Een bureau met papieren en mappen, geen computer. Boven het bureau een prikbord. Aan een kabel hangt een rokkostuum, verdeeld over drie kledinghangers.

Meneer Kok is bijzonder vriendelijk en loopt met me over de begraafplaats, laat me een paar mogelijke plaatsen zien. Meneer Kok kan niet lopen en praten tegelijk. Telkens als hij mijn vragen beantwoordt of over de historie van de begraafplaats vertelt, staat hij stil en besef ik dat pas twee passen later. Het moet er van een afstandje heel komisch uitzien.

Het is een prachtige begraafplaats, groene struiken, dennenbomen en zandpaden. Morgen, of vandaag als dit gepubliceerd wordt, brengen we mijn vader naar zijn laatste rustplaats. Sluiten we zijn hoofdstuk, zijn boek, en zal ik proberen wat waardige woorden te spreken ter afsluiting.

Niet lang daarna kunnen we dit jaar gelukkig ook afsluiten. Persoonlijk kijk ik daar erg naar uit. Natuurlijk is het maar een datum, 31 december / 1 januari, maar wat mij betreft een mooi moment om 2016 mentaal de nek om te draaien, het dossier te sluiten, en met frisse moed aan 2017 te beginnen.

Ik wens iedereen het allerbeste voor het staartje van 2016, voor 2017 en voor alle jaren daarna.

Veel liefs,

Diana