Te loom

‘He, hebben we die ook?’ De mevrouw achter de kassa van Estafette, de biologische winkel, draait het blikje “linzen in currysaus” rond in haar hand.

‘Ja, al een tijdje hoor,’ zeg ik. ‘Groene groenten erbij, blikje kokosmelk en klaar.’

‘Dat ga ik ook een keer proberen. Wel makkelijk, zeker met dit weer.’

Ik was niet van plan ze vanavond al te gebruiken, maar het is inderdaad wel makkelijk met dit weer. Te loom om lang in de keuken te staan, en te loom om te werken.

‘Eet smakelijk!’ roept ze me nog na.

Ons gemoedelijke, biologische buurtsupertje.

Ik vind de hitte heerlijk, ik kan er prima tegen, maar ik word er wel loom van. Heerlijk loom als je de tijd en ruimte er voor hebt, als je je eigen tijd in kunt delen. Alles even op een iets langzamer tempo. Even de ogen dicht, zoals in Spanje, als je moeite krijgt ze open te houden. Wat een luxe.

Hoewel ik volgens mij prima slaap ondanks de hitte, zit ik wel om zeven uur ’s avonds al te gapen en vraag me af dat wel goed is. Dan hoor ik de buren, die op straat zitten, ook gapen. Allemaal loom. Iedereen loom.

Alleen de kinderen gillen en rennen door de straat.

‘We krijgen chippies!!’ roept er een. De andere juichen en rennen achter de boodschapper aan. Wat een energie. Er is altijd wel een ouder die een badje heeft opgepompt, een ander die waterijsje heeft. Ik woon in de gemoedelijkste straat van Nederland.

Is de Nederlandse maatschappij zo verhard? Het beeld dat we rond de verkiezingen kregen? (Weten jullie nog? De Tweede Kamerverkiezingen?)

Zo op het eerste gezicht is er in deze buurt toch niet veel veranderd in de laatste decennia.

Global warming misschien.

 

Back to my roots

Ik ben heel visueel ingesteld, dat is misschien vreemd voor een schrijver om te zeggen en misschien ook niet. Het is immers de kunst van het schrijven om een beeld om te zetten in woorden, die dan weer een beeld oproepen.

Hm.

Maar goed, ik ben visueel ingesteld en ontzettend gek op foto’s (sorry, dan bedoel ik niet je laatste vakantiefoto’s). Ik was dus helemaal in mijn nopjes toen we de foto’s van mijn oma op zolder vonden, toen we vorige maand mijn moeder gingen verhuizen. Fan-tas-tisch!

Vakantiealbums uit 1925, albums vol oude familiefoto’s, trouwfoto’s, noem het maar op. Mijn opa, de vader van mijn moeder, fotografeerde graag en ontwikkelde zijn eigen foto’s. Hij lijstte een aantal ook heel netjes in en daarom ben ik nu de dankbare bewaarster van prachtige, kunstzinnige portretten van mijn overgrootvader (zijn vader), mijn oma (zijn vrouw) en mijn oudoom (zijn zwager), zelfportretten (van mijn opa), groepsportretten van een theatergezelschap (mijn grootouders speelden ook theater), en ga zo maar door.

Ik heb een aantal van de ingelijste foto’s inmiddels schoongemaakt en opgehangen. Vier van mijn overgrootouders kijken nu minzaam mijn woonkamer in.

Eén van de portretten (A4 formaat) is van mijn overgrootvader, een man met een enorme snor, bijna en profil genomen, hij kijkt nog net even richting de camera, maar kijkt er niet in. Mijn opa heeft de foto genomen en ingelijst, hij heeft de foto gesigneerd en de plaats eronder geschreven: Dordrecht.

En dat is heel bijzonder. Ik kom hier namelijk niet vandaan! Mijn ouders ook niet. Ik wist niet eens dat mijn grootouders uit deze regio kwamen totdat ik hier puur toevallig neerstreek.

Ik ben geboren in Amersfoort, heb een tijd in Hoevelaken gewoond, een tijd in de Achterhoek en toen ben ik naar Dordrecht verhuisd. Per toeval. Pas toen ik me hier gesetteld had hoorde ik van mijn oma – die toen nog leefde – dat ze hier op school gezeten had, op de Gemeentelijke Kweekschool aan de Binnen Walevest. En hier ergens moet ze ook mijn opa ontmoet hebben want ik heb nog een envelop met een adres van mijn opa aan de Jozef Israëlsstraat in Dordrecht. Plus hij heeft dus ‘Dordrecht’ onder de foto van zijn vader gezet.

Mijn oma kwam uit Hardinxveld-Giessendam, liep dan vanaf het station, langs het standbeeld van de gebroeders De Witt, door de Vleeshouwersstraat naar de Kweekschool. Grote kans dat ze mijn opa daar ontmoet heeft trouwens, want ze hebben beiden voor de klas gestaan. Ze zijn later samen naar Noord-Holland verhuisd, dus ik wist niet beter dan dat de familie aan mijn moeders kant uit de regio Haarlem kwam.

Als ik de meisjesnaam van mijn oma intyp bij het Regionaal Archief hier in Dordrecht, vind ik tot mijn stomme verbazing een familieportret dat ik ken uit de albums die ik op zolder gevonden heb. De jonge vrouw die achter haar ouders staat is mijn oma. Zie ook de foto links aan de muur, achter mijn knappe jonge oudoom (Schalk Toom): De Grote Kerk in Dordrecht. Ha!

Van alle plaatsen in Nederland (en buitenland) waar ik mijn volwassen bestaan had kunnen gaan opbouwen, ben ik na veel omzwervingen en zonder het te weten, teruggekeerd naar mijn roots; het prachtige eiland van Dordrecht.

Grofweg een eeuw later, hangen mijn vier overgrootouders aan de muur en kijken tevreden toe wat ik ’s avonds op tafel zet.

 

Dat moet je willen!

Vorige week mocht ik naar de Inspiratiedag in Rotterdam, georganiseerd door het UWV om werkzoekenden te motiveren, handvaten te bieden en in staat te stellen te netwerken met potentiele werkgevers in de regio.

Ik ben van de waarom-niet-mentaliteit, dus liet ik me rond half tien, samen met drie medecursisten van de cursus ‘Succesvol naar werk’, verwelkomen bij De Doelen.

Fantastisch geregeld allemaal, ik kan niet anders zeggen. Sprekers, workshops, netwerken, hapje, drankje, een lach en een traan.

Alle sprekers waren goed, maar de grote publiekstrekker was toch wel Professor Erik Scherder, onze knuffelneuropsycholoog, bekend van DWDD.

Sinds zijn presentatie roep ik te pas en te onpas: ‘Dat moet je willen!’ Daar zit een verhaal achter natuurlijk.

Professor Scherder had twee belangrijke lessen voor ons om, indien mogelijk, ons brein te helpen langer fit te blijven.

Ten eerste: 45 aaneengesloten minuten per dag bewegen. Zeven dagen in de week. Niet zomaar wandelen, maar flink doorstappen of flink doortrappen op de fiets, zodat de hartslag verhoogd is. Hierdoor maak je bloedvaten in de hersenen aan. Essentieel. Compenseren werkt niet, dus niet op dinsdag anderhalf uur om vervolgens woensdag op de bank te blijven zitten, dat telt niet.

Ten tweede: nieuwe dingen blijven leren. Ja, dat wordt iets lastiger na je dertigste, maar blijf leren want dan blijf je nieuwe verbindingen in je hersenen maken. En ook die zijn essentieel voor een scherpe geest op latere leeftijd. Dus leer een taal, pak die klus aan waar je nieuwe dingen voor moet leren, kom uit je comfortzone, leg de muis eens aan de andere kant van je computer, ga op gitaarles.

Hij gaf het voorbeeld dat zijn collega’s aan de universiteit liever tegen hem zeggen ‘doe jij dat maar’ dan zelf de uitdaging aangaan. Erik Scherder doet dat maar al te graag, noemt het braintraining. Toen de Professor ons dit verhaal vertelde, begon hij hard te lachen en bulderde: ‘Dat moet je juist willen!’ Blijf jezelf uitdagen.

Die is blijven hangen, dus nu, als iemand iets lastig vindt, gooi ik een vuist in de lucht en roep: ‘Yes! Da’s goed! Dat moet je willen!’

Heel vervelend natuurlijk als je alleen maar wilt vertellen dat je iets lastig vindt, maar het gaat wel weer over.

De wet van Murphy

Je hebt een drukke week want je moet je eindwerk voor school inleveren. Je moet er nog veel aan herschrijven, aan twee verschillende verhalen. Heel veel, want de afgelopen weken heb je ook geen tijd gehad.

Je hebt deze week een middag en een ochtend cursus, je hebt ‘pitchnight’ van het DOP theaterfestival waar je aan mee doet, je wilt sporten, en je bent een hele dag weg naar de Inspiratiedag. Maar, je hebt de week strak gepland. Moet lukken.

Tot je je telefoon aansluit op je computer.

Er is een nieuwe update beschikbaar. ‘Doen?’ vraagt iTunes vriendelijk.

‘Ja hoor, doe maar,’ zeg ik en typ verder aan mijn verhaal.

‘Lukt niet,’ piept de computer. ‘Nog een keer proberen?’

‘Ja hoor, is goed.’ Tijdens de update is de telefoon niet beschikbaar en na een paar meldingen zijn we twee uur verder. Ik begin me nu wel geïsoleerd te voelen. Bedenk wie me zou kunnen willen bereiken, welke vriendelijke toenadering ik misschien wel moet missen.

Wat betekenen die foutmeldingen dan? Ik raak verzeild in de support pagina’s van Apple. De Apple store is inmiddels gesloten, anders was ik daar wel naar binnen gestapt.

Weer twee uur later ben ik een regelrechte ICT-er en heb ik mijn verhalen aan de kant geschoven. Ik heb programma’s verwijderd en opnieuw geïnstalleerd, ik weet wat foutmelding 14 betekent. Ik heb computer en iPhone beiden twaalf keer herstart, maar het enige wat mijn iPhone scherm laat zien is de stoïcijnse roep om een verbinding met iTunes. Als ik die maak, wordt de update keer op keer in werking gesteld maar op het laatste moment toch niet uitgevoerd.

Om middernacht, vijf uur later, ga ik dan toch maar slapen. Geen telefoon betekent geen wekker en ik moet er maar op vertrouwen dat ik morgen rond een uur of acht wakker word, zoals ik dat bijna altijd word.

Om half tien gaat de Apple store open en ik sta al een kwartier op de stoep.

‘Help, help!’

Maar de technische collega komt pas om tien uur. Dan maar even koffie drinken bij het heropende café Visser’s Poffertjessalon. Stond ook nog op mijn lijstje (en dank je wel, Dennis, voor de koffie, ook al waren jullie nog gesloten). Als ik terugfiets denk ik ‘Maar dit wilde ik toch? Niet gestoord worden deze week?’

De technische Apple-man sluit mijn telefoon aan, maar het lukt hem in eerste instantie ook niet. ‘Helemaal resetten dan maar?’ vraagt hij. ‘Vijftien euro.’

‘Ja, moet dan maar, we hebben weinig keus.’

Weer anderhalf uur later (dank je wel, Odin, voor de koffie) ben ik vijftien euro lichter en heb ik weer virtueel contact met de buitenwereld. Circa zeven uur van mijn tijd heeft het gekost, alles bij elkaar. Zul je net zien, dat is de wet van Murphy, net als je denkt dat je alles onder controle hebt…

Argh! Spullen!

Hoe vaak ben jij verhuisd? Ik een keer of twaalf. Dat ruimt lekker op. Zeker als je naar het buitenland gaat. Alleen het hoogstnoodzakelijk, of dat van wérkelijk grote emotionele waarde, verhuist mee.

Toen ik naar New York ging, vertrok ik met twee weekendtassen. Er stond een doos met administratie en foto’s bij mijn moeder, verder liet ik alles achter in het huis dat ik zou gaan verhuren en ik zou kopen wat ik nodig had. Het Walhalla voor de minimalist in mij.

Met angst en beven hebben mijn broer en ik de afgelopen jaren gekeken naar het huisje waar onze moeder de afgelopen twintig jaar heeft gewoond. Onze moeder die ook erg reislustig was, en nooit thuis kwam zonder een aandenken. Onze moeder die, net als veel ouders die de oorlog hebben meegemaakt, niets weg wil gooien.

Het moest er een keer van komen en afgelopen maand was het dan zo ver: ze wilde verhuizen. Zelf 80 jaar, dus dat betekende dat wij haar meubeltjes in het nieuwe appartement hebben gezet, moeders op de bank, en dat wij het oude huis leeg moesten halen. En ja, als je naar een seniorenflatje verhuist, dan kan de zolder niet mee.

Ongelooflijk wat er allemaal nog uit zo’n schattig klein huis komt.

Een aantal weken geleden, toen we bij de woningstichting hadden aangekondigd dat we de huur gingen opzeggen, kwam Pieter de opzichter langs om te inventariseren. Hij keek rond, keek mij meewarig aan en zei: “Sterkte.”

Het is zonde, er zaten echt wel leuke oude spullen bij, maar tijd voor marktplaats hadden we niet. Ruimte om het op te slaan hebben we ook niet.

Wat we wel hebben zijn een paar blije buren vanwege al die spullen die voor het oprapen lagen, een hele enthousiaste ijzerboer (wonderlijk wat zo’n man op een fiets mee kan sjouwen), en waarschijnlijk wat medewerkers van het afvalscheidingsbedrijf die hoofdschuddend de inboedel scheidden.

Het is gelukt. Misschien een beetje te rigoureus af en toe (Zeg, waar is de broodtrommel? … uhm …), maar het huis is leeg. Het moest er een keer van komen.

Afgelopen maandag heb ik de sleutel bij Pieter ingeleverd.

“Daar zullen jullie veel werk aan gehad hebben,” zei hij. “Dank jullie wel dat jullie het zo schoon en leeg hebben achtergelaten.”

Ik had de gehele eindinspectie mijn hart vastgehouden. Als alles maar in orde was. We waren het zat. Alsof hij mijn gedachten kon raden, zei hij met een glimlach: “Kom, geef mij die sleutel maar, dan gaan we hier weg.”

Ik begrijp dat een mens veel kan verzamelen in tachtig jaar en dat je extra veel spullen wilt bewaren als je kinderen hebt, dus ik heb een voorstel aan alle ouders: Zodra de kinderen het huis uit zijn, vraag of je kinderen hun eigen kindertekeningen, asbakken en foto’s kunnen bewaren en verhuis dan zelf voor een paar jaar naar het buitenland. Echt, jullie hebben het verdiend!

En geloof me, je doet je kinderen er een enorm plezier mee. Op een dag zullen ze het begrijpen.

Vandaag is leg-day

‘Ken je mijn man ergens van?’ Ze komt de kleedkamer binnen en stapt meteen op me af.

Ik heb de oordopjes van mijn iPod al in, dus ik versta haar niet goed. Daarom vraag ik vriendelijk: ‘Pardon?’

‘Mijn man, je begroette hem laatst. Ken je hem ergens van?’

Ik heb deze vrouw nooit eerder gesproken, maar ken haar van gezicht. We hebben elkaar hooguit uit beleefde herkenning gegroet. Ik heb nooit geweten dat het de helft van een sportsetje is.

‘Ik… sorry, ik weet niet wie je man is.’ Ik denk koortsachtig na, maar er kan hier geen gevaar zijn. Ik heb het met niemand gedaan die ik van de sportschool ken. Ik zeg zoveel mensen gedag, mannen en vrouwen die ongeveer dezelfde sporttijden er op na houden.

‘Lange man. Hij kijkt altijd naar vrouwen.’ Zelf komt de tengere echtgenote van middelbare leeftijd niet boven mijn schouders uit. Ik zou haar makkelijk aankunnen, ware het niet dat ik een nieuw trainingsprogramma ben begonnen. Gisteren heb ik voor het eerst het pittige schema voor mijn bovenlijf afgewerkt en nu kan ik mijn armen nauwelijks optillen. Vandaag is leg-day, goddank.

‘Er zijn heel veel lange mannen hier,’ zeg ik glimlachend. Zeker voor jou, zou ik er bij willen zeggen, maar wil het risico niet nemen haar verder te provoceren. Blijkbaar heb ik al genoeg gedaan.

‘Je was laatst bezig op de mat en je keek naar hem en jullie zeiden elkaar gedag, dus ik vroeg me af of jullie elkaar misschien kennen. Ik denk, ik vraag het maar, voordat er misverstanden ontstaan.’ Ze kijkt me strak aan. Ze heeft priemende donkere ogen.

Voordat er misverstanden ontstaan, denk ik. Tot een paar seconden geleden bestond er voor mij helemaal geen misverstand. Maar nu wel.

‘Ik weet echt niet wie je man is.’

‘Van buiten de sportschool misschien?’

‘Ik weet niet wie je bedoelt,’ zeg ik voor de derde keer, geïrriteerd nu.

‘Lange man. Kijkt naar alle vrouwen.’

‘Ja, dat zei je. Weet je wat, wijs hem volgende keer aan en dan zal ik het je vertellen, goed?’ Ik stap om haar heen en maak me snel uit de voeten, de sportschool in. Ik weet niet of ik boos moet zijn, medelijden moet hebben of dat ik haar om haar moed moet bewonderen. Ik zeg voor de zekerheid maar even niemand gedag vandaag.

Vandaag is leg-day.

Schrijversvakschool Recycled #6

Mede door een gebrek aan tijd deze maand, publiceer ik vandaag het resultaat van een opdracht die wij voor schrijftraining (docent Jan van Aken) aan de Schrijversvakschool Amsterdam moesten inleveren. De opdracht luidde : Schijf de eerste bladzijde van een historische roman van 650 pagina’s.

Ik loop al heel lang met dit idee voor een roman rond, maar dit verhaal zou veel onderzoek vergen en ik ben geen onderzoeksjournalist. Mocht iemand wel erg geïnteresseerd zijn in het doen van onderzoek; neem contact met me op, ik deel het idee graag met je.

De eerste bladzijde:


Toen Liú Yena op 2 oktober 1982, het jaar van de Hond, in de Jiangxi provincie van China voor het eerst haar longen volzoog, stond al vast dat ze een Heihaizi, een ongeregistreerde baby zou worden. Haar twee jaar oudere broer, Xiang, stond immers al geregistreerd als het kind van de family Liú en haar ouders konden en wilden de exorbitante boete voor een tweede kind niet opbrengen, zeker niet voor een meisje.

Door niet te tekenen voor haar leven, tekenden haar ouders in feite haar doodvonnis. Yena zou moeten leven als een geest, zonder identiteit, zonder kans op onderwijs, medische zorg of een baan. Haar bestaan zou slechts kunnen leiden tot een paar mogelijkheden, waarvan voor een meisje de prostitutie het meest voor de hand liggende was.

Yena betekende begeerte.

 

Moeder Nuwa verborg haar bescheiden buik onder vele lagen kleding als ze op het veld werkte of voor hun eenvoudige huisje manden vlocht.

Vader Xiaobo, sprong één keer in de week op de fiets om in het dorp voorraden te halen. Hij had de gewoonte te neuriën zodra hij fietste. Het een was onlosmakelijk met het ander verbonden.

Van alle grootouders leefde alleen de moeder van Xiaobo nog. Zij trok bij het gezin in en hielp Nuwa met de geboorte terwijl Xiaobo zenuwachtig om het huis heen liep, met de huilende Xiang op zijn arm.

Later zou Oma Liú op de kleine Yena passen, terwijl Nuwa zich weer bij Xiaobo vervoegde op de rijstvelden, met de kleine Xiang op haar rug gebonden.

Toen Yena vijf jaar oud was, had ze het daglicht alleen maar op de kleine binnenplaats van het huis gezien. In het schemerdonker was ze nooit verder gekomen dan de overkant van de oranje zandweg. Soms, als de zon achter de horizon verdwenen was, mocht ze naar buiten. Dan rende ze naar de overkant en stond doodstil naar de horizon te turen tot het te donker werd om het land van de hemel te onderscheiden. Ze luisterde naar de krekels.

Met weinig anders te doen, vertelde Oma Liú Yena verhalen, leerde haar lezen, schrijven en rekenen. Oma vertelde haar over de geschiedenis van China, over politiek, over geneeskrachtige kruiden. Haar oma was een wijze vrouw, die haar oor overal te luister had gelegd en alles gelezen had wat ze in haar handen kreeg. In de lange dagen die ze samen doorbrachten, deelde ze al haar kennis met de kleine Yena

 

Doe-het-zelfbeeld

Kom, ik loop even bij Werner binnen, dacht ik. Het was vrijdagmiddag en ik kwam uit The Movies in Dordrecht. Ik had ‘Lady Macbeth’ gezien, nog steeds blij met mijn Cineville pas.

In het straatje naast The Movies zit de zaak van Werner, genaamd ‘De Etalage’. Hij etaleert en verkoopt kunst en ‘woonsieraden’.

Werner heb ik ooit ontmoet tijden de feestelijke opening van de Schalcken expositie in het Dordrechts Museum. Ik mocht model zitten voor het informatiefilmpje dat bij de tentoonstelling werd vertoond. Mark Isarin maakte foto’s in dat filmpje, terwijl we twee van de schilderijen ensceneerden.

Tijdens de opening raakten Mark en ik aan de praat met Werner die mij toen vertelde wat hij deed. Dat heb ik ergens in de rolodex in mijn geheugen opgeslagen, maar verder nooit iets mee gedaan.

Maar nu ik mijn beelden op etsy en op marktplaats heb gezet, dacht ik dus: Kom, ik loop even bij Werner binnen.

Ik vroeg Werner hoe dat gaat als iemand zijn of haar werk wil plaatsen. Ik liet Werner wat foto’s zien van mijn beelden.

‘Zijn het bepaalde mensen?’ vroeg hij.

‘Ja, modellen.’

‘Ik zal je eerlijk zeggen, ik zou persoonlijk niet een beeld van zomaar iemand anders in huis willen hebben.’

Ik moest er even over nadenken, maar ik begreep wel wat hij bedoelde. Daar zat wel iets in. En mensen vinden het over het algemeen moeilijk om een beeld van zichzelf te laten maken. Kinderen, huisdieren, geliefden; prima. Maar van jezelf, dat vinden mensen misschien toch te zelfingenomen overkomen.

‘Ik wil je niet vertellen wat je moet doen,’ ging Werner verder, ‘en je moet vooral je eigen stem volgen, maar ik zou in mijn winkel eerder abstracte portretten willen verkopen.’ Hij liet me wat voorbeelden zien. Ik keek er peinzend naar en voelde de blik van Werner op mij rusten.

‘Maar je kunt wel wat,’ zei hij. ‘Dat zie ik wel.’ Hij liep naar de achterdeur. ‘Weet je wat,’ zei hij, ‘ik heb achter betonblokken staan. Misschien wil je eens kijken of je daar iets mee kunt.’

Lang verhaal kort: vijf minuten later loop ik, in plaats van mijn beelden te plaatsen, de winkel uit met een rechthoekig betonblok waar ik dan a la Michelangelo het beeld uit mag hakken. Een doe-het-zelfbeeld dus.

 

Lang leve de Koning!

Als mijn blog en Koningsdag samenvallen, dan moet ik daar natuurlijk iets over zeggen. Ik kan vertellen over de keren dat ik meedeed aan de vrijmarkt, in de goede oude tijd toen kleedjes in Dordrecht nog waren toegestaan. Tegenwoordig moet je een kraampje huren of een kind lenen, want kinderen mogen wel een kleedje neerleggen.

Maar dat ga ik niet doen, ik ga je vertellen over iets wat ik mij al lange tijd afvraag, al voor Willem-Alexander en Máxima ‘het’ deden met elkaar. Ik zou het kunnen opzoeken, maar ik vind het veel te leuk om de vraag in goed gezelschap in de groep te gooien en te zien hoe men net als ik op het vraagstuk kauwt, of niet.

De vraag is dit: als in ons koningshuis de eerstgeborene een meisje is en het tweede kind een jongetje, wie is dan de troonopvolger? Is het in Nederland het eerstgeboren kind of de eerstgeboren zoon?

In het oosten, ik geloof in Japan, is (als ik het goed herinner) de grondwet ooit aangepast van ‘eerstgeboren zoon’, naar het ‘eerstgeboren kind’.

In Nederland weet ik het niet en het is ook al eeuwen niet aan de orde geweest:

  • Willem I en Wilhelmina, drie zonen en twee dochters. Willem I was de eerste Koning der Nederlanden.
  • Willem II en Anna, vier zonen en een dochter.
  • Willem III en Sophie, kregen drie zonen, deze stierven alle drie voor hun vader stierf. Willem III hertrouwde met Emma, ze kregen één dochter.
  • Wilhelmina en Hendrik, één dochter.
  • Juliana en Bernard, vier dochters.
  • Beatrix en Claus, drie zonen.
  • Willem-Alexander en Máxima, drie dochters. Als de middelste of de jongste een zoon zou zijn, zou deze dan de opvolger worden?

Inmiddels, dankzij mijn zoektocht naar onze troonopvolgers op het internet, ben ik er (onbedoeld) achter dat het grondwettelijk het eerstgeboren kind is, niet per se de eerstgeboren zoon dus. Jammer, nu moet ik iets anders verzinnen om tijdens de borrel in de groep te gooien. Maar dat het vraagstuk sinds het ontstaan van ons koninkrijk nooit aan de orde is geweest, is frappant. Toch?

Summer storm

Summer storms, ik ben er gek op! Kan me niet hard genoeg tekeer gaan. Dat wil zeggen, nu mijn dak vernieuwd is (in 2015) en ik geen lekkage meer heb.

Kom maar op met die hagel, regen, donder en bliksem. Ik krijg altijd zin om terug te schreeuwen, niet uit boosheid, gewoon omdat ik ook wil ontladen, net als de wolken. Ik denk alleen dat mijn buren me op laten pakken als ik ga staan brullen op mijn patio. Maar, boy, wat vind ik een goeie storm opwindend. Enerverend.

Een stortbui is natuurlijk vooral leuk als je thuis op de bank zit met een boek en je weet dat je de deur niet meer uit hoeft. Sterker nog, als je daardoor kunt denken: ‘Ja, daaaag, ik ga ècht niet naar de sportschool met dit weer’ terwijl je de zak chips nog wat dichter naar je toetrekt.

En als ik heel eerlijk ben: noodweer is het aller-allerleukst als je in bed tegen een warm, naakt mannenlijf aanligt (of een vrouwenlijf voor wie daar de voorkeur aan geeft). Minder ontspannen als je iPhone nog op het tafeltje buiten ligt. Is me ook al eens overkomen.

Opeens houdt het natuurgeweld op, schijnt een tevreden avondzonnetje tegen de gevel van het witte huis aan de overkant en hoor je de vogeltjes fluiten in de stilte na de storm.

 

Ken je de reclame nog, ik weet niet meer waarvoor, maar een Amerikaan loopt rond in Nederland en roept ‘our bridges are muuuuuuuch bigger’ en ‘our cars are muuuuuuuch bigger’, et cetera.

Flauw, maar het is wel zo. Hun Thunderstorms mag je met recht met een hoofdletter schrijven. Als je denkt dat het hier met bakken uit de hemel komt, dan heb je de ‘summer rain’ in New York nog niet meegemaakt.

En als het begint te stortregenen op een hete namiddag in augustus en je komt met je Nederlandse collega (die bij jou logeert) uit je werk en fietst samen naar huis in Brooklyn, laat het dan ook maar gewoon over je heen komen. Compleet weggespoeld werden we door een plensbui, zo hevig was het dat we de fiets aan de kant moesten zetten omdat we niets meer konden zien door de deken van water. We kregen er de slappe lach van, zo absurd was de hoeveelheid water die in korte tijd naar beneden kwam. (Is ook een heerlijke ontlading; lachen. Reken ik ook goed.)

Een andere keer stond ik tevreden in het halletje van mijn appartement het natuurgeweld te bewonderen tot ik erachter kwam dat aan de achterkant van mijn kelderappartement, bij mijn achterdeur, het water met emmers tegelijk mijn huis in stroomde. Nou had ik gelukkig een tegelvloer en stond alles op pootjes, maar toen heb ik inderdaad even terug gevloekt. Niet echt hoor, want zo ontzettend veel vloek ik nou ook weer niet, geloof ik.